Nick Corpel

23 jaar - VMBO-TL

80
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Nick Corpel (23 jaar)

? stemmen

23 dagen

Daar liep ik dan. Mijn schoenen af en toe weg zakkend in het zachte gras. De regen tikkend op mijn jas. Drieëntwintig dagen leken zo lang. De dagen leken jaren. Ik had vroeger op tv veel documentaires gezien over de apocalypse, veel games gespeeld waarin je moest overleven maar in het echt was het anders. Het was echt. Het ging om je eigen leven en om het leven van je familie en geliefden.
Ik zal me even kort voorstellen, want wat maken namen nou nog uit in een wereld overspoeld door de levende doden. Ik ben Noah, veertien jaar oud en samen met mijn moeder, broer en vier andere mensen zijn we de enige overlevenden uit de grote stad. Twintig dagen geleden, de dag toen de elektriciteit en andere voorzieningen uitviel, besloten we om naar de oudere broer van mijn moeder te gaan die een appartement had in de grote stad. De regering zou de grote steden evacueren en ons meenemen, toch? Niet dus. Nog geen vier dagen geleden werden de straten ingenomen door de levende doden. Iedereen die zich maar een stap buiten zijn veilige thuishaven durfde te begeven werd opgepeuzeld of neergemaaid voor hun eigendommen. Uiteindelijk besloten we met een aantal andere mensen uit het appartementencomplex te vluchten. Negenentwintig. Slechts zeven overleefde, waaronder mijn broer, moeder en ik.
Je zult je vast afvragen waar we nu naar op weg zijn, zwervend door weilanden en spooksteden. Naar het warme zuiden. De winter komt eraan, het voedsel raakt op en men beweert dat in het zuiden er nog mensen zijn. Levende mensen. Mensen met eten en een onderdak. Misschien zelfs elektriciteit! Maar of we er op moeten vertrouwen. Moeten we vertrouwen op een gerucht? Moeten we al onze hoop neer leggen bij iets wat hoogstwaarschijnlijk niet, of niet meer, bestaat? Ik wist het niet, ik wist het gewoon niet. Het was een hoop druk voor een veertienjarige. Ik wist dat mijn moeder en broer meer wisten, maar het voor mij verzwolgen. Ik was nog maar een kind, beweerde mijn broer altijd als ik iets vroeg over wat er aan de hand was. En dat was ook waar, ik ben ook maar een kind. Alleen mijn broer, die zelf zeventien is, gedraagt zich na de dood van pap als de baas van de wereld. Hij weet altijd alles beter. Pap. Het is een lang verhaal, maar het fijne is dat hij ieder geval niet is gestorven tijdens de apocalypse en dat hij niet is veranderd in een van hen. Dat had ik echt niet aan gekund. Dat was mij en zeker mijn moeder teveel geworden. Mijn broer hield zich groot, maar hij weet niet wat ik weet. Nog geen paar uur geleden, toen hij met de andere mannen op zoek ging naar een auto, is hij gebeten. Hij verbergt het voor mijn moeder en de andere mensen, maar ik weet het gewoon. Ik voel het. De blikken waarmee de mannen Luke aankijken betekent niet iets goeds. Dat kan gewoon niet.
We stopten met lopen. De regen voelde alweer een stuk kouder aan dan gister. Het werd met de dag erger. Ik keek om me heen, me af vragend om welke reden we eigenlijk gestopt waren. Wat nou zo belangrijk was dat we midden in een weiland moesten stoppen. Ik keek naar Luke. Hij stond in de bosjes over te geven. Mijn hart maakte een sprongetje. Ging het zo snel? Luke keek richting de groep, veegde zijn mond af en stak zijn duim op.
“Het gaat, we gaan verder”
Een van de mannen liep naar Luke toe en legde zijn hand op Luke’s schouder.
“Weet je zeker dat je niet…”
Luke onderbrak de man
“Ik heb toch al nee gezegd”
Luke liep langs de man en ging weer naast mijn moeder staan. De groep kwam weer in beweging, alleen Luke zag er niet zo goed uit. Zijn ogen vielen dicht en af en toe kwam hij een beetje achter de groep te lopen. Ik moest het hem vertellen. Ik ging naast hem lopen.
“Luke..”
Luke keek me aan. Zijn ogen anders dan ik me kon herinneren. Zijn huid bleker dan normaal. Het was niet meer de Luke die ik kende. De Luke die ik kende was er niet meer. Ik probeerde de groep te roepen, die al een aardig eindje voor ons liepen, maar dat lukte niet meer. Luke greep me vast en scheurde een stuk vlees uit mijn arm. Totaal in shock viel ik neer op de grond. De andere mannen, die het hadden zien gebeuren, sloegen Luke neer. Het kon me toch allemaal niet meer schelen. Ik liet me achterover vallen. De modder drong langzaam door mijn kleren heen. Ik keek naar boven. Het achtergrondgeluid stierf langzaam weg. Ik keek alleen nog maar naar boven. Naar de donkere, maar toch zachte lucht. De kleine regendruppeltjes die langzaam neer vielen en… Ik moest even één keer goed kijken. Een sneeuwvlokje. Een mini sneeuwvlokje. Helemaal alleen, net als mij op dit moment. Het sneeuwvlokje dwarrelde langzaam naar beneden en landde op mijn neus. Ik trok mijn mondhoeken omhoog. Langzaam sloot ik mijn ogen. Wachtend op wat er komen zou.

Ontwerp door Willem Verweijen