Archive for the ‘Verhalen’ Category

Je bleef maar rennen

Posted on: februari 14th, 2015 by Scholieren

Ik zag je. Voor het eerst weer. Het was een druilerige dag, zoals er velen zijn. Maar dat maakte niet uit. Ik zag je weer. Je wenkte me, dus ik volgde je. Je rende weg van me, en ik volgde je. Je bleef maar rennen. Ik hield je bijna niet bij. Je rende en rende. Langs dat warme bakkertje met heerlijke broodjes. Langs de bloemenwinkel waar ik nog bloemen had gekocht voor je. Van die mooie gele, geel als de zon. Dat kon jij wel gebruiken toen. Jammer genoeg stopte je niet. Je rende verder. Langs de supermarkt met de supermarkt lucht die jou weer eens normaal deed voelen. Je keek er zo lang naar uit om met mij boodschappen te doen. Kleine dingen. Daar hield je van. En daar ging je weer. Langs de dierenwinkel waar je altijd vogelzaad kocht. Dan gingen ze zo mooi zingen. Maar zingen deden de vogels niet zoals jij. Nu in ieder geval niet meer. Je rende zo snel daar allemaal voorbij. Daar ging je weer de hoek om. Ik volgde je nog steeds. Je ging een andere route dan ik verwachtte. Misschien had je er op dat moment zin in. Daar was je altijd wel voor in, om eens iets anders te proberen. Dat was jouw echte ik. Je rende verder. Altijd onderweg. Je rende al bijna het dorp uit. Ik had geen idee wat je einddoel was. Maar je leek precies te weten waar je heen wilde. Zoals altijd. Jij wist wat je wilde. Ook toen het minder ging. Er was maar een ding wat je wilde en je zou erin slagen. Zo koppig. Ook toen rende en rende je verder. Je ging overal langs. Met of zonder lach, maar altijd met moed. Dat bewonderde ik aan je. Nu nog steeds. Je rent altijd verder, met zoveel moed. Hoe doe je het toch, denk ik bij mezelf. Je rende nog steeds. Daar ging je langs het weilandje. Met de kinderboerderij op de achtergrond. Daar ontmoette ik je voor het eerst. Tussen de kippen en kleine paardjes. Wat een fijne herinnering. Het doet pijn om er aan te denken. Gelukkig rende je daar voorbij. Daar ging je weer. De route leek op de weg naar school, maar toen we aankwamen bij school, rende je weer door. School. Daar was je zeker graag. Naast de supermarkt wilde je ook naar school. De leraren waren extra aardig, zelfs tegen mij. Ze wisten hoe erg ik je soms miste, toen al. Het was zo leeg zonder jou. Soms kwamen ze op bezoek, voor schooldingen of gewoon omdat ze je wilden steunen. Je vond dat altijd fijn. Ze dachten aan je. Zelfs nu denken ze nog aan je. Daar zal je wel blij mee zijn. Je rende en rende. Ik raakte buiten adem. Je leek steeds harder te gaan rennen. Waar ging je toch heen? En toen rende je het dorp uit, met mij achter je aan. Ik snapte er niets van. Hier is toch niets meer? Geen plekken waar je heen wilt? Of wel? Ik begon je uit het zicht te verliezen. De steken brandden in mijn zij. Hoe kon jij doorrennen? Was jij dat wel? Dat kon niet anders. Niemand anders had van dat prachtige korte haar. Wilde je echt niet stoppen? Je rende steeds meer voor me. Ik kon je niet meer bijhouden. Alsjeblieft, wachtte nou even. Dan kon ik je bijhouden en dan konden we samen zijn. Maar je rende door. Ik moest ook wel rennen, ik wilde je niet verliezen. En toen was ik je kwijt.

Stil stond ik. Ik had geen idee waar. Groen gras was geplet onder mijn voeten. Verderop was de kale plek nog te zien. De sporen van de schoppen waren nog duidelijk aanwezig. De plek was erg kleurig. Net zoals jij. Wel raar. Op deze trieste plek. Ik weet waar ik sta. De kleuren helpen me. Het geeft me het gevoel dat je veilig bent. De steen staat als een trouwe wachter bij je kussen. De kleuren. De bloemen. Het zand. Het werd te veel. Toen begon ik te huilen. De tranen die ik zolang had in weten te houden. Ze stroomden over mijn gezicht. Ik zag je. Ik zag je! Maar je bent er niet. Een rilling. Een warm gevoel van binnen. Je bent er wel. Maar ook niet. En toch. Ik zag je.

En ik mis je zo.

De weg naar de dood

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Junius is een soldaat in het vijfde legioen van Rome Hij is 18 jaar en komt van een arme boerderij. Hij is Soldaat geworden om een beetje geld te verdienen. Junius liep met het legioen naar de kust in het zuiden Van Brittannië. Hij zou daar met de boot naar Gallië gaan Lucinius zijn vriend liep naast hem toen opeens hoorde ze de generaal schreeuwen ‘’in verdedigings opstelling!’’ Junius keek om zich heen hij zag geen gevaar, toen keek hij boven zich, hij zag honderde pijlen, ze kwamen op hun af Junius deed zijn schild boven zijn hoofd. De pijlen daalden Neer, je zag ze dóór de schilden heen gaan kameraden vielen Neer met pijlen in hun borst en hoofd. Toen het stopte vielen er ruiters aan, ‘’speren naar voren!’’ Junius stond vooraan dus hij deed zijn speer naar voren ‘’gooi!’’. De voorste rij gooide hun speren Juinus speer was raak, hij hoorde paarden gehinnik. ‘’Pak Je zwaard!’’ schreeuwde de generaal weer, hij pakte zijn zwaard. ‘’Zet je schrap!’’ de paarden gingen dwars door de Romeinse muur heen, de ruiters stootte hun speren naar voren en raakte vele Romeinen. Ook veel paarden vielen en werden meteen doodgestoken. De paarden kwamen niet ver de meeste ruiters werden meteen van hun paarden gegooid en neergestoken. Na het gevecht was alles een bloederig zootje Junius en Lucinius hebben het allebei overleeft. Er zijn wel 226 Romeinen gesneufeld en wat die ruiters betreft allemaal In de hel, ze sloegen daar hun kamp op, en gingen slapen. De volgende ochtend werd Junius wakker, hij kleedde zich aan en ging naar buiten, de meeste waren hun tenten al aan het opruimen Lucinius hielp
Junius zijn tent op te ruimen. ‘’Dat was een behoorlijk gevecht gister avond’’ zei lucinius ‘’ja’’ zei Junius ‘’ik heb wel 2 ruiters uitgeschakeld 1 ruiter is 3 man dus mijn score is zes’’ ‘’nou mijn score’’ zei Lucinius Is 4’’ ‘’hoe kan dat’’ zei Junius ‘’nou ik heb 1 ruiter uitgeschakeld En 1 een beetje gestoken.’’ Die middag ging het legioen weer op weg naar de kust. Toen ze aankwamen zei Junius ‘’dat was wel een lang tochtje’’ ‘’ja’’ zei Lucinius ‘’de langste die ik ken’’ ‘’’we moeten nog langer In gallië’’zei Junius ‘’maar we gaan eerst met de boot. Bij de kust lagen meerdere grote schepen, een deel van het legioen Met Junius en Lucinius erop ging op een schip, de twee vrienden moesten op de uitkijk staan voor aanvallen. Die avond stonden Junius en Lucinius slaperig op de uitkijk Junius zag heel ver weg en oranje gloed maar niet in de buurt Van de schepen het bleek een heel groot duister
object te zijn Een schip! Hij moest allarm slaan hij liep naar een trap naar beneden En zag een grote bel er stond in het grieks alarm hij luidde de bel En riep alarm iedereen in het ruim werd meteen wakker ‘’wat is er Soldaat’’ vroegen ze ‘’een schip!’’ schreeuwde Junius ‘’in de verte!’ Iedereen ging het dek op en gingen in opstelling staan. Hun waren het dichts bij het vreemde schip. Ze kwamen dichterbij De generaal kwam ook kijken ‘’speren naar voren!’’ ze kwamen Noch dichterbij er stonden veel mannen op het schip ‘’pak de loopplanken!’’ en ‘’werp!’’ ze gooide hun speren ze hoorden kreten Van pijn. De twee schepen botsten tegen elkaar romeinen legden de loopplanken klaar en ‘’aanvallen!’’ de Romeinen kwamen er pas laat Achter dat ze bogen hadden de pijlen vlogen om hun oren en Romeinen vielen in het water Junius hoorde zwaardgekletter en veel Pijn kreten de Romein werden 1 voor 1 afgemaakt Junius werd bang ‘’kom Lucinius dit gaan we niet winnen’’ zei Junius. Ze sprongen in het water zonder bepakking en zwommen naar een Ander Romeins schip toen ze daar aan boord waren zeiden de vrienden dat we verloren hadden en dat de laatste 2 schepen moeten Vluchtten. De Romeinse schepen vluchtten naar Gallië. Aangekomen vertelde ze het de Romeinen Die bij de kust stonden ‘’We zijn onze generaal verloren, wij gaan verder naar Rome gaan jullie mee’’ hun antwoord was ja nu gingen ze met 1/3 legioen Verder. Ze kwamen aan in een dorpje, ze maakten een kamp en gingen daar overnachten. De volgende ochtend werd Junius wakker van geschreeuw hij wist het zeker ze werden weer aangevallen hij kleedde zich snel aan en Ging naar buiten dit keer waren het manschappen hij ging bij de rest in opstelling staan en vielen aan ‘’speren in aanslag’’ riep dit keer de Optio ze kwamen dichterbij en ‘’werp!’’ ze gooide hun speren die van Junius raakte ze waren wel met twee keer zo veel hij dacht dit keer gaan
we verliezen ‘’pak je zwaard!’’ en kedeng de eerste rij knalde tegen de vijand er werd geslagen ,gesneden, gehakt en vermoord….. Die middag overzagen ze het slagveld ze hadden gewonnen maar met veel verliezen ze waren nog maar met 300 man, die avond liepen ze weer verder……

Onderweg naar huis

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ik was net klaar met mijn volleybaltraining. Het was al donker en ik ging naar huis, ik stapte op mijn fiets en ik fietste weg. Het was best donker en ik zag in de verte een klein lichtje dus ik fietste erop af. Ik kwam al snel in een soort zijstraatje. Ik was hier nog nooit geweest. Ik kwam er achter dat het lichtje een soort kleine lantaarnpaal was. Ik wilde nu echt naar huis gaan alleen omdat het zo donker was en ik bijna niks kon zien had ik geen idee welke kant ik op moest. Dus ik fietste maar ergens heen. En na tien minuten fietsen en hopen dat ik iemand tegen zou komen kwam ik uit bij een bos. Ik maakte een sprongetje van geluk, want ik dacht dat ik het bos herkende. En dan zou ik makkelijk de weg naar huis kunnen vinden. Dus ik fietste het bos in maar ik keek om me heen en bedacht me dat het misschien toch een heel ander bos is. Maar ik had geen andere keus dan gewoon rechtdoor fietsen. En opeens hoorde ik een heel zacht stemmetje. Ik luisterde goed ‘waar is Sneeuwwitje?’. Het stemmetje was zo zacht dat ik het bijna niet kon horen. Maar ik dacht dat ik de naam sneeuwwitje hoorde. ‘Nee dat is het vast niet’ zei ik tegen mezelf. Toen hoorde ik nog een stemmetje ‘ik heb geen idee waar Sneeuwwitje is’. Hoorde ik het dan toch goed, hoorde ik nou nog een keer sneeuwwitje. Mijn hard bonsde in mijn keel en ik liep rustig op het geluid af. Stap voor stap kwam ik dichter bij. En toen opeens voelde ik een hand op mijn rug ik schrok me kapot en moest eigenlijk heel hard gillen alleen ik hield het in. Ik draaide me heel snel om en keek recht in het gezicht van sneeuwwitje. Ik kon me niet meer bewegen zo bang was ik. Maar sneeuwwitje vroeg met een hele lieve stem ‘ben je verdwaald?’. ‘Ja’ zei ik. ‘Hoe heet
je?’ vroeg sneeuwwitje. Ik dacht in mij zelf na hoe dit kon, was ik nu echt aan het praten met een sprookjesfiguur… ‘Anna’ zei ik, ‘en ben jij sneeuwwitje?’ vroeg ik heel verlegen. ‘Ja ik ben sneeuwwitje’ zei ze lief, ‘kom je mee naar mijn huisje bij de zeven dwergen? Dan kan je wel bij mij slapen voor een nacht’. Ik was zo bang, moest ik dit nu wel doen vroeg ik aan mezelf? Nee nee tuurlijk niet zei ik tegen mezelf! Maar toen bedacht ik dat ik eigenlijk geen andere keus had, want ik had geen idee waar mijn eigen huis was. Dus ik zei ‘oké is goed’. Ik liep rustig achter sneeuwwitje aan op weg naar het huisje van de zeven dwergen. Ik stond nu voor het huisje en keek goed om me heen. Ik bedacht dat het eigenlijk een best klein huisje was. ‘kom maar naar binnen hoor’ zei sneeuwwitje beleefd. Dus ik stapte langzaam naar binnen. Ik kon mijn ogen niet geloven want ik zag allemaal dwergen. Ze waren allemaal wat anders aan het doen, iemand was het bed aan het opmaken de ander was de was aan het doen en nog en ander was aan het koken. Het voelde echt alsof ik in een hele andere wereld stapte. Ik liep verder achter sneeuwwitje aan op weg naar een slaapkamer. Ik liep naar binnen en zag een heel mooi opgemaakt bed en sneeuwwitje zei ‘ga maar lekker slapen, ik zeg wel tegen de dwergen dat ze wat stiller moeten zijn’. Ik ging liggen en sneeuwwitje deed het licht uit. Wauw dacht ik in mezelf dat sommige mensen zo aardig zijn. En ik dacht ook nog heel lang na over de dwergen want het is zo raar om ze in het echt gezien te hebben terwijl je altijd dacht dat ze niet echt bestonden. Maar ik ging uiteindelijk toch maar slapen. Ik werd al vroeg wakker en stapte uit mijn bed. Er kwamen allemaal dwergen aan gelopen met een dienblad vol lekkere dingen zoals: croissantjes, warme broodjes, beschuitjes, een grote cake en ook nog allemaal lekker beleg zoals jam en hagelslag. Sneeuwwitje kwam ook aanlopen ‘Ga maar lekker eten!’, zei ze vriendelijk. Ik ging aan een klein tafel zitten en at van alle dingen die er waren. Ik had nog nooit zo lekker gegeten. Maar toen ik helemaal vol zat stond ik op en ging naar sneeuwwitje. ‘Ik moet weer naar mijn eigen huis. Echt heel erg bedankt dat ik hier mocht blijven slapen en bedankt voor het eten’ zei ik zo vriendelijk mogelijk. ‘Geen dank. En als je je ooit verveelt mag je nog wel een keer langskomen’. Ik bedankte sneeuwwitje nog een keer en liep weg. Alle dwergen kwamen naar buiten om me uit te zwaaien. Ik stapte op mij fiets en fietste naar huis. De wekker gaat, ik schrik wakker en zit rechtop in mijn bed. Heb ik nou alles gedroomd?

New Orleans

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

We zaten in het vliegtuig, 1e klasse, op weg naar de stad waar we altijd al naartoe wilden. Manon, mijn zus, lag te slapen zoals altijd in het vliegtuig. Ze was drie en een half jaar ouder dan ik. Ik was nu 16 jaar, en mocht als cadeau de cast van de tv serie The Originals bezoeken. Nu waren we ongeveer een uur onderweg daar naartoe. Ik keek graag altijd naar tv series op Netflix. The Vampire Diaries, The Originals en Once Upon A Time, waren de leukste series. The Vampire Diaries en The Originals gingen over vampiers, weerwolven, hybrids die zijn half vampier half wolf en heksen. Once Upon A Time ging over sprookjesfiguren die echt leven. Mijn zus keek het ook. Er werd opgeroepen dat we een uur en een kwartier onderweg waren. Mijn zus schrok wakker, en vroeg ‘wat zeiden ze?’ ‘we moeten nog zeven uur en drie kwartier.’ ‘Oké, ik ga even muziek luisteren.’ Manon pakte haar telefoon uit onze handbagage. Voor mijn verjaardag gaan we dus naar New-Orleans, waar The Originals wordt opgenomen. Van Manon heb ik een telefoonhoesje gekregen met foto’s van de hoofdspelers van de serie. Ik was er super blij mee, en had haar doodgeknuffeld. Ik ging ook maar even muziek luisteren. Ik pakte mijn mobiel uit mijn tas en mijn oortjes. Altijd als er in een serie een mooi liedje werd afgespeeld, zocht ik hem op spotify op, en zette ik het liedje in mijn afspeellijst. In een aflevering van The Vampire Diaries hoorde je een zielig liedje toen iemand dood ging. Als ik dat liedje hoor, moet ik meestal best wel huilen omdat dat echt een heel zielig liedje was. Nu stond het liedje: I See Fire van Ed Sheeran op en ik zong zonder te beseffen zachtjes mee. ‘Hé Esmée, in je hoofd graag!’ ‘Sorry.’ antwoordde ik. Engelse liedjes zijn mooi
er dan Nederlandse liedjes, vind ik. Door de series kon ik nu heel goed Engels. Door school ook natuurlijk, maar ik had wel al een voorsprong op de andere. Behalve op Sophie en Lisa, twee vriendinnen van mij. Zij keken ook die series. In The Vampire Diaries speelt een leuke jongen: Damon. Hij is zo cool en grappig, dus hadden we bedacht dat wij met zijn drieën #TeamDamon zijn. Ik vond Klaus ook heel leuk, van The Originals. Hij is echt zo’n badboy, dat vinden Manon en ik juist cool. Ik kon niet wachten om ze te ontmoeten! Er was ook een knap, leuk meisje, Rebekah. Zij was zo’n sarcastisch meisje, een vampier, maar ook heel aardig en zorgzaam. We waren al zeven uur onderweg. Het muziek luisteren werd nu een beetje saai. Ik pakte mijn computer en ging naar YouTube. Thuis keek ik ook altijd naar bloopers of best humor moments. Ik keek een filmpje over Klaus. ‘I’m Klaus. I’m something else, an other kind of monster.’ Ik houd van dat zinnetje. Klaus leeft met zijn familie vampiers
al meer dan duizend jaar. Duizend jaar geleden kwam zijn vader erachter toen Klaus nog jong was, dat hij niet zijn zoon was. De vader, Mickeal, sloeg en schopte Klaus altijd. Toen je dat zag gebeuren, kreeg ik altijd helemaal traanogen. Ik had de serie al vijf keer gezien ofzo, mijn ouders vonden het wel een beetje raar, maar het verhaal is zo mooi en word zo goed gespeeld. Family Tree, dat liedje was nu. Hierbij moet ik altijd huilen. Toen een meisje dat heel belangrijk in de serie was dood ging, maar het goede was dat ze weer terug tot leven kwam! Ik zong in mijn hoofd mee. Iedereen van school zei dat ik heel mooi kon zingen en dat ik mee moest doen aan de Voice Kids, een zing programma. Mij lijkt het gewoon zo eng, als je voor bekende zangers en zangeressen moet zingen. Nog een uur, moesten we vliegen. Ik vond het echt nooit leuk om te vliegen, maar voor dit had ik het over. We waren een half uur geleden al over New-York gevlogen. Ik heb er zo’n zin in! Dit gaat de beste week van mijn leven worden!

Lyme

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

‘Word wakker! Word wakker!’ Riep mijn moeder. Op het begin kon ik me niets meer herinneren. Op een gegeven moment kon me vaag herinneren wat ik gisteren gedaan had. We hadden een feest gevierd, omdat dit weer mijn eerste nacht thuis was na zo’n lange tijd dat ik in het ziekenhuis gelegen had. Ik zal jullie even vertellen waarom. Ik was gebeten door een teek en daardoor kreeg ik de ziekte van Lyme. Gelukkig waren de doctoren er snel genoeg bij waardoor ze er nog iets tegen konden doen. ‘Wakker worden!’ riep mijn moeder weer. Ik deed mijn ogen open en zag dat ze met een dienblad vol met een lekker ontbijt stond en daar lagen natuurlijk ook mijn medicijnen op. Daar was ik helaas nog niet van af. Zo verstreken de dagen. Een keer per week moest ik nog voor controle naar het ziekenhuis waar ik ondertussen wel een bekende wasgeworden. Deze week voelde ik me vreemd, dus gingen we iets eerder naar het ziekenhuis. Je kan wel begrijpen dat elke keer als je daar in die wachtkamer zit dat de spanning om te snijden is. Eindelijk kwam de doctor de uit zijn kamer en nam ons mee naar de gesprekskamer. Daar zei de doctor dit. ‘Ehhh. Ja hoe moet ik dit zeggen. Nou je ziekte is weer terug en we zullen je weer moeten opnemen.’ Er viel een nare stilte. Ik zag aan mijn moeder dat ze aan het huilen was, maar ik zelf had bijna geen gevoelens. Ik weet niet hoe het kwam, maar ik had ze gewoon niet. De enige gedachte die in me opkwam was, hoe kan dit en waarom overkomt mij dit? Mijn moeder nam afscheid van mij en ze zij dat ze later die dag terug kwam met mijn spullen. Ik ging met de doctor mee, die mijn rolstoel vooruit duwde, naar de kinderafdeling. Hij zei dat ik geluk had dat ik dit niet een paar jaar eerder gekregen, want toen hadden ze nog geen goede medicijnen. Ik kreeg dezelfde kamer die ik de vorige keer
had. Dat vond ik wel fijn want dat voelde toch wat meer vertrouwd. Na een paar dagen in het ziekenhuis gelegen hebben mocht ik eindelijk mijn kamer uit en naar de tienerroom. De tienerroom is een soort van huiskamer met allemaal leuke spellen, een tv en nog veel meer van dat soort dingen. Daar ontmoette ik drie hele lieve kinderen en ze heette Romy, Anna en Amber. Het was wel erg fijn zo’n meiden groepje. Je kon echt alles met ze delen. Al snel mocht Anna naar huis, want ze was buiten levensgevaar. Uiteindelijk mochten Amber en Romy ook naar huis. Ook met mij ging het steeds beter. Uiteindelijk konden de doctoren geen ziekte meer vinden en ontsloegen mij uit het ziekenhuis. Het gaat nu erg goed met mij en ik kan weer bijna alles doen. Ps: dit verhaal is niet gebaseerd op eigen ervaringen.

Onderweg naar mijn voetbal droom

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Het was zaterdag ochtend, eindelijk was het dan zo ver: dit was de dag waar ik al zo lang naar uit keek. Vandaag zou ik mee doen aan de selectie training voor het Meidenjeugdteam van Ajax. Ik sprong uit mijn bed en trok snel mijn rood met witte Ajax tenue aan. Mijn vader bracht me naar het trainingsveld, het veld was mooi licht groen met felle witten strepen. Een paar minuten later begon de training. Ik deed echt heel erg mijn best, maar de andere kinderen waren ook erg goed. Dit was echt een droom van mij en dit was de eerst stap er naartoe. Ik was eindelijk onderweg, onderweg naar mijn droom. Ik zag het al helemaal voor me, daar rende ik over het veld richting het goal de stand was 1-1 en in de laatste minuut maakte ik er met een super goal 2-1 van voor ons. Iedereen juichten en ik straalde van geluk. ‘Laura kom je?’, blijkbaar hadden ze me al een paar keer geroepen, want het klonk niet erg vrolijk. Maar ja, geen wonder dat ik het niet had gehoord want ik zat zo lekker in mijn eigen wereldje. We gingen een wedstrijdje spelen tegen het Meidenjeugdteam van AZ. De wedstrijd verliep goed en ik kon goed laten zien wat ik in mij had. Na de wedstrijd vertelde ze dat we een brief thuisgestuurd zouden krijgen over of we uitgekozen waren. Al drie dagen wachten ik op de o zo belangrijke brief, iedere ochtend om zeven uur keek ik of er post voor mij was maar nee. De tijd leek wel uren te duren, dus voor wat afleiding besloot ik even te gaan voetballen in het park. Ik pakte mijn jas en mijn bal en stapte op de fiets. Het was best een tijdje fietsen maar da maakte me niet uit want ik vond het super veel om even lekker buiten te zijn. Ik was er bijna nog een bocht en dan. Krrr.. Boem! Een lange periode zag ik zwart voor mijn ogen en na een tijd die voor mijn gevoel uren leek te duren zag ik weer licht, er stonden allemaal mensen om mij heen. Ik was aangereden door een auto, de auto had mij niet de bocht om zien komen en daarom was het mis gegaan. Ik voelde me zwak en duizelig, toen kwam er een ambulance aan gereden die me mee nam naar het ziekenhuis. Toen we bij het ziekenhuis aangekomen waren stonden mijn ouders daar op me te wachten. Ik werd naar een kleine witte kamer gebracht waar ze me zouden onderzoeken. Ik voelde de pijn in mijn benen dreunen en dacht dat dit het einde van mijn droom zou zijn. Ik zou nooit meer bij Ajax kunnen spelen, maar ik zou überhaupt nooit meer tegen een bal kunnen trappen. Het was drie dagen later, de doctoren hadden onderzocht of ik mijn rechterbeen zou kunnen behouden of dat hij geamputeerd moest worden. Mijn ouders zaten naast me en vol spanning wachten we af. Dit was wat de dokter zei: ‘Uit ons onderzoek is gebleken dat jou been geheel kan herstellen en dat je hem dus kunt houden.’ Mijn ouders en ik waren dol gelukkig en alle drie barsten we in tranen uit van blijdschap. Toen mijn ouders twee dagen later naast me op bed zaten gaven ze me een brief waarin stond dat ik voortaan tot het Meidenjeugdteam zou behoren en de trainingen en de wedstrijden mee mocht spelen. Natuurlijk wist ik wel dat dat voorlopig nog niet kon maar als ik beter was zou ik wel mee kunnen spelen vertelden mijn ouders me. Zo ging ik blij dat ik zou genezen verder op weg naar mijn droom.

Onderweg naar een verhaal

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Daar zat ik dan, in mijn stoel. Met mijn laptop voor me. Ik had word al geopend en pijnigde mijn hersens af om enige inspiratie te vinden om een verhaal te schrijven. Mevrouw Hoevelaken was 23 geworden, dus we hoefden niet te werken. In plaats daarvan werkte de hele klas aan een verhaal voor een schrijfwedstrijd voor kinderen van middelbare scholen. De prijs was een geheel verzorgde reis naar Berlijn voor drie personen. Stel dat ik die zou winnen. Ik ben nog nooit in Berlijn geweest hoewel ik dat altijd al gewild heb. Ik zat al in mijn stoel te dagdromen over alles wat ik zou willen zien. En wie zou ik meenemen? Sowieso een ouder iemand. Mijn vader is ook nog nooit in Berlijn geweest. Mijn
moeder ging er bijna elke vakantie heen toen ze jong was, dus zij heeft alles wel gezien. En dan heb ik ook nog een derde persoon. Dylan? Twan? Luc zou het geweldig vinden. Maar om die reis te winnen moest ik eerst een verhaal winnen. En dan moest ik ook nog die ene persoon zijn die het geluk heeft om uit 200 mensen gekozen te worden. Iedereen was blijkbaar al begonnen. Iedereen was op zijn computer bezig en het enige wat ik hoorde was het geluid van toetsen die ingedrukt worden. En natuurlijk het gegiechel van Emma, Lisa en Anna. Maar iets wat je elke schooldag aan moet horen valt na een tijdje niet meer op. Ik keek op het scherm van Anna. Zij zit naast me. Maar voordat ik één zin kan lezen houdt ze haar hand ervoor en zegt ‘niet kijken!’. Ik kijk naar het scherm van Emma die voor mij zit. Nu besef ik me pas hoe moeilijk het is om inspiratie uit één zin halen. Wat nu het geval is. Daar heb ik ook niks aan. Ik heb geen enkel idee van wat ik nu moet doen. Ik zie andere kinder
en via oortjes en koptelefoons muziek luisteren. Ik kijk in het kleinste vak van mijn schooltas om mijn oortjes eruit te halen. Mijn hand tast blindelings door het vakje , zonder iets te vinden. Ik kijk wat beter en zie dat het vak leeg is. Dat betekend dat ik gisteren vergeten ben mijn oortjes in mijn tas te doen. Dan moet ik maar aan mijn verhaal werken Misschien helpt het als ik eerst bedenk wat voor genre mijn verhaal gaat worden. Spanning, Fantasy? En in welke tijd en plaats. Normaal barst ik van de inspiratie, maar vandaag kan ik op de een of andere manier niets verzinnen. Misschien over een sprookjes figuur. Nee, dat doet iedereen al. Ook al kan ik niks verzinnen, ik wil wel origineel blijven. Misschien moet ik gewoon beginnen met typen en gewoon kijken wat er uit komt. Ik werd wakker en merkte dat meteen. Daar begonnen mijn meeste verhalen mee. Ik haalde het gelijk weer weg. Ik kan gewoon niet verder typen als ik niet weet wat ik moet typen. Ik kijk naar Zohra die linksachter van mij zit en vraag of ik haar verhaal mag lezen. ‘O, prima. Maar ik moet wel doortypen terwijl jij leest’. Het gaat over een meisje dat op een dat allemaal dieren in mensenkleren rond ziet lopen. Het doet mij een beetje denken aan Alice in Wonderland. Vooral als ze door een rozenstruik in een compleet andere wereld valt. Het is wel een mooi verhaal. Ik kijk naar de muur achter mij. Er hangen allemaal gedichten. Ik lees er een paar totdat mijn aandacht word getrokken door Emma. ‘Ik ben klaar!’ roept ze. ‘Wil je het lezen?’ vraagt ze. ‘Tuurlijk’, dan heb ik eindelijk iets te doen. Het is een verhaal over een meisje dat met haar gezin een reis naar Berlijn gaat maken. Ze is alleen ongerust dat het neerstort. Uiteindelijk stort het vliegtuig neer en gaan ze allemaal dood. In de tussentijd is het wat drukker geworden bij het bureau van mevrouw Hoevelaken. Er zijn al veel mensen klaar. Misschien kan ik in de korte tijd die ik nog heb een klein verhaaltje schrijven. Wacht eens even. Ik heb deze les al genoeg gedaan om daar een verhaal uit te krijgen. Ik begin daaraan. Dan begin ik met typen: ‘Daar zat ik dan, in mijn stoel’. Einde

Onderweg

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Een paar weken terug liep ik in de weilanden achter mijn dorp. Ik liep rustig langs de huizen toen ik opeens een eenhoorn zag. Ik dacht dat ik het me in had gebeeld, maar toen ik dichter bij kwam stond de eenhoorn daar toch echt. De eenhoorn zei dat hij zijn thuis niet meer kon vinden, dus besloot ik hem te helpen zijn huis te vinden. De rest van de nacht zou de eenhoorn buiten op me wachten en dan gingen we de dag daarna onderweg naar zijn thuis. De volgende ochtend gingen we op weg. Hij zei dat hij woonde aan de goede kant van het sprookjesbos, gelukkig wist ik waar het was. Alleen de weg er heen zou heel gevaarlijk zijn, maar ik had het beloofd en ik kom altijd mijn beloftes na. Dus we gingen. We moesten eerst langs het trollenwoud, dat is een woud waar mens etende trollen woonde. Maar dat ging niet erg goed, na 100 meter kwamen we een trol tegen die ons wou opeten.
Gelukkig kon de eenhoorn hard rennen en tegelijkertijd mij dragen. De volgende gevaarlijke plek was het huis van de drie biggetjes, waar de boze wolf op bezoek zou komen. In huis was geen plek meer dus de wolf kreeg mij te pakken, maar met één schop van de eenhoorn was ik weer vrij. Daarna moesten we alleen nog maar lang de heksen van de heksenkring. Alleen lukte dat niet. We werden in een kooi gestopt en moesten de heksen vermaken en daarna zouden we worden omgetoverd in twee kikkers. Na een paar uur de heksen vermaken pakten de heksen hun toverstaf en spraken en spreuk uit. Binnen een paar tellen waren ik en de eenhoorn kikkers, maar daardoor konden we wel door de tralies en natuurlijk deden we dat. We sprongen weg naar het huis van de goede fee die ons weer terug toverde naar ons eigen lichaam. We gingen daarna weer verder met onze reis naar de eenhoorn zijn thuis. Na nog drie uur lopen kwamen we aan in het goede deel van het sprookjes bos waar het huis van de eenhoorn was. Ze woonde met nog honderden andere eenhoorns en hun baasjes samen in een koninkrijk gemaakt van diamanten, het was prachtig. Het baasje van de eenhoorn kwam meteen naar ons toe rennen en bedankte mij voor het thuis brengen van de eenhoorn en als dank mocht ik bij hun in het koninkrijk een eigen huis uitkiezen waar ik mocht wonen, dus ik koos het huis naast het huis van de eenhoorn die ik geholpen had. Ik ging de dagen daarna de stad verkennen en ze hadden er echt alles, zwembaden, winkels bioscopen, badhuizen, fabeldieren etc. Ik was zo blij dat ik hier mocht wonen dat ik voor iedereen iets bijzonders kocht en het persoonlijk af ging geven. Ik ging elke dag met de eenhoorns spelen en las alle boeken uit de bibliotheek(zoals ik overal doe) . En ik leefde nog lang en gelukkig.

Onderweg naar een beroemdheid

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ik zat zoals gewoonlijk op mijn fiets naar huis. “eindelijk weer weekend “. Vanavond naar een normale jam sessie zoals gewoonlijk. Ik kwam aan bij mijn deur. Eerst mijn fiets naar beneden, want ik woon in een flat. In een flat zit de schuur meestal een verdieping onder de grond. Mijn sleutels en mijn tas pakken bij de brievenbus en dan naar boven. Ik doe de deur open, ik zeg tegen mijn oma gedag en ga verder Naar de woonkamer. O ja ik woon bij mijn opa en oma. Samen met mijn twee zusjes en broertje. Het is best druk af en toe maar het valt wel mee. Ik heb een naar verleden gehad. Ik ben mishandeld en ben bedreigd en slecht opgevoed. Ik deed niks aan sport en andere dingen. Ik was op alles aan het trommelen en tikken nu ben ik door mijn opa en oma op drum en conga les gezet. Conga is percussie. Ik houd er van om als maar op iets te slaan. Het geeft me een goed gevoel zolang ik maar met muziek bezig ben. Dan voelt het aan alsof ik los ben gemaakt van de wereld. Ik liep verder naar mijn kamer. Ik zette rustig mijn tas neer en ging aan mijn huiswerk. Toen kwam mijn oma binnen. Dylan er is een telefoontje voor je. Wie is het vroeg ik. Ze glimlachte, “hij spreekt Engels en is bekend”. Mijn hart begon als een razende te bonken. Ik pakte de telefoon en vroeg “hello, who are you”. Hij antwoorde: “you now who I am”. Ik keek raar. Als snel zei hij : I ‘m a drummer”. Ik dacht nee dat kan niet. En vroeg: are you Phil Collins. Hij zei: “ Yes I am Phil Collins. Ik was even helemaal weg. Waarom wordt ik gebeld door een bekende drummer En vroeg: why are you looking for me. Zijn antwoord was: “I heard that you can play drums and percussion very good” “and I invite you to my performance in the Heineken musical halls it’s on 27 june . but we practice first tomorrow”. “cool!, very cool! Zei ik. “bye” zei hij “bye” zei ik. Ik rende naar de woonkamer en schreeuwde: “ik ben uitgenodigd door Phil Collins!!!! Ik rende gelijk naar mijn zolder en ging drummen. Nog één week en het is al. De volgende dag ging ik al vroeg naar de Heineken Musical hallen. Ik liep de deur door en ik zag hem. De Phil Collins die mij had uitgenodigd om te spelen. “hello I am dylan” zei ik. “hello I am Phil” zei hij. Ik zag achter hem twee drumstellen staan. Eentje met conga’s (die van mij) en één met veel cymbels en extra toms. We liepen er naar toe. Ik ging erachter zitten. Hij zei “show wath you can”. Ik deed wat hij zei. Een roffel hier en daar, en dan een klap hier en daar. Ik bouwde op en toen kwam het einde. Ik was klaar. “good, very good”. Hij klapte. We gingen nog een flink oefenen. En toen was het 27 juni. Ik werd uit mijn bed geroepen, Ik ging me netjes aan kleden pakte mijn drumstokken en rende naar buiten. We moesten er al vroeg zijn want er waren generale repetities. Ik kwam aan en liep naar binnen. Maar hij was er niet. Ik rende naar een man die daar werkte. Hij zei dat phil ziek was. Ik schrok. Het leek alsof mijn hart stopte met bonken. Hij zei dat ik wel moest drummen. Want anders moeten we het publiek teleur stellen. Die avond: ik had het benauwt de generale repetities gingen geweldig. Alleen ik miste wat, Ik miste phil. Hij hoort mij normaal te steunen in mijn solo. Maar ja ik moest het wel doen. Het was tijd de zaal liep al vol, ik had veel zenuwen. Wel natuurlijke zenuwen natuurlijk, maar ik vond het wel spannend wan ik moet wel optreden zonder de hoofdspeler. Toen werd ik geroepen om naar het podium te gaan. Er werd geklapt, ik ging achter mijn drumstel zitten toen er een man op kwam lopen. Hij zei “ phil is er nog niet en we hebben vandaag een speciale gast bij ons. Een gast die percussie speelt en drumt, hier is dylan!!!!!! Er werd geklapt. Toen werd het stil. Ik begon. Een roffel van zacht steedt harder steeds harder, en toen begon het een hele goede solo alles ging goed. Maar toen, toen kwam het stuk dat phill moest invallen. Ik ging rekken rekken rekken. En toen zag ik. hem hij kwam aanlopen. Nou aanlopen rennen! Hij gaat achter zijn drumstel zitten. En valt op tijd in. Gered! De rest van het optreden ging goed. En bij het einde zei phil: without him it would never have give him a great big applause for dylan . Er kwam een heel groot applaus. Ik was heel trots. Toen iedereen weg was kwam phil naar mij toe. Hij zei: “thank you very much dylan without you failed this whole act. later you will be a great artist”. Ik ging naar huis. de volgende dag deed ik de tv aan. Toen zag ik mij. Ik zag mij op tv. De vrouw zei: “ gisteren was er een groots optreden van phil collins. Alleen hij was ziek er was een speciale gast genaamd dylan, hij heeft het hele optreden gered”. Hier een interview met phil colins: “without dylan I never made it. he was my hero tonight. He will later be a great artist.” “en net zoals phil zei. Hij zal later een groot en beroemd artiest worden.

Ze hadden gelijk

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ze hadden gelijk. Elize was raar. Ze was raar en dik en lelijk, hoe rauw de waarheid ook klonk. Telkens als ze langs een spiegel liep, waagde ze een poging om naar zichzelf te glimlachen. Gewoon, om even naar zichzelf te kijken, en de lieve kuiltjes in haar wangen te zien ontstaan. “Ik ben best leuk, ik ben best schattig…” Dacht ze dan. “Ik ben niet helemaal een ramp” Toch wist de realiteit altijd van de verbeelding te winnen. “Elize ga iets nuttigs doen, Jezus Christus” Haar vader gaf een klap tegen haar achterhoofd. Dat deed hij altijd. Het voelde afschuwelijk. En nu duwde ze en duwde ze, maar haar trappers hadden nog nooit zoveel weerstand geboden. De ijzige wind sneed in haar huid en de wolken vuurden hun tranen steeds harder op haar af. Ze wist niet waar ze heen ging, ze wist niet waar ze naar onderweg was. Ze vroeg zich af hoe dit ooit zo ver had kunnen komen. Het was klein begonnen. Dingen zoals expres ballen naar haar hoofd gooien tijdens gym, of het opendraaien van haar fietsventiel. Dingen waarvan je niet kon bewijzen dat er opzet achter zat. “Als je het negeert gaat het vanzelf weg”, had haar vader gezegd, toen ze voor de zoveelste keer lopend naar huis was gekomen. “Dus stel je niet zo aan, en maak je liever druk over dingen die er toe doen.” Maar het ging niet weg. Het werd erger. Het ging over in het stelen van haar kleding en snijden in haar zadel. Als ze even niet oplette, was ze de pineut. Bevestiging kreeg ze niet, maar toch wist Elize precies wie het meesterbrein was achter alle “ongelukjes”. Ester. Alleen al haar naam was verschrikkelijk. Het klonk scherp en snauwend. Ester. Als het een dagelijks gebruiksvoorwerp was, zou het waarschijnlijk een keukenmes of
knoflookpers zijn. Maar dat was alleen nog haar naam. Een keukenmes kwam niet eens in de buurt van haar persoonlijkheid. Ken je die aflevering van Spongebob, waar hij nog maar één bord heeft om af te wassen voordat hij naar huis mag? Op het bord zit nog maar één vlek. En ook al gebruikt hij ontelbaar veel schoonmaakmiddeltjes, de vlek gaat niet weg. Hij bouwt zelfs een gehele schoonmaak-machinetank, maar de vlek gaat niet weg. Hij doet zo hard zijn best, maar niets helpt. Uiteindelijk stort de hele Krokante Krab in. En dat was Ester. De vlek. Ze kleeft zich aan je leven en laat niet meer los. En dan was het alleen nog een kwestie van tijd voordat alles instortte. De wind was harder gaan waaien, en zette zijn beruchte handen op Elizes schouders. Hij duwde haar, alsof hij wou dat ze omkeerde en maakte dat ze weg kwam. Hij huilde en zeurde en krijste onverstaanbare dingen in haar van kou verstijfde oren. Elize trok het niet meer, en remde zachtjes haar fiets af. “Werd het even te veel voor je, dikke?” riep een jongen die haar voorbij scheurde op zijn blitse scooter. Hij had een meisje achterop, dat Elize niet anders kon omschrijven dan “Een soort meisje dat kickt op bontjassen”. Het meisje stak haar middelvinger op en Elize stak haar tong naar haar uit. “Dikke”, zo noemde ze haar ook op school. En terecht. Ze kon haar vetrolletjes zien dansen als ze rende. Verschrikkelijk, ze haatte het aan zichzelf. En Ester leek dat te kunnen ruiken. “Moet je niet eens naar de plastisch chirurg of zo?” had ze in de gymkleedkamer geroepen, toen Elize haar iets te strakke T-shirt over haar bovenlijf trok. Haar handlangers giechelden, want ja, die had Ester ook. Het was alsof ze speciaal waren ingehuurd om haar hielen te likken. Haar eten had Elize die dag weggegooid. “Dikke” veranderde in “Zwerver” en “Zwerver” veranderde in “Hoer” en “Slet”. Elize probeerde het niet te horen, maar hoe vaker ze het zeiden, hoe meer ze erin begon te geloven.
Zeker omdat ze diep van binnen wist, dat de opmerkingen meer voor haar familie bedoeld waren dan voor haarzelf. En ze trok het niet meer. Ze voelde zich al niet lekker. Ze liep over het schoolplein, haar rugzak onhandig bungelend aan haar rechterschouder. De linkerband was doorgeknipt. Ze hoorde haar al aankomen, ze hoorde al haar handlangers giechelen. Ze wist al wat er ging gebeuren. “Hey zwerver, is je rugzak nu ook al kapot? Goh, wat jammer nou.” Zelfs Esters stem was als een snijdend mes. Elize had zich met een ruk omgedraaid. “Houd nou eens potverdikkeme je bek!” had ze geschreeuwd, haar handen gebald tot vuisten. “Och Elize, durf je nou nog steeds geen echte scheldwoorden te gebruiken? Zielig hoor.” Ester grinnikte, en keek even vluchtig over haar schouder om te checken of haar hielenlikkers wel mee lachten. En op dat moment, knapte er iets in Elize. Ze voelde iets wat ze nog nooit had gevoeld. Nog voordat ze zichzelf kon stoppen sloeg haar hand in Esters gezicht.
De klap galmde nog zachtjes na en er viel een kille stilte. “Pardon?” vroeg Ester uiteindelijk. Haar mond hing wagenwijd open. “Ik ben je zat…” Had Elize gezegd. “Ik ben jou en je streken zat.” Elize gooide haar fiets in het natte gras naast het fietspad. Ze wou niet terugdenken aan wat er was gebeurd. Ze wou dat ze niet had hoeven vluchten, ze wou dat ze van niks afwist en dat ze gewoon naar huis kon. Ze wou dat ze Esters woorden gewoon kon vergeten: “Je weet best waarom het is zoals het is. Je weet best wat voor een man je vader is.” Elize wist wat voor een man haar vader was. Ze wist het al die tijd. Maar ze dwong zichzelf ertoe het niet te geloven. Maar ze hadden gelijk. En nu was ze hier. Alleen. Op een plek waar ze niemand kende, behalve zichzelf. En het was goed. Ze liet het los.

Onderweg naar een betere toekomst

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Mijn leven was prima: elke dag lekker uitslapen, zoveel eten als ik wil, dag en nacht met mijn broertjes spelen en ook nog een moeder die nooit werkt. Mijn moeder is de liefste, mooiste en aardigste vrouw die ik ooit gekend heb. Ze steunt me in alles wat ik doe en dat vind ik nog haar beste eigenschap. Ze is trots op ons gezin, ook al heeft ze vader nooit echt goed gekend. Ik ook niet, mijn broertjes ook niet. Ze zijn niet gescheiden, ze zijn gewoon nooit samen geweest. We hebben er allemaal mee kunnen leven, ook al heb je soms in je leven wel een vader nodig. Soms wil je samen met je vader lekker wild doen, stoeien tot een van jullie niet meer kan van het lachen. Dat mis ik.
Maar op een dag, toen ik half slapend naar mijn moeder lag te staren, pakte een gigantische reus mij op en keek met twee blauwe ogen recht de mijne aan. Ik probeerde te ontsnappen door me zo wild mogelijk te bewegen, maar het lukte niet. Ik probeerde te ontsnappen door in zijn handen te bijten, maar het lukte niet. Ik probeerde te ontsnappen door zo hard mogelijk te roepen in de hoop dat iemand me hoort, maar ook dit lukte niet. Ik werd in een kooi gezet, en ging uit verdriet op de grond liggen. Ik huilde mezelf in slaap.

Ik droom over mijn moeder en over die gigantische reus. Dan komt opeens mijn vader voorbij en lacht naar me. Ik heb nooit meer dan een foto van hem gezien. Ik snap wel waarom mijn moeder voor hem viel. Ik merk dat ik langzaam wakker word, en wacht even voordat ik mijn ogen open doe. Ik hoop dat ook die reus die mij pakte gewoon een deel van mijn droom was. Ik doe mijn ogen open. Ik schrik me dood, de twee ogen staren me weer aan. Dit keer zijn ze bruin, en versierd met zwarte lijntjes rondom haar ogen. “Je hebt gelijk Piet!” zegt de reus, “Het is een schatje!”.
Ik hoor een hard geronk, en mijn kooi begint te bewegen. Niet zo’n beetje, ik vlieg alle kanten op. Ik kan mijn evenwicht niet meer behouden en ik stoot mijn hoofd tegen de muur. Alles wordt zwart.
Wanneer ik wakker word, sta ik op een mooie betegelde vloer. Mijn voeten doen pijn van de kou. Ik loop een stukje en zie een vloerkleed liggen. De reus komt weer: “Hé, Liefie, wil je naar buiten?” Ze doet de deur voor me open en ik loop naar buiten. Raar dat ze me zo naar buiten laat, dit zal wel haar eerste ontvoering zijn. Ik huppel vrolijk verder, als het goed is ben ik vandaag weer bij mama. Opeen hoor ik geritsel. Ik kijk en zie weer een reus verschijnen. Ik probeer zo hard mogelijk weg te rennen, maar dit mislukt. De reus tilt me weer op, dit keer geef ik het op, het heeft geen zin, ik zal nooit ontsnappen. Ik moet me er bij neerleggen, dit wordt mijn nieuwe toekomst. Ik heb het hoogste punt van de tocht bereikt en ik zie muren verschijnen. Zie je wel sukkel, je kan niet ontsnappen. Leg je erbij neer.
De reus doet een band om mijn nek, zeker zodat ik niet meer weg kan lopen. Hij pakt me weer op, maar ik ben te moe om me te verzetten. Vreemd genoeg word ik nu in een doos gestopt. De doos wordt dichtgedaan. Het licht verdwijnt en ik zie de kartonnen muren in de schaduw opgaan. Ik hoor een vreemd geluid en ik duik op de grond, dat was maar goed ook, want precies op dat moment prikt en scherp voorwerp door de deksel. Een fel stipje zie ik nu. Precies op het moment dat ik denk dat ik weer naar boven kan komen, komt het voorwerp weer terug. Zo gaat het door totdat mijn zicht weer redelijk wordt door de sterremhemel die boven mij is ontstaan. Ik zit in een doos. Meer niet. Een vierkante doos.

De volgende ochtend hoor ik gezang. Ik hoor kinderen lachen en een hond blaffen. Een van de reuzen roept: “Nu komt het beste cadeau!” en hij pakt de doos waar ik inzit op. Langzaam gaat de deksel open, ik durf niet te kijken. Ik hoor gegil en ik voel een hand over mijn lichaam glijden. Ik wordt voor de zoveelste keer opgepakt, maar deze keer houdt het kind me vast. Hij houdt me tegen zijn wang en roept: “Wat is ie zacht!”.
Ik word op de stenen vloer gezet en probeer weer het kleed te vinden. Dan zie ik een gigantische zwarte labrador voor me. Ik schrik me dood, maar dan kijk ik goed. Deze hond lijkt verdacht veel op mijn vader. De hond zegt tegen me: “Welkom nieuweling, wat is je naam?”. Ik wil antwoorden, maar op dat moment bedenk ik me dat ik nooit echt een naam gehad heb. “Verzin maar iets!”, zei ik. De labrador begon te lachen. “Ik noem je Toffie, welkom!”.
“Gek hè? Soms lijkt het wel alsof dieren kunnen communiceren. Alsof ze met elkaar praten, en elkaar herkennen. Ik hoop dat ze het goed met elkaar kunnen vinden.” Mijn man antwoordt: “Dat moet wel Roos, dit zijn vader en zoon. Die kunnen spelen tot ze van vermoeidheid neervallen.” Ik lach en pak de blonde puppy op. Ik geef mijn man een zoenvoor het geweldige cadeau.
“Ik weet dat dit nu moeilijk voor je is, Toffie, maar ik denk dat je het hier naar je zin krijgt. Je bent onderweg naar een betere toekomst, dat beloof ik je! Wij zullen je alle liefde, warmte en veiligheid bieden die je verdient.” Ik zet de pup op de grond en hij rent naar zijn vader. Samen vallen ze op het vloerkleed in slaap.
Ze heeft gelijk, ik ben onderweg naar een beter toekomst.

Onderweg met CF

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ik schrik wakker omdat ik bang ben, ik lig nog steeds in het ziekenhuis. Met tranen in mijn ogen wil ik tegen de dokter zeggen dat ik het niet meer wil: elke dag met die pijn en met de zorgen, volhouden is de grote moeite. Slapen en medicijnen slikken: dat is mijn dag indeling. Het is elke dag de tijd in de gaten houden. Morgen moet ik naar de dokter voor een scan, ik ken die scan alleen van mensen die kanker hebben, maar dat heb ik niet. Gelukkig niet. Soms krijg ik te horen “Kim niet dood gaan” en dan denk ik uren na, want het kan niet langer zo. Ik schrijf elke dag in mijn dagboek en elke keer staat hetzelfde:

Mijn vrienden vragen steeds het zelfde: “ga je nou dood?” en het enige wat ik kan antwoorden is dat ik het niet weet, maar wel weet wat ik wil. Vrienden zien mij veel liever op school dan hier in het ziekenhuis. Liever wil ik ook gewoon op school komen, maar dat lukt niet.

De dag breekt aan en ik ga naar de scan. Onderweg kom ik een meisje tegen en ze kijkt heel verdrietig….of dat nou helpt is niet de beste vraag. Als ik aankom kan ik alleen maar denken “Ik wil weg en dat wil ik niet alleen”. Kon ik maar een protest indienen maar dat gaat niet . Terwijl ik in de scan lig, hoor ik een vrouw gillen. Mensen hebben gekeken en haar zoon is ook ziek. Ik kan vanaf dan alleen nog maar aan hem denken. Wonderbaarlijk genoeg kwam ik zonder problemen in mijn kamertje terecht. Hoe moe ik ben, is gelijk te merken, want ik val direct in slaap. Als ik wakker wordt, staat mijn avond eten al bijna voor de deur. De vrouw van de keuken komt naar mij toe en wil mij mijn avond eten geven, maar heb geen trek. Ik heb toch maar wat gegeten.

Midden in de nacht word ik klaar wakker en merk dat er iemand belt. Als ik opneem hoor iemand huilen en zeggen “Ik heb gehoord dat je bijna afscheid neemt” PIEP PIEP opgehangen. “Wat erg” denk ik in mijn hoofd. Ik pak meteen mijn dagboek en schrijf:

Iedereen heeft medelijden met mij, maar ik maak me eerder zorgen om hen….of ze nog wel alleen veder kunnen.

In slaap gevallen met mijn pen en dagboek, droom ik dat ik niet meer terug kom op school. Het zou een droom moeten zijn, maar het is mijn nachtmerrie. De volgende dag kijkt elke zuster heel blij, maar wat is er nou? Na het vragen zeggen ze dat ik tot 15:00 uur moet wachten en dan wordt het bekend gemaakt. Al die uren wachten blijken niet perse te vervelen, wat meestal gebeurd . In kinderstad en op mijn kamer had ik de lol gevonden. “En, ben je er klaar voor?” zei de zuster. Met een groot vraagteken in mijn gedachten zeg ik dat ik het al de hele tijd wilde weten.

Precies om 15:00 komt de dokter binnen en zegt dat ik naar huis mag. Hoe blij ik ben, kan ik niet verworden en ik kan het mij helemaal niet voorstellen. Ik mag naar huis! Mijn koffers pakken en weg wezen. Eenmaal thuis gekomen ben ik verdomd moe, maar voor de rest wel blij. Ik heb al mijn knutselwerkjes uit het ziekenhuis mee naar huis genomen. Moet ik ze in dozen stoppen of een plek geven? Dat komt later wel, want nu ben ik thuis alleen. Na slapeloze nachten ben ik eindelijk THUIS. Die avond slaap ik heerlijk.

Vandaag is eindelijk de dag: terug naar school. Onderweg naar school heb ik wel drie keer in mijn tas gekeken of ik wel alles bij me heb. Het is echt geweldig om te zien hoe blij al mijn vrienden zijn om mij daar te zien. “I love you” zeggen ze allemaal. Ik ben weer terug en dat is geweldig. Nu ik weer gewoon mijn leven kan leiden, heb ik het wel zwaar, maar iedereen helpt mij en daarom red ik het wel. Morgen weer een dag.

Onderweg naar Zuid-Afrika

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Het is donker. Ik zie helemaal niets. Ik weet niet waar ik ben, ik maak me zorgen. Ik lig ergens op. Een bed misschien? Het zou kunnen, maar dit is veel te hard voor een bed. Het lijkt op een oncomfortabel ziekenhuisbed. Een ziekenhuisbed?!? Wat is er gebeurd? Opeens gaat het licht aan. Er staat een man in de deuropening. Ik kan hem niet goed zien. Hij is donker en heeft een witte jas aan. Hij doet me denken aan een chirurg. Hij komt op me af. Hij heeft een kettingzaag in zijn hand. Ik hoorde nog meer voetstappen op de gang. Opeens begint de vreemde man te praten. Ik kan hem niet verstaan. Het lijkt alsof hij Afrikaans praat. Hij doet de zaag aan. Wanneer de zaag mijn buik raakt, schreeuw ik het uit van de pijn en zie ik mijn leven aan me voorbij vliegen. Het lijkt wel een flits, een paar seconden, en toen…

Ik word wakker in het vliegtuig op weg naar mijn opa en oma in Zuid-Afrika. Gelukkig, het was maar een droom. Maar het leek zo echt. Was het wel een droom? Of was het een voorspelling… Ik zit naast een man. Hij komt me bekend voor. Wacht eens even, hij draagt een witte jas. Het is de man uit mijn droom! De zenuwen komen ineens in me opborrelen. Ik begin te zweten en ik krijg het benauwd. De man vraagt of het wel goed gaat. “Heel goed” lieg ik. Ik kijk om me heen. Waar zijn mijn ouders? Die gaan normaal altijd mee naar opa en oma. Ah, daar zijn ze, ze zitten op de stoelen naast me. “Het was allemaal maar een droom”, zeg ik zachtjes tegen mezelf. Ik pak mijn telefoon om me te kalmeren. Ik heb als achtergrond mijn opa en oma. Ze zijn heel aardig. Maar mijn opa lijkt verdacht veel op de man naast mij. Ik kijk naast me. “Hoi Zack, gaat het alweer een beetje?” Nee, nee, dit kan niet! Die stem, dat was de stem in mijn droom! En die andere stem, dat was van mijn oma! Ik moet het me verbeeld hebben! Het móét! Ik denk dat even naar de wc gaan wel zou helpen, dus ik loop richting van de achterkant van het vliegtuig. Opeens komt er een stem uit de luidsprekers. Het is een hoge vrouwenstem. Het enige dat ik kan horen is “kapen” en “iedereen op je stoelen!”. Ik ren zo snel als ik kan terug naar mijn stoel. Mijn opa is er niet meer. Hij is verdwenen, net als sneeuw voor de zon. Ik kijk naar de stoelen naast me, mijn ouders zijn ook weg! Waar is iedereen heen gegaan? Help! Met een mobieltje bellen in het vliegtuig kan natuurlijk niet, maar nood breekt de wet. Ik toets het nummer van mama in en druk op ‘bellen’. Shit! Ze neemt niet op. Ik weet niet meer wat ik moet doen. De lichten in het vliegtuig vallen uit. Het ene moment was iedereen doodstil en kon je een naald horen vallen, het andere moment is het vreselijk onrustig. Nu is het nog moeilijker om mijn ouders terug te vinden! Dan maar wachten tot het vliegtuig ergens geland is. Of neergestort… Plotseling krijg ik een klap tegen mijn hoofd aan. Mijn zicht vervaagt en ik krijg een stekende koppijn. Alles wordt zwart.

Ik voel opeens een sterke pijn in mijn maag. Ik kijk op. Mijn opa zaagt in mijn buik! Het was toch geen droom… Wat gek eigenlijk. Ik voel er nu niks meer van. Maar wacht eens, dat is mijn lichaam! Onder me! Ben ik dood? Ik zie mijn opa iets uit mijn buik halen. Mijn oma staat er naast en stopt het ding in een doos. Het leek op een of andere computerchip. Zijn mijn opa en oma smokkelaars? Ik wil er niet aan denken. Mijn ouders komen binnen. Dat moeten dus die voetstappen zijn geweest! Ik probeer te zuchten van geluk, maar hè, ik kan niet zuchten. Help! Ik kan mijn lichaam niet besturen. Zouden ze dat weten? Ik heb geen tijd om daarover na te denken, want mijn oma geeft de doos aan mijn ouders! Zaten ze ook in het complot? Geeft dan helemaal niemand om mij? Ik moet denken aan het vliegtuig. Zijn zij de kapers? En was die vrouwenstem dan van mijn moeder? Nee, dat kan toch niet?! Die zou ik wel herkend hebben. Maar ze waren zo zenuwachtig voor de vlucht. Ik besef me nu pas dat ik helemaal niet hoef te knipperen. Wat raar! Want ik zit al minstens vijf minuten met mijn ogen open. Oh wacht, er gebeurt iets. Iedereen verlaat de ruimte. Mijn lichaam beweegt nu naar het felle licht boven me. Wat grappig eigenlijk, eerst onderweg naar Zuid-Afrika, nu onderweg naar de hemel…

Aan de andere kant

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

1 stap, 2 stappen, 6 stappen, 18 stappen, 40 stappen… elke keer dat ik mijn voet op de grond zette, telde ik de stap. Het dorp achter me werd steeds kleiner en kleiner, totdat het volledig uit mijn zicht verdween. Ondertussen werd het bos voor me steeds groter en indrukwekkender. Hoe dichterbij ik kwam, hoe nieuwsgieriger ik werd. Het was een rustige zondag. Je hoorde de vogels vrolijk zingen en het zachte geluid van een herfstbriesje. Voor de rest was het stil.

Ik begon te denken. Eerst aan school, maar dat begon al snel te vervelen. Toen dacht ik aan het leven dat ik aan het achterlaten was. Ik leefde in een klein dorpje, wat vreselijk saai was. Je ging naar school, dan naar huis, ging eten, maakte huiswerk en kroop daarna meteen in bed. En de volgende dag deed je het opnieuw.

En opnieuw.

En opnieuw.

En nog een keer opnieuw.

Eigenlijk je hele leven lang. Daar had ik genoeg van, dus besloot ik weg te lopen. Ik was al bijna klaar met de basisschool, en op de middelbare school leerde je vast niks nieuws. Allemaal herhaling. Plotseling knorde mijn maag. Had ik nou maar wat te eten mee genomen. Niet aan gedacht. Ik had gewoon de inhoud van mijn spaarpotje in mijn jaszak gekieperd en wandelde daarna de deur uit. Hoe deden mensen dat in films? Zomaar weglopen van huis? Namen zij allemaal spulletjes mee? Wat dan? Ik had precies 4 euro bij, genoeg voor 6 broodjes en 3 flesjes water. Diep in gedachten verzonken merkte ik niet eens dat ik al in het bos was. Toen ik na een tijdje opkeek, zag ik dat de zon al aan het ondergaan was.

Ik had nog steeds honger. Hield dit bos dan nooit op? Ik wilde zo graag weten wat er aan de andere kant van het bos was. Iedere nacht droomde ik erover. Ik droomde over een grote stad met honderden winkels en vele auto’s en mensen. Ik kon niet wachten tot ik hier uit was. Maar ik was al zo lang onderweg en ik had geen idee hoe lang ik nog moest lopen. Moest ik omdraaien of doorzetten? Ik besloot door te gaan. Helaas was het na nog een uur lopen wel gedaan met de pret. Het was al donker en er kwamen geluiden uit het bos waar je als 12-jarige niet gelukkig van wordt. Geen wonder dat niemand hier ’s avonds heen ging. Wat moest ik nu doen? Hier op de grond slapen? Of toch maar blijven doorlopen?

Plotseling hoorde ik geritsel. Naast me. Ik bleef stokstijf staan en hield mijn adem in. Het geluid hield op. Als dit heel de nacht zou doorgaan, dan draaide ik me liever om terug naar huis te gaan. En dat deed ik. Maar helaas was dat makkelijker gezegd dan gedaan, want waar kwam ik ook alweer vandaan? Het pad was 2 uur geleden al opgehouden, dus liep ik maar naar waar mijn voeten mij heen leidden. Na enkele uren had ik de uitgang gevonden en langzaam kwam mijn geboortedorp weer in zicht. De zon was al aan het opkomen.

Was ik nou maar doorgelopen. Ik ben nu 38 jaar oud en ik zit nog steeds vast in dit dorp. Weglopen kan ik niet, ik heb een man en kinderen waarvoor ik moet zorgen. Ik hou van ze, maar ik droom nog elke nacht van het stadsleven. Na die dag dat ik wilde weglopen, heb ik nooit meer een stap buiten dit dorp gezet. Ik hoop dat mijn kinderen niet hetzelfde zal overkomen. Ga altijd je dromen achterna, want voor je het weet is het te laat.

De zwaaiende man die eenzaam was

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Zoals elke dag fiets ik vandaag weer langs het oude huis, op weg naar school. Ik heb er totaal geen zin in. We hebben wel 3 toetsen! Toch verschijnt er een glimlach op mijn gezicht wanneer een vreemde man naar me zwaait. “Zal ik terugzwaaien?” vroeg ik mezelf af, maar toen ik besloot toch te zwaaien, was ik de man al voorbij gefietst. Zo ging dat elke morgen. Ik denk de weg vanaf het oude huis naar school nog aan de man. Hij was niet knap, niet goed gekleed, niet goed verzorgd in het algemeen, maar toch dacht ik aan hem. Hij zal wel zeventig jaar oud zijn, maar dat neemt niet weg dat het mijn dag tien keer beter maakt als hij ’s morgens naar me zwaait.
Ik schaam me er stiekem wel voor dat ik nog nooit naar de man heb teruggezwaaid en nog nooit een woord met hem heb uitgewisseld. Ik glimlach wel, maar dat is anders. Vandaag was ik van plan terug te zwaaien en misschien wel “Goedemorgen” te zeggen. Maar gek genoeg was dit, in de drie maanden dat hij naar me zwaait, de eerste dag dat hij er niet was. Hij stond niet in de deuropening. Hij had geen boodschappentas in zijn rechterhand. Hij was niet aan het klungelen met de sleutel van de voordeur. Hij was er niet.
Ik heb me die dag heel naar gevoeld. Ik dacht dat de man was verhuisd of misschien wel overleden, hij was namelijk de jongste niet meer. En als de man overleden was, zou ik niet naar zijn begrafenis kunnen. En zijn naam niet in de krant kunnen lezen, want ik wist zijn naam niet. Ik vond het erg jammer dat hij er niet was maar misschien was hij er morgen weer. En gelukkig was dat zo. De volgende morgen zwaaide ik zelfs naar hem. Mijn dag kan niet meer stuk, dacht ik toen ik op school was aangekomen. Zou de man ook eens aan mij denken? Aan het meisje waar hij elke dag naar zwaait, zou hij toch wel denken? Want wat heeft een eenzame man anders te doen? Ik dacht altijd dat hij eenzaam was, een vrouw heb ik namelijk nog nooit bij het huis gezien. Ik had medelijden met hem. Ik wilde een keer met hem praten. En een keer vragen waarom hij er 4 februari niet was. Maar dat zou hij raar vinden, dan kom ik over als een stalker of zoiets. Toch wilde ik een keer met hem praten.
Ik heb er een maand lang al mijn moed voor bij elkaar geraapt. 4 maart was ik extra vroeg van huis vertrokken. Ik zag het huis al in de verte en twijfelde nog even, maar ik moest en zou de man spreken. Ik stopte voor het huis en zoals ik al verwachtte zag ik hem niet. Logisch, want om 08:12 gaat hij de boodschappen pas doen. Elke dag.. Ik zie nu pas in hoe vreemd het eigenlijk is, dat de man elke ochtend boodschappen gaat doen. Dat is ook iets wat ik hem kan vragen. Ik bel aan. Ik hoorde de bel niet maar ik zag een figuur verschijnen door het wazige glas van de voordeur. Hij deed open.
“Wat ben je vroeg” zegt hij. Ik grinnikte en zei: “Weet ik, ik ben Daniëlle”. “Goedemorgen Daniëlle” zei de man. “Ik weet dat het wat ongepast is om te vragen, maar wie bent u? Waar gaat u elke ochtend heen? Weet u wel dat ik het super vind, dat u elke dag zwaait?”. Hij onderbreekt me: “Rustig kindje, ik ben Jacques. Ik vraag me ook het een en het ander af.” “Wat dan, meneer?”. Jacques glimlacht, “Noem me maar gewoon Jacques, ik vroeg me af wat jij van me vindt. Ik ben maar een eenzame en oude man. Jij maakt mijn dagen ook super. Je weet het misschien niet, maar jij was mijn troost, toen mijn vrouw overleed.” Ik dacht aan 4 februari. “Wat leuk om te horen! Ik bedoel.. fijn dat ik uw steun kon zijn.” “Ik mis haar heel erg, ze woonde in het hospice iets verderop. Ik ging er elke dag tijdens het bezoekuur heen.” “Waarom gaat u dan elke morgen weer op pad met uw boodschappentas, als uw vrouw er niet meer is?” “Ik ga nog elke morgen één bloem kopen, haar lievelingsbloem en breng die naar haar graf.” Ik zie dat Jacques emotioneel wordt. “Wat lief van u. Wat was haar lievelingsbloem?” “Een roos, want ze heette Margriet en die naam vond ze stom.” zegt hij met een glimlach. Ik zie aan hem hoeveel herinneringen hij aan haar heeft. Ik vroeg me af of ik ooit zo iemand zou vinden. Iemand waarvan ik zoveel houd als Jacques van Margriet.
Via de groep chat zei een klasgenoot dat we het eerste uur uitval hebben. Ik had nog genoeg tijd om met Jacques te praten. Maar om 08:11 pakt hij zijn boodschappentas. Nog voordat ik kon zeggen dat het voor mij tijd was om te gaan, vroeg Jacques of ik meeging. En natuurlijk stemde ik daar mee in.
Ik mocht toen we bij ‘Chantals bloemenstal’ waren, de mooiste roos uitkiezen die er was. Ik koos voor een roze roos. We gingen daarna samen met de bus naar het graf. Ik stopte de roos in de grote vaas met miljoenen rozen, ze waren er in alle kleuren en maten. Ik stond naast Jacques en voelde me verdrietig. Ik had medelijden met hem, hij was de liefde van zijn leven verloren. Ik keek naar hem. Tot mijn verbazing straalde hij. Ik had hem nog nooit zo gelukkig gezien. Ik durfde hem niet te vragen waarom. Toch zag hij het aan mijn gezicht en zei uit zichzelf: “Dit komt door jou.”

Antwoord op een vraag die ik niet zocht

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ik liep de trap op, toen plots mijn mobiel afging. Het was Maria, ze klonk vanstreek: ” Waarom stond je onder de viaduct te roken? Wat heeft dit in vredesnaam te betekenen? Je kunt dit niet zomaar doen, en dat weet je donders goed! ” Geloof me Maria is echt een schatje, maar ze maakt altijd van het kleinste dingen zo’n groot probleem.

Mijn mond viel open van verbazing: “Maria chill, je hebt het je zeker verbeeld. Ik was net nog op school, degene die je net zag was ik niet. Het is niet zo dat er twee van mij zijn.”

“En kun je dat bewijzen? Je had toch geld nodig voor dat nieuwe mobieltje?”

“Ja dag hoor, Maria ik heb hier geen tijd voor ik moet nog een verslag inleveren over het paringsritueel van een Mexicaanse kever.”

Ik hang snel op voor ze nog andere vragen kan stellen. De rest van de middag denk ik aan wat mijn beste vriendin zei. Ze kan soms wel hysterisch doen, maar liegen doet ze niet. Wat nou als iedereen mij er echt van verdenkt?

“Wat hoor ik nou Sophie? De politie kwam vanmorgen aan de deur en zei dat getuigen jou een oma zien hadden beroven. Ik schrok me dood.” Zo woedend had ik mijn stiefmoeder nog nooit gehoord. Waar slaat dit op. Eerst beschuldigt Maria me van dingen die ik niet heb gedaan en nu mijn stiefmoeder.

“Mam, ik heb niks gedaan, geloof me nou maar.”

“Nee, zo makkelijk kom je er niet vanaf jongedame, Ze lieten mij camerabeelden zien, en het was duidelijk dat jij het was, zonder enige twijfel.”

Ongelofelijk dat zelfs mijn moeder me niet gelooft.

De dag erna ga ik na school stiekem naar het dichtsbijzijnde parkje om te picknicken net als in de brugklas. Naast het meer, waar alle eenden rond zwemmen.

Niemand praat tegen me op school, alsof ik de ergste misdaad van de eeuw heb gepleegd. Waarom zouden ze me negeren terwijl ik het niet was? Vraag ik mezelf af terwijl ik een boterham in m’n mond prop. Man, die roddels verspreiden zich snel, ze weten niet eens zeker of ik het was, beelden zeggen niks.

Terwijl ik naar de andere kant van het meer loop, waar elke zaterdag de markt staat, kijk ik rond. De lucht wordt grijs, het duurt niet lang voor het gaat regenen.

Mijn gedachtes dwalen af. Ik voel opeens een tas in mijn gezicht, en valt op de grond. Ik hoor een knal alsof er glas in de tas zat.

” Oh, pardon.” zeg ik en loop snel door. Een man kijkt boos aan.

Ik loop van het plein af. Er staat een menigte om een rood lint heen. In de verte hoor ik politiesirenes. Ik loop er langzaam naartoe, een eigenaardig gevoel bekruipt me. Midden in de menigte staat een totelosse auto. Er komt rook uit de motorkap. De raam met een grote barst, en de kap besmeurd met bloed dat naar beneden sijpelt. Ik zie een lichaam dat wordt ingeladen door de hulpverleners. Haar gezicht bedekt met schammen en bloed. Het leek wel of ik haar eerder had gezien. Ik loop met een vreemd gevoel in mijn maag snel naar huis. Er klopt iets niet.

Ik hang mijn jas op en hoor mijn vader praten. Hij klinkt bezorgd.

“ Hoe bedoel je weggerend voor de politie? Wat? Nee dat kan niet.”De rest kan ik niet horen. Volgens mij hangt hij op, en voorzichtig loop ik de kamer in.

“Waar bleef je nou? Je was allang uit.”vraagt mijn vader. Ik zie zijn opgezwollen ogen.

‘Ik…uhm… Pap je raad nooit wat ik net heb gezien.” zeg ik snel hopend dat hij niet boos wordt.

“Ik weet ervan.”

“Wat weet je? Wie was dat aan de telefoon?“

“Dat was je moeder.”

Ik hoor een diepe zucht: ”Sophie luister, ik had je dit veel eerder moeten vertellen.” Even stop hij met praten. Ik zie dat hij moeite heeft om de juiste woorden te vinden. Ik kijk hem vol spanning aan. Zo nerveus heb ik hem nog nooit gezien.

”Okay luister lang geleden toen ik nog samen was met jouw echte moeder kregen we ruzie. We hadden allebei een andere kijk op het leven, en dat zorgde soms voor fikse ruzies. We besloten om uitelkaar te gaan. Ik nam jou mee en jouw moeder nam jouw zus mee. Jouw moeder ging het slechte pad op, omdat ze mij niet meer had. Net als jouw zus. We bestolen om niks te vertellen tot jullie er klaar voor waren. Begrijp me niet verkeerd maar dit leek het beste voor jullie allebei.”

“Maar wat heeft dit te maken met die diefstal,”zeg ik verwarrd, ik kan nauwelijks opvatten ik net hoor.

“Het was niet zomaar een zus, het was je tweelingzus.”

Het lot

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

7:00 broodjes bij de bakker halen

7:10 naar station fietsen

7:30 trein naar Eindhoven halen

8:20 aankomst in Eindhoven en naar de universiteit

Ja, ik reis elke dag met de trein naar mijn uni, alleen heb ik een klein probleempje… ik ben namelijk een echte pechvogel op het gebied van treinreizen. Er gebeuren de ergste ongelukken bij mij. Het lijkt alsof het lot ooit door een catalogus van mensen zat bladeren en mij aanwees om mij al het ongeluk uit de geschiedenis van reizen te geven.

Je denkt nu waarschijnlijk dat ik overdrijf, maar laat ik je eens een paar voorbeelden geven.

Ik stond laatst op het perron op mijn trein te wachten. Het was een koude december ochtend en ik had een beker te dure koffie in mijn hand. Net toen ik een slok wilde nemen, botste iemand tegen me en morste ik bijna mijn koffie. Ik keek naar beneden en zag een meisje op de grond zitten met een verontwaardigde blik. Ze was waarschijnlijk even oud als ik, maar ik kon haar leeftijd niet zo goed inschatten door al haar make-up. “Waarom ving je me niet op? Ik ‘bots’ niet zomaar tegen elke jongen op. Ik bedoel HALLO knap meisje hiero ” Vroeg ze me terwijl ze pissig op haar kauwgom kauwde en wiebelend overeind krabbelde op haar torenhoge hakken. Ze aaide haar bontkraagje alsof het haar belangrijkste bezit was en keek me met een opgetrokken wenkbrauw aan. “Zucht, oké. Mijn naam is…” probeerde ze te vertellen terwijl ze me met een kuch ‘verleidelijke’ blik aankeek. Ik rolde mijn ogen en had geen zin meer om naar haar te luisteren. Ik trok een wenkbrauw op en keerde me weer naar het perron, terwijl ik rustig een slok van mijn koffie nam. Ze gaf een kreet van frustratie en sloeg de koffie uit mijn hand. Recht op het spoor, net voordat de trein aankwam. Zucht, daar ging mijn overpriced koffie.

Dit is nog het minst erge wat me ooit was overkomen. Het was jammer van de koffie, want desondanks de prijs was hij eigenlijk best lekker. Maar goed, laten we eens naar een wat erger verhaal gaan…

Ik zat eens op de terugreis naar huis. Ik was dood moe, het was de laatste dag van mijn tentamens technische wetenschappen en ik had laat doorgestudeerd. Ik weet dat dat slecht is en dat slaap belangrijk is, maar wees eerlijk iedereen heeft dat wel eens gedaan. Ik zat rustig in mijn stoel met mijn oortjes in en sloot mijn ogen. Toen ik wakker werd, keek ik naar buiten. De trein stond stil bij een perron, waarschijnlijk om mensen te laten overstappen. Ik gaapte en net toen ik mijn ogen weer dicht wilde doen zag ik de naam van het station. STATION AMSTERDAM. NEE! Dit meen je toch niet! Ik had mijn stop gemist. Ik had moeten uitstappen bij Utrecht. NEE, de reis terug van Amsterdam naar Utrecht zou een half uur duren en ik moest nog een trein zien te vinden. Het zou nog wel even duren voordat ik in mijn warme bed lag…

Waarschijnlijk was dit niet het ergste geval dat ik ooit had meegemaakt en zal meemaken. Je vraagt je misschien af waarom ik niet gewoon in een studentenhuis ga wonen net als alle andere normale mensen zouden doen als reizen voor mij zo erg is. Dat is vanwege een reden.

Als ik niet elke dag met de trein zou gaan, zou ik haar niet elke dag zou zien. Haar, met haar fel rode lokken die over haar rug vallen als een waterval. Die heen een weer zwaaien bij elke stap die ze zet.

Dan zou ik niet elke dag haar betoverende ogen zien, die zo groen zijn dat ik er elke keer naar blijf staren. Ik zou dan niet elke dag tegenover haar zitten in de trein en haar prachtige porseleinen gezichtje kunnen bewonderen, haar lach niet kunnen horen, die alles om me heen laat stoppen en haar glimlach niet zien die mijn hart sneller laat kloppen. Zij is de reden waarom ik moeite doe en elke dag op en neer reis.

Ja, het lot heeft me waarschijnlijk al het ongeluk ooit op het gebied van reizen gegeven, maar desondanks dat geniet ik ervan. Ik hoor de meest bizarre verhalen van de mensen om me heen, of het nou verhalen zijn van studenten die naar huis gaan of van ouderen die bij hun kinderen op bezoek gaan, het blijft me amuseren. Ik ontmoet mensen, die ik nooit had opgemerkt en waarvan ik niet eens zou weten dat die mijn leven zo zouden beïnvloeden.

Ik zou reizen met de trein nooit opgeven. Ik mis de trein, er zijn vertragingen, de deuren sluiten net voor mijn neus, ik mis mijn halte of de trein komt niet eens opdagen, maar ik maak onderweg de mooiste, grappigste en meest wijze dingen mee en hoe cliché en meisjesachtig het ook klinkt, die ervaringen hebben me wel geholpen de persoon te worden wie ik nu ben. Onderschat een simpele reis nooit. Je bent misschien wel even onderweg, maar tijdens die korte reis onderweg heeft het lot genoeg tijd om van alles te laten gebeuren.

Onderweg naar de vrede

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Waar gaan we naartoe? Vanochtend had mijn moeder zonder iets te zeggen onze spullen ingepakt. Op de vraag wat we gingen doen en waar we naartoe gingen had ze iets vaags gezegd als:
“Dat zal je wel zien als we er zijn.” Daarna had ze de spullen naar de auto gedragen en moest ik instappen. We zitten nu al acht uur in de auto en ze heeft nog steeds niets gezegd. Elke keer als ik haar vraag waar we heen gaan schudt ze haar hoofd. Het heeft geen zin nog iets te vragen, dat heb ik al lang door. Opeens gaan we langzamer rijden.
“Zijn we er?” vraag ik voorzichtig. Als antwoord geeft ze een ruk aan het stuur en we staan stil naast de weg.
“Ja we zijn er.” zegt mijn moeder.
“En waar zijn we?”
“Op onze overnachtingsplaats.” zegt mijn moeder kordaat.
“Op onze overnachtingsplaats?” vraag ik verbaasd, kijkend naar de bosjes naast de weg. “Gaan we morgen dan weer verder?”
“Ja, meisje.” zegt ze.
“Maar waar gaan we dan heen?” vraag ik voor de zoveelste keer.
“Dat zal je wel zien.” zegt mijn moeder.
En daar blijft het bij. We zetten de tent op en leggen onze slaapzakken erin. Mijn moeder pakt een blikje eten uit de auto en geeft er ook een aan mij, bruine bonen uit blik, jakkes. Ik kijk haar ongelovig aan, maar zij begint gewoon te eten.
“Mam! Dit is hartstikke goor.” zeg ik verwijtend tegen haar. Ze kijkt me aan en zegt alleen:
“Iets anders krijg je niet.” Waarna ze doorgaat met eten. Met tegenzin eet ik mijn portie op. Kokhalzend na elke hap. Wat een smerige drab. ‘s Avonds in de tent op een hard matje kan ik niet slapen, telkens vraag ik me af waar we eigenlijk heen gaan. Het is een nachtmerrie niet te weten wat de volgende dag in zal houden. Het enige wat ik zeker weet is dat we weer verder gaan rijden. Maar waar we ’s Avonds aan zullen komen, dat weet ik niet. Misschien wel weer in een tentje langs de weg. Hopelijk niet, hopelijk zijn we dan weer in de bewoonde wereld in een hotel, of gewoon thuis. Als ik net slaap komt mijn moeder me wakker maken:
“Opstaan we hebben weer een lange weg voor de boeg.”
Ik waag het niet meer te vragen waar we dit keer heen gaan. Ik krijg toch geen antwoord. Als ontbijt eten we nog een blikje, dit keer met tomatenprut. Niet te vreten. Als het zo nog even doorgaat ga ik dood van de honger. Onderweg komen we langs bossen en rivieren, maar ook soms langs dorpjes en een keer langs een grote stad. Maar als ik vraag of we even wat kunnen gaan eten, zegt mijn moeder dat ik vanochtend al gegeten heb. Ja, hallo, dat is al weer vier uur geleden. En ik weet nog steeds niet waar we heen gaan. Naar het einde van de wereld? Ik weet het niet meer hoor, wat moet ik doen? Wat moet je doen als je niet weet wat er aan de hand is en de enige persoon die je dat kan vertellen niet meer zegt dan: “Dat zal je wel zien.”? En wat als die persoon toevallig je moeder is? Anders zou je nog kunnen zeggen dat je ontvoerd wordt. Nu is dat een beetje raar. Het is allemaal zo bizar. Eigenlijk moet ik morgen weer naar school. Het weekend is bijna voorbij. Ik vraag me af of mijn moeder dat bedacht heeft.
“Mam?”
“Ja?”
“Ik moet morgen weer naar school.”
“Ja.” Dat is haar enige antwoord. “Ja.”
“Zijn we wel op tijd thuis?”
“Nee.”
“Hoe lang gaat dit nog duren?”
“Dat merk je wel.”
“Nou mam, ze zullen zich op school afvragen waar ik ben.”
“Dat weet ik.”
Ik begin een beetje gefrustreerd te raken.
“Maar waar ben ik dan?” zeg ik een tikje geïrriteerd.
Mijn moeder zucht: “Wanneer hou je eens op met al die vragen?”
“Als ik weet waar we zijn en waar we naartoe gaan en waarom.”
Ze zucht weer. “Tja, misschien moet ik het dan maar vertellen, hè.”
“Ja! Dat is een goed idee.” antwoord ik enthousiast.
Mijn moeder schraapt haar keel: “Ik weet eigenlijk niet waar we heen gaan.”
Oké, ik had alles verwacht behalve dit. “Je weet het niet?” Zeg ik verwonderd.
“Nee. Ik weet het niet.”
“Hoezo weet je het niet?” zeg ik nieuwsgierig.
“Ik… Je… Je weet dat ik ruzie had de dag voor we vertrokken.”
“Ja. Maar wat heeft dat er mee te maken?” Ik wist inderdaad dat ze ruzie had met de buurman voor we vertrokken.
“Ik had zo erge ruzie dat ik besloot weg te gaan.”
“Zomaar? Zonder te weten waarheen?” Ik ben helemaal verbijsterd. Ik zie mijn moeder altijd als een wijze en verstandige vrouw, maar dit slaat alles.
Mijn moeder zucht diep en kijkt me aan: “Ja.”
“Hoelang blijven we nog doorgaan?”
“Tot ik me over die ruzie heen gezet heb.”
“Dan kan je beter nu terug gaan en het goed maken.”
“Ik weet het.” Ze lacht naar me. “Maar dat durf ik niet.”
“Keer om, mama. Maar voor we terug naar huis gaan nemen we een fatsoenlijke maaltijd.”
Ze lacht: “Ja, die blikjes waren wat overdreven.” Ook ik lach nu weer. Gelukkig, mijn moeder doet weer normaal. Want wegrennen voor ruzies die niet opgelost zijn, dat doe je niet.

Run away

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Een van de redenen dat ik besloten heb vegetariër te worden, afgezien van het feit dat ik niet tegen dierenleed kan, is omdat wij mensen meer op dieren lijken dan we weten. Ik hoor je nu denken: zoveel overeenkomst voel ik toch eigenlijk niet voor mijn broodje hamburger. Of voor zo’n klein zwart-geel gestreept, onschuldig lijkend beestje, met een iets minder onschuldige angel, die zich in je zojuist genoemde broodje hamburger had verstopt en besloot dat hij het wel een goed idee vond om je tong vroegtijdig te doorboren, lang voordat je de legale leeftijd had om überhaupt te beslissen of je wel of geen tongpiercing wilde.
Ik moet toegeven dat we op zo’n soort organismen in eerste instantie niet lijken, bovendien zou het eigenlijk kannibalisme worden als we wél op dat broodje hamburger met bijbehorende wesp zouden lijken (“Goh, buurman, ik had u al lang niet meer gezien zeg…”).
Nee, de reden dat ik sympathie voel voor alle niet-mensen in deze wereld is vanwege één kleine, biologische overeenkomstigheid. En dat is onze vluchtreactie. Een mechanisme dat onze duizenden jaren van evolutie heeft overleefd en een van de weinige momenten dat moeder natuur nog enige invloed op ons heeft.
Het is dan ook een reactie die niet zomaar opkomt. Je moet echt onder zeer hoge stress staan. Zo hoog, dat je lichaam adrenaline gaat produceren, dat met grote kracht door je aderen wordt gepompt. Je bloeddruk stijgt, je hartslag gaat omhoog en je spieren spannen zich aan. Elk haartje op je lichaam komt rechtovereind te staan, zodat het kippenvel zich verspreidt tot je grote teen. Dan pas is je lichaam er klaar voor, klaar om te vluchten, weg te rennen, voor wat soort levensbedreigend gevaar dan ook.
Waarom ik je dit allemaal vertel? Omdat ik op de vlucht ben, nu, op dit moment. Ik moet wel toegeven dat het ondanks ons dierlijk instinct, toch ietwat moeizaam verloopt. Mijn benen voelen als lood als ik ze in een poging tot rennen zo snel mogelijk vooruit beweeg. Het rennen wordt dan ook bemoeilijkt door de grote hoeveelheid wit kant dat om mijn benen golft. Ik probeer de stof omhoog te trekken zodat ik er niet steeds op ga staan, maar daardoor schiet een mouw van mijn schouder en word ik gedwongen het maar te laten hangen.
Ik probeer me te focussen op de weg die voor me ligt, een kaarsrechte laan met witte rozen langs weerszijden van het pad. Terwijl ik de rozen tel om mezelf af te leiden, vraag ik me af hoelang ze er al staan en waarom ze nog zo mooi in bloei zijn, terwijl de schrijnende zon er al de hele dag fel op schijnt. Een grote fout, neem dat maar van mij aan. Door mijn gemijmer let ik niet goed op en ik struikel. Zwart.
‘Schat, gaat alles wel goed? Wat doe je hier op de grond?’ Een warme hand glijdt onder mijn rug en twee sterke armen trekken me omhoog.
Ik open mijn ogen. ‘Hamburger,’ is het enige wat ik uit kan brengen.
Hij schiet in de lach. ‘Mijn meisje toch, je bent al vijftien jaar vegetariër! Maar vooruit, als jij zin hebt in een hamburger, dan halen we straks hamburgers, zoveel als je wilt.’
Ik kijk omhoog. Twee helderblauwe ogen met lachrimpeltjes kijken op me neer. Langzaam ontspannen mijn spieren zich, mijn hartslag neemt weer een normaal tempo aan en de onrust stroomt weg uit mijn lijf. Ik krabbel overeind en strijk het witte kant van mijn jurk glad.
Dan sta ik op en laat me begeleiden naar de deur, die met een groots gebaar wordt opengezwaaid. Een recht pad met witte rozen strekt zich voor me uit.
Hij kijkt me ernstig aan. ‘Als je om wil draaien, draai ik met je mee om, dat weet je.’
Ik glimlach. Op dat moment voel ik iets kriebelen op mijn hand. Een klein, zacht, zwart-geel gestreept beestje.
‘Niet nodig, papa.’
Ik kan altijd nog vluchten.

DE WEG DOOR HET NIETS

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ik loop wat rond weet niet waar ik ben.
Ik blijf maar lopen.
Maar ik kan niks vinden geen lucht, geen omgeving en zelfs geen grond.
Er gebeurt iets met me ik voel me zo raar.
Ik kan niks meer.
Niet lopen, niet slapen, niet gapen, niet lachen of praten en zelfs niet ademen op deze weg door het niets.
Ik vraag mezelf: “Waar ben ik beland? Wat heb ik gedaan dat ik hier ben gekomen?”
Ik denk bij mezelf wat is er gister gebeurt? Nou ja gister.
Ik probeer te lachen maar dat kan niet.
Want ik heb hier geen besef van tijd ik heb geen idee hoe lang het is.
Het kan al een jaar geleden zijn maar ook pas een dag of een week het kan ook een maand geweest zijn of er zou hier helemaal geen tijd kunnen zijn.
Ik heb honger bedenk ik me maar ook weer niet want ik kan niks ook niet voelen alleen nog maar denken.
Dan bedenk ik me wat ik bijna vergeten was ik probeerde te bedenken hoe ik hier kwam.
Ik dacht terug aan wat er toen was gebeurt we hadden een feest maar ook een gevecht.
We hadden het over de reis na de dood.
We kregen ruzie over het einde.
Ik dacht dat het leegte was hij dacht dat er een reis door de hemel en hel was ik geloofde hem niet.
We gingen vechten en er kwam vuur ik werd verstikt ik verloor mijn bewustzijn.
Nu denk ik bij mijzelf: ”Ik ben zeker dood.”
Maar dan zie ik een licht en bezorgde gezichten in ging zomaar op weg op weg door het niets ik kwam in een gang met muren en een grond ik liep door kon niks anders ik herkende de gezichten het was mijn familie ze keken naar mij ik zag ook een zaal een zaal vol apparaten het leek wel een ziekenhuis toen deed ik mijn ogen open en iedereen was opgelucht mijn moeder zij: “Hij word wakker na al die maanden is hij eindelijk wakker uit de weg door het niets!”

Het meisje met de rode haar.

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ze had rood haar, net als ik. Ze was ongeveer rond de achttien, net als ik. Ik had het gevoel dat ik haar kende, maar wist niet precies waarvan, misschien schoot het me later nog te binnen. Ze droeg, al was het winter, een zomerjurkje met een madeliefjes patroon. Ze was net ingestapt en tegenover mij gaan zitten in de trein. Het meisje bleef maar friemelen aan haar ketting en staarde naar haar voeten. Ze zag er de hele tijd aan alsof ze moed aan het verzamelen was iets te zeggen, alsof ze van de zenuwen elk moment kon gaan overgeven.
‘Gaat alles goed?’ vroeg ik. Ze keek op met verschrikte, grote ogen.
‘Wat?’ zei ze zacht.
‘Je lijkt me zo nerveus, gaat alles goed.’
‘Prima,’ stamelde ze. Ze beet haar lip en keek me aan, je kon zien dat ze twijfelde of ze mij nou wel of kon vertrouwen, ‘ik, ik ga gewoon op bezoek bij mijn moeder. Ik heb er al in geen jaren meer gezien. Dat is alles.’
‘Oké, wat de reden ook is dat je elkaar al lang niet heb gezien, het verloopt vast prima.’
Toen, ik dat zei, begon ze te glimlachen en haar hele lichaamshouding veranderde. Het was een paar minuten stil.
‘Waar ga je heen.’ zei ze ineens uit het niets. ‘O sorry, sorry, het gaat me niets aan, ik wil niet onbeleefd zijn.’
‘Het is geen geheim hoor, je mag het best vragen. Ik stap uit bij het station Dordrecht en neem dan de bus naar het ziekenhuis.’
‘O, ziekenhuis? Is er iemand ziek? Ga je op bezoek bij een familielid?’
Ik twijfel of ik het haar vertel of niet. Ik ben er namelijk niet echt trots op dat ik op zeventienjarige leeftijd een moeder werd, maar ik was te laat ben voor abortus en ik had de mogelijkheid om mijn mbo-opleiding en haar te combineren en een geweldige vriend, dus ik ben erg blij met haar. Ze kijkt me aan met haar grote puppyogen en iets zegt me dat ze me niet zou veroordelen.
‘Eh, ja. Mijn dochtertje ligt daar in het ziekenhuis. Niets ernstigs als je het wil weten hoor.’
‘Je hebt een dochter. Hoe heet ze?’ vroeg het meisje, ze zag er niet verbaast of veroordelend zoals de meeste mensen wanneer ik vertelde dat ze zaten te praten tegen een tienermoeder. Ze zag er meer uit alsof ik haar precies vertelde wat ze wilde horen.
‘Ja, ik… ik heb een dochter. Ze is een schatje. Haar naam is Daisy. ’
Ze begon te glimlachen als een gek en de hele nervositeit van eerder was verdwenen.
‘Je bent vast een geweldige moeder. Lees je Daisy wel eens voor. Ik denk dat ze de ‘”Princesses met de lange haren” geweldig zou vinden. Ze vind het vast ook fijn als je Dikkie Dik, Nijntje en Rups nooit genoeg zou voorlezen. En Jip en Janneke vond ik ook geweldig,’ in een seconde zag ze er heel onzeker uit alsof ze zichzelf verraden, maar toen herstelde ze zich weer,‘ dus ik denk dat jouw meisje dat ook wel eens leuk zouden vinden ’
‘Zal ik doen. Dank je voor het advies.’
‘Weet je, ze hebben hele lekkere koeken bij het stadion, misschien moet je de tijd nemen om er een te proberen.’
‘Sorry, bus en trein sluiten heel nou aan. Ik heb er geen tijd voor. Ik heb maar zo’n vier minuten overstaptijd.’
De trein stopt, ik pak mijn tas en ga de trein uit. Net als ik naar mijn bus lopen, pakt het meisje mijn arm.
‘Je kunt toch ook een andere bus nemen, ik bedoel dat is vast niet de enigste bus die langs het ziekenhuis rijdt.’
‘Nou, ik wil gewoon zo snel mogelijk Daisy zien, ik heb echt geen tijd voor koeken.’
‘Wat maakt een paar minuten nou uit. Ze hebben ook een Febo en AH-on-the-go, ik zou echt even tijd nemen om iets te eten. Het is al bijna etenstijd.’
‘Ik eet dan wel wat in het ziekenhuis. No big deal. Maar ik nu moet nu echt gaan, anders mis ik hem nog echt.’
‘Goed! Ik bedoel eten in het ziekenhuis is smerig. Het is spitsuur, het vast slimmer om even te wachten. Andere bussen zijn goedkoper dan 388.’
‘Wacht eens even, ik heb je nooit vertelt dat ik bus 388 neem. Dit wordt creepy en ik moet nu echt gaan.’
Toen verloor het meisje het en begon te huilen.
‘ALSJEBLIEFT, NEEM NIET BUS 388! GELOOF ME, JE KRIJGT ER SPIJT VAN!’ schreeuwde ze uit en een paar mensen keken naar ons. Ze had me ook al bij mijn arm gegrepen. Op dat moment realiseerde ik dat dit meisje gestoord was.
‘Nou, nog veel succes met je moeder, ik moet nu gaan.’
Ik trok me los uit haar greep en begon te rennen al een gek.
‘NEE, WACHT, IK KAN HET UITLEGGEN!’ hoorde ik haar nog schreeuwen.
Ik zag vanuit in de verte dat 388 er al stond en rende nog harder, alleen om hem net voor mijn neus te zien wegrijden. Ik vloekte. Als die gek me niet had tegengehouden onderweg naar het ziekenhuis, nu moet ik nog een kwartier wachten tot de volgende, dacht in mezelf.
Later die avond hoorde ik het nieuws, bus 388 was in een groot ongeluk gekomen, met één dode en meerdere gewonden. ‘Jij moest toch die bus nemen, wat een geluk dat je hem heb gemist,’zei mijn vriend nog tegen me.
‘Ja, wat een geluk,’ had ik afwezig geantwoord. Het meisje had misschien wel een mijn leven gered. Toen ik Daisy in mijn armen had wist ik weer waar ik het meisje van kende. Daisy had rood haar, net als ik.

Een wereld vol vrienden

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Elke ochtend ga ik met de tram naar school. In de tram gebeuren soms vreemde dingen. Ten minste, ik vind sommige dingen vreemd. Een paar weken geleden gebeurde er iets vreemds.

Een bejaarde vrouw met een wandelstok stapte de drukke tram binnen en zij zocht naar een plek om te zitten. Ik keek om me heen. Alle mensen zaten met hun hoofd omlaag naar hun telefoon te kijken en te lachen naar hun sms’jes en mailtjes. Niemand keek naar de oude vrouw. Niemand lachte naar de oude vrouw. Niemand stond op voor de oude vrouw.

Ik stond op en liep naar haar toe. “Mevrouw, daar is een plekje voor u vrij.” zei ik terwijl ik naar mijn oude plek wees. “Dank je wel, jongen.” zei de oude vrouw zachtjes terug, maar toen ik samen met haar naar de zitplaats terugliep, schrokken we allebei.

Mijn oude plek was ineens heel snel bezet door een andere jongen die zomaar gemene dingen begon te schreeuwen. “Wat kijk je? Valt er soms iets te zien? Sta niet zo in mijn weg! Ik moet er over een paar haltes uit.”, riep hij naar mij en de oude vrouw. Ik was even stil. Ik wist niet zo goed wat ik moest doen. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Als mijn vrienden bij me waren geweest, zouden ze me vast hebben geholpen, maar nu was ik alleen met de oude vrouw. Ik keek weer om me heen. Nog steeds zaten alle mensen naar hun telefoon te kijken zonder op ons te letten.
Toen zag ik ineens een man langzaam opstaan. Hij begon onze kant op te lopen. Na een paar grote stappen stond hij naast mij en de oude vrouw en hij begon rustig tegen de jongen te praten. “Jongeman, zie je deze oude dame? Denk eens drie seconden na en stel je voor dat dat jouw oma was. Zou jij niet voor jouw oma opstaan als jij zag dat ze een plekje zocht in een volle tram?”

Het bleef zeker drie seconden doodstil. Ik zag dat iedereen in de tram nu ineens wel naar ons aan het kijken was. We wachtten allemaal af wat de jongen zou doen. Ik dacht dat hij nu wel zou opstaan, maar de jongen bleef zitten, keek brutaal naar de man en riep terug: “Het is mijn oma niet dus het kan mij niets schelen. Misschien moet die oma maar op jouw plek gaan zitten als het jou zoveel kan schelen.”

“Nee, misschien moet deze mevrouw maar op mijn plek gaan zitten.” riep de vrouw die naast de jongen zat ineens. “Mevrouw, misschien moet u maar hier gaan zitten.”, zei het meisje dat een rij voor de jongen zat. “Mevrouw, hier is nog een plaats.”, zei een oude man een paar rijen verderop. “Hier kunt u ook prima zitten bij het raam.”, riep nog iemand. De oude vrouw, de man en ik begonnen te lachen terwijl we om ons heen keken. Iedereen in de tram begon een voor een op te staan.

Ik heb een belangrijke les geleerd op een vreemde ochtend in de tram. Ook als je vrienden niet bij je zijn, kom je onderweg lieve mensen tegen die je kunt helpen en die je willen helpen. Jong en oud. Die mensen kunnen jouw vrienden worden. Alleen moet je soms zelf de eerste stap zetten. Kijk altijd om je heen en wees lief. Dan heb je een wereld vol vrienden.

onderweg

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Sylvia je moet door! riep Bella. Ik kom eraan mam leg jij mijn OV-chipkaart alvast even klaar. Vijf minuten later kwam Sylvia beneden, doei mam ik moet door tot vanmiddag! riep Sylvia. toen ze bij de bus aankwam ging ze zitten wachten. Na tien minuten kwam de bus nog niet. toen de bus eindelijk kwam stapte Sylvia in ze viel in slaap, na een kwartier werd ze wakker. ze besefte dat ze niet in de bus zat naar haar school maar naar waar zat ze dan in de bus? Ze lied naar de buschauffeur hij heette Henk sorry meneer vroeg ze waar gaat deze bus naar toe? ze kreeg geen antwoord misschien hoorde hij haar niet, dus Sylvia tikte de chauffeur aan maar ze kreeg geen reactie dus ging ze terug zitten. ze probeerde haar moeder te bellen maar die nam niet op. wat moest ze nu? Ze zat als enige in de bus. opeens zag ze een bordje staan met daar op Washington 10 kilometer. Sylvia raakte in paniek wat moest ze nu doen? eindelijk belde haar moeder op. mam zei Sylvia ja zei haar moeder. maar de lijn viel weg.
de chauffeur stopte en liep naar Sylvia u bent op u bestemming aangekomen nee dat kan niet zei Sylvia neem me maar mee terug nee dat kan niet dan moet u vliegen. breng me alsjeblieft naar het vliegveld. Dat is goed ik breng je wel naar het vliegtuig. Dank je wel zei Sylvia, is goed we gaan zei de buschauffeur. eenmaal op het vliegtuig kreeg ze een vliegticket van de buschauffeur ze was hem eeuwig dankbaar en gaf hem een knuffel. toen ze in het vliegtuig zat had ze geweldig mooi uitzicht. toen ze weer in Nederland aankwam stond haar moeder al op haar te wachten.
Maar toen werd ze wakker het was allemaal een droom, het was nooit gebeurd!

De mensen

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Iedereen om mij heen weet altijd precies waarnaar dat hij of zij onderweg is. Hier is het niet anders. De mensen lopen voorbij, rennen zelfs. Ze moeten hun treinen halen. Ik niet. Ik zit op het bankje. Zo’n bankje waar je na een kwartier de afdruk van het ijzer op mijn benen terug ziet. Ik kijk naar de mensen. De mensen staan nooit stil. Ze gaan altijd maar door. En maar door. Onomkeerbaar door. Zoals de dagen dwalen, maanden malen, jaren jagen; allen de vergetelheid in.
Het lijkt een grote chaotische massa, allemaal met elkaar verbonden schijnt het wel, maar ik heb ontdekt dat als je de mensen één voor één bekijkt ze toch los van elkaar bestaan. Allen geestelijk verbonden door een gevoel van haast, dat wel. Allen tezamen zorgen ze voor een groter geheel, een vermoeiende doch indrukwekkende chaos, maar individueel zijn ze niets, allemaal alleen. Autonihilisme? Wellicht.

Een man met een zwarte jas, gepoetste schoenen, bruine tas, loopt wat op en neer. Ook de vluchtige blikken op zijn dure horloge ontbreken niet. Zakenman. Typisch gevalletje van ‘misschien-als-ik-ongeduldig-met-mijn-voet-op-de-grond-tik-en-herhaaldelijk-naar-de-tijd-kijk-dat-de-NS-eens-geen-vertraging-heeft’.
Een vrouw loopt ook vluchtig voorbij. Even verderop staat ze stil, doet een poging om tegelijk zowel haar telefoon tussen haar schouder en oor te klemmen, als haar lippen te stiften. ‘Ik zie je zo,’ zegt ze nog, voor ze ophangt en in de net gearriveerde trein stapt.
Een jongen met laptoptas en rugzak stoot per ongeluk tegen mijn knie, en mompelt een verontschuldiging. Ik doe nog een poging te laten blijken dat het niet uit maakte, met mijn hoofd schuddend en glimlachend, maar tevergeefs. Hoe kon ik ook denken dat hij twee seconden zijn ogen van het scherm van zijn telefoon af kon houden. Student, geen twijfel over mogelijk.
Sinds wanneer ik de mensen van het station herken? Ik weet het zelf eigenlijk ook niet. Het zijn van die dingen die voorbij gaan, maar wel ergens blijven hangen. Alles stroomt, ????? ???, alles verandert, niets staat stil, maar toch blijven we het herkennen als hetzelfde. Alles is altijd onderweg.

Ook de vogels zitten niet stil. De duiven die nog zoeken naar wat verloren kruimeltjes. Wat nou als duiven de reïncarnatie zijn van Hans en Grietje? Dat zou in ieder geval verklaren waarom ze altijd maar op zoek zijn naar wat de mensen eerder nog hebben laten vallen.
Ook in de lucht ontbreekt het niet aan de onderwegzijnden; ganzen vliegen onder begeleiding van een koortje vol gegak, en een vliegtuig trekt langs de wolken. Ja, ach, vliegtuigen. Als Icarus die had gekend zou hij misschien ook onderweg zijn. Of zou zijn ‘onderweg’ in ieder geval niet zijn opgehouden met blauw zeewater dat zijn mond, welke eerder nog werd gevuld met tevergeefs hulpgeroep, voor de laatste keer vult met water en verdrinkingsdood.

Altijd onderweg.
Rechts van me zie ik een meisje. Ze heeft rode ogen, en kleine schokkende bewegingen in haar schouders. Kenmerken van huilen. Ik zou haar best willen gaan troosten, maar een nieuwe trein komt al aan, net zoals de glimlach weer aankomt op haar gezicht. Maar het verdriet kruipt nog in haar ogen. Ik zie het. Van die gedachten verborgen in treurwilgen maar door zonneschijn gesierd. Want: zolang je gezicht maar gesierd is met een glimlach toch?
Ze wordt weer een van de mensen, ze gaat weer onderweg.

Niets staat stil. Zo ook mijn gedachten niet. Die zijn ook altijd onderweg. En dagdromen. Als de dag er weer eens met mijn dromen vandoor gaat. Dag, dromen.

Alles gaat weg, is onderweg. Ze gaan allemaal ergens heen. Maar waar? Voor mij een vraag, voor hun een weet.

Ik wil ook onderweg zijn.
Iedereen om mij heen weet altijd precies waarnaar dat hij of zij onderweg is. Ik wil ook een bestemming hebben. Ik wil weten waar ik uit kom. Weten waar ik mijn gedachten op kan halen, weten waar mijn dromen dromen blijken te blijven of realiteit worden, weten waar ik moet versnellen om mijn gedachtenstroom bij te kunnen houden, en weten waar ik uit moet stappen opdat mijn woordenbrij nog fatsoenlijke zinnen vormt. Want zelfs mijn zinnen weten vaak niet hoe ze zullen eindigen.
En ik evenmin.

Ik sta op, ga onderweg.

‘Mevrouw, kunt u me helpen?’
‘Natuurlijk, waar ga je heen?’
‘Ja, ik hoopte dat u me dat kon vertellen.’

Vlieger boven Damascus

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ik weet niet hoe lang ik hier al lig.
Ik heb de zon vanaf deze plek al talloze keren op zien komen en weer onder zien gaan. Ik heb geen idee hoe lang het nog gaat duren voordat ik echt weg ben. Ik hoop dat het gauw is.
Ik zou willen dat ik kon dromen, dan zou ik Naysah weer kunnen zien. Maar dat kan ik niet.
Om mij heen staan kinderen in het afval te wroeten, zoekend naar iets bruikbaars. Ik ben voor hen niet bruikbaar, niemand neemt mij mee.
Ik zie twee kindervoetjes vlak naast mijn hoofd. Aan de vele kloofjes rond de hielen te zien, zijn ze hier al een hele tijd. Naysahs voetjes zouden nu misschien ook wel zo ruw zijn geweest.
Toen wij aankwamen in het kamp, had ze nog haar mooiste lakschoentjes aan. Met haar ene handje hield ze mama’s warme hand stevig vast, met de andere klemde ze mij tegen haar borst. Haar oogjes twinkelden de hele weg naar de tochtige tent die ons nieuwe thuis zou worden.
“Doe maar net alsof dit allemaal één groot avontuur is”, zei mama die allereerste avond, terwijl ze Naysahs babybroertje Saif op bed legde.
Dat was voor Naysah geen probleem. Iedere ochtend als we wakker werden, pakte ze me op.
“Vandaag doen we alsof…”, fluisterde ze dan in mijn oor. Wat er ook achteraan kwam, vanaf dat moment waren we in een andere wereld.
Naysahs wereld.
Want weet je, Naysah zag de dingen niet zoals ze waren. Ze zag ze zoals zíj was. Het troosteloze kamp was een speeltuin, de kleine tent een paleis en zijzelf een prinses.
Ik was graag voor altijd in haar wereld gebleven.

De winter maakte een eind aan onze dagelijkse avonturen.
De sneeuw stal Naysahs fantasie. In haar hoofdje was het net zo stil als buiten, waar de kou als een ijzige sluier over het kamp hing en ieder geluid dempte.
Tot we ’s avonds dicht tegen elkaar aan op onze matjes lagen. Mama’s ene arm was dan een kussen voor Saifs kleine hoofdje en haar andere arm lag als een deken over Naysah heen. Ik paste altijd nog net onder haar hand.
Zo lagen we iedere nacht in de tochtige tent en wiegde mama’s stem ons met oude liedjes van thuis in slaap. Dan nam Naysah me mee in haar dromen, terug naar haar mooie wereldje. Soms droomde ze dat ze een koningin was en al haar onderdanen een nieuw paar schoenen gaf. Of dat ze met mama, baba en Saif op vakantie ging naar zee.
Maar Naysahs allermooiste droom was haar laatste. Toen ze een vlieger werd.
Ze stond op het punt om op te stijgen en ik mocht mee. Ik kon niet vliegen, maar Naysah hield me stevig vast. Ik keek omhoog en voelde hoe mijn voeten langzaam van de grond kwamen. We zweefden, zomaar de lucht in.
Toen ik weer naar beneden keek, zag ik Damascus onder ons. Ik zag ons oude huis, toen het nog heel was. Ik zag mama en Saif, die als kleine figuurtjes naar ons zwaaiden.
“Tot gauw, mijn lieve Naysah!”, hoorde ik mama nog roepen, vlak voor we door het plafond van wolken heen vlogen.
Nog altijd onderweg naar boven, vroeg ik me af hoe lang het koord dat Naysah met de grond verbond wel niet moest zijn. Ik geloof dat Naysah mijn gedachten kon horen, want ze keek me aan en lachte. Ze lachtte precies zoals ze vroeger met mama deed.
Ik voelde hoe mijn hart kilometers naar beneden viel en vervolgens in mijn keel verstrikt raakte als een gevangen vlinder.

Er zat helemaal geen koord tussen Naysah en de wereld. Ze was los, een vrije vlieger boven een dood land.

Tik, tik, tik.

Ineens had ik het weer heel erg koud. Duizenden speldenprikjes in mijn stof. De wind aaide mijn wangen en ik hoorde de regendruppels op het tentzeil kletteren.
Tik, tik, tik, tik, tik.
Ik keek naast me en zag een klein wolkje van Naysahs adem in de lucht kristalliseren en net zo snel weer verdwijnen. Ik wachtte op de volgende.
Ik wachtte.

Het was stil, opgehouden met regenen. Misschien huilt de hemel niet voor de verloren kinderen van Syrië.
Moeders wel.

Iedereen bleef maar zeggen dat het beter was zo. Dat ze nu bij Allah was, en bij baba. En dan zagen ze mama, de schaduw van wie ze ooit was, en zeiden ze niets meer.
Toen ze er klaar voor was, is mama met Saif in haar armen en Naysah in haar ziel verder gegaan. Naar Europa, geloof ik. Ik denk dat ze mij mee had willen nemen als troost, maar in het kamp verlies je snel iets uit het oog.
Het geeft niet.

Ik weet niet hoe lang ik hier al lig.
De sneeuw is verdwenen en heeft iedere herinnering aan mijn familie meegenomen. Er zijn honderden nieuwe, hoopvolle mensen gekomen, allemaal anders. Allemaal hetzelfde.
En ik ben nog niet weg.

De blote voetjes naast me staan al een hele tijd stil. Een gezichtje buigt zich over me heen. Donkere ogen glijden bezorgd over mijn gerafelde lichaam. IJskoude handjes tillen me voorzichtig op en strijken mijn kleren glad. Even blijft het kind besluiteloos staan. Plots beginnen zijn oogjes te twinkelen.
Dan drukt hij een warm kusje, op mijn koude neus.

Ik denk dat ik nog even blijf.

”Ik wil dood”

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Razende gedachten, niemand om je heen. Alles in mijn hoofd is onderweg, het raast in mijn hoofd. Spring van de brug, of is dat maar een illusie naar aandacht. Ben ik opzoek naar aandacht, daar voel ik dan toch niets meer van. Alles in mijn hoofd is onderweg, positief of negatief. Ik hoop dat het stopt bij positief, het leven heeft nog zoveel te bieden. Het raast in mijn hoofd. Alsof het een trein is die alleen maar rondjes rijd. Ik ben onderweg naar hetgene waar ik naar opzoek ben. Ik denk dat ik opzoek ben naar mezelf. In het leven komen zoveel erge dingen voor waardoor je het gewoon niet meer ziet zitten en dat is een probleem. Een groot probleem voor velen. Als het raast in je hoofd en je onderweg bent naar hoe je bent, jezelf, geef dan niet op. Trek niet aan de noodrem waardoor je jezelf verliest. Hou controle over de trein in je hoofd. Laat de trein onderweg zijn en laat ‘m zelf stoppen. Voordat je volwassen ben kom je jezelf tegen. En ik praat niet over volwassen dat je achttien bent. Nee, je bent pas volwassen als je jezelf onder controle hebt en de trein in je hoofd hebt laten uitrollen. Het duurt lang voordat je de trein hebt laten uitrollen. Soms moet ik mezelf tegenhouden om aan de noodrem te trekken. Ik begrijp het niet, waarom kom ik alleen het negatieve in het leven tegen. En ik kan ook gewoon nergens iets positiefs in zien. Maar ik weet dat er heel veel positiefs in het leven is, maar dat is zo normaal en dat zie ik niet meer. Je wilt jezelf zijn maar dat kan niet omdat je mee moet gaan met de wereld. Je vrienden, zijn dat eigenlijk wel je vrienden of zijn dat de mensen waar je mee optrekt omdat je met de wereld mee moet gaan. Wat had je eigenlijk gedaan als jij de leiding had over je vrienden. Had ik dan gezegd, kom laten we de wereld verbeteren en er voor de wereld zijn. Ja, dat denk ik wel. Ik heb altijd graag mensen willen helpen in de wereld. Ook gewoon die kleine dingetjes. Ik denk dat als mijn trein niet meer onderweg is en uitgerold is, dat ik dan begin met de wereld verbeteren. Maar natuurlijk laat ik mijn vrienden niet achter. Als de trein is uitgerold weet ik intussen wel wie mijn echte vrienden zijn. Ik trek niet aan de noodrem, nee ik doe het echt niet. Mijn motto is, en blijft: ‘’Alles komt goed, en als het niet goed komt, dan komt het alsnog goed’’.

De trein

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Als een trein die constant onderweg was. Een denderende locomotief die met helse geluiden langs me heen raasde, gevolgd door ontelbare wagons. Soms stopte de trein, maar in plaats van stilte hoorde ik dan piepende remmen. Ik werd gemarteld.

Het begon zachtjes. Een zoem. Het soort geluid waarvan je denkt dat je de computer aan hebt laten staan, of dat de muggen dit jaar wel erg vroeg zijn. Mijn dochter zag me dan fronsen, en pakte haar viool. Ze legde haar instrument op haar schouder, en verjaagde de geluiden in mijn oor. Ik keek haar glimlachend aan. Ze was getalenteerd, maar terwijl Vadertje Jacob de vlooienmars werd, werd het zoemen luider. De huisarts verwees me door naar de kno-arts, die me na een hersenscan diagnosticeerde met tinnitus: een permanente gehooraandoening, waardoor mensen geluiden horen die er niet zijn. ‘Je moet ermee leren leven’, zei de arts, en ik lachte mistroostig. Het conservatorium had me naast drie jaar werkeloosheid nu ook een gehoorbeschadiging geschonken.

Waarom lachte ik toen?

Het geluid dat ik hoorde was allang geen gezoem meer; het snerpte, alsof het ten koste van alles de aandacht wilde opeisen. Het trok de energie uit me, waarmee ik voorheen mijn kinderen naar de dierentuin nam. Ik begon goede en slechte dagen te onderscheiden. Op goede dagen keek ik een film, ploegde wat in de tuin, en hielp de kinderen met huiswerk. Slechte dagen waren zwart. Pikzwart, met mijn handen stevig tegen mijn oren gedrukt, liggend op de bank. De kinderen stuurde ik dan naar hun vader. Niet omdat ik ze niet wilde zien, ik wilde ze zo graag zien, maar ze mochten mij niet zien.

Niemand wil haar moeder zo zien.

De grens tussen goede en slechte dagen begon te vervagen. Ik noemde ze gewoon dagen. Op sommige van die dagen kwamen mijn dochters langs. Mijn oudste pakte dan haar viool, en legde de strijkstok op de snaren. ‘Stop, Melissa’, zei ik trillend. De trein in m’n oren krijste. Ik schreeuwde, ‘MELISSA, LEG DIE VIOOL WEG’, en ik sloeg de zesde symfonie van Beethoven van haar lessenaar. Melissa keek me angstig aan. Ik stak mijn hand uit om haar gerust te stellen, maar net op dat moment remde de trein, en ik schrompelde ineen. ‘Stop’, snikte ik, ‘stop alsjeblieft’.

Maar was ík niet de enige die het geluid kon stoppen?

Op m’n knieën bewoog ik me naar het sleutelschaaltje in de gang, en op de tast griste ik de autosleutel eruit. Ik sloeg de voordeur dicht, en beet op m’n lip tot ik in de auto zat. Het omdraaien van de sleutel lukte me niet. Niet omdat ik me bedacht had, maar ik had er simpelweg de kracht niet voor. Met mijn armen over m’n hoofd drukte ik op ICE in m’n contactenlijst. Mijn vriend nam op, en hoorde enkel gesnik. Binnen het uur stonden er zes mensen doodstil voor mijn autoportier. En toch maakten ze zoveel lawaai.

Kunstmatige coma om m’n gehoorzenuwen door te laten snijden raadde de dokter af. Het zou de aandoening alleen maar verergeren: van één trein, naar een centraal station in m’n oren. ‘Dit geneest niet, echt niet’, zei hij daarna, alsof ik een rebelse puber was die maar niet wilde luisteren. Ik keek naar buiten. Dromerig. ‘Er is wel een manier’, zei ik zacht. Niet omdat ik me ervoor schaamde, maar omdat ik niet harder kon praten. ‘Mensen met deze aandoening plegen als laatste redmiddel soms zelfmoord. Wilt u me daarbij helpen?’. De dokter opende zijn mond alsof hij iets ging zeggen, en keek daarna door hetzelfde raam als ik naar buiten. Het gesprek was beëindigd.

Mijn wereld werd een postzegeltje. Een kleine ruimte waarin ik veilig was voor elk geluid, behalve voor de treinen in mijn oren. Zelfmoord overwoog ik nog niet, maar het idee van een uitweg bezorgde me zoveel rust dat ik toch ging googelen. Ik deed het stiekem, en voelde me vreselijk schuldig – maar ik kon niet meer. Ik was op. Een maand later ging ik op bezoek bij mijn moeder. Ik legde mijn hand op haar been en zei: ‘Mam, ik heb me aangemeld bij een euthanasiekliniek’. Ze schrok, en ik voelde me misselijk worden. ‘Wat vreselijk en wat goed’, zei ze. ‘Ik was bang dat je er zelf een einde aan zou maken’.

De psychiater van de kliniek wilde m’n kinderen ontmoeten. Ik twijfelde ontzettend. Ik wilde ze niet alleen laten. Avond na avond huilde ik in m’n bed en schreeuwde ik melancholisch. Ik was knettergek aan het worden, en bij elke trein die voorbij denderde wenste ik vurig, oh zo vurig, dat morgen al de dag van mijn dood zou mogen zijn.

De laatste maanden gingen snel. Arts na arts concludeerde dat ik ondraaglijk leed. Ik bracht meer tijd door met de kinderen. ‘Als het echt niet gaat moet je ermee stoppen, mam’, zeiden ze steeds. Ik was te moe om te ontdekken of ze dat echt meenden. Het verbaasde me hoe rustig ik werd in de laatste weken. Zelfs de geluiden in mijn oren leken rekening te houden met mijn beslissing: ze denderden niet meer, ze zongen eerder. De weg naar mijn dood was de gelukkigste tijd in jaren.

Ik heb een gelukkig leven gehad.

Ik had de handen van Melissa en Rianne, mijn jongste, vast. Met tranen als kristallen in hun ogen en met gemaakte glimlach zeiden ze ‘Ga maar mama, laat maar los’. Het dodelijke drankje verspreidde zich door m’n lichaam. ‘Ik hou een plekje in de hemel voor jullie bezet’, fluisterde ik nog.

Ze vervagen.
Het geluid verstomt.

Eindelijk ben ik onderweg, de trein achterna.

(naar aanleiding van een waargebeurd krantenartikel)

Onderweg naar vrijheid

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Mijn grootste vijand was de jongen die niks deed.
Elke dag moest ik lange uren in de velden werken om katoen te plukken. Elke bot en spier van mijn lichaam deed pijn, maar toch ging het werken door. Op een dag werd het allemaal te veel. De zon in de lucht was te heet, de dag was te lang, en ik was te moe om door te gaan met het werken. Ik viel daar in het veld neer, en kon niet meer opstaan. Mijn meester was het niet met mij eens. Hij vond dat ik maar te lui en te zwak was, en dat ik een lesje zou moeten leren.
Hij sjouwde mij naar de paardenstal mee, en gooide me op het grond neer. Hij trok toen de zweep van de muur en liep dichterbij. Ik raakte in paniek, maar probeerde mezelf stil te houden. Mijn meester werd altijd meer boos als wij huilden of probeerden onszelf te verdedigen.
De zweep vloog door de lucht, lande op mijn rug, en werd toen naar beneden getrokken. De strengen daarvan beten mijn rug en scheurden mijn huid open. Ik voelde bloed over mijn rug golven, en kon het huilen niet meer binnenhouden. Ik begon te janken als een wolf bij het vollemaan. Tranen stroomde uit mijn ogen en werden gemengd met het zweet op mijn lichaam. Steeds kwam het zweep neer, en steeds was er meer bloed. En meer pijn.
Ik begon te verdrinken in dit bad van bloed, zweet, en tranen. Ik voelde me duizelig en mijn hoofd begon heen en weer te wiebelen. Mijn ogen gleden over naar het deur, het symbool van vrijheid van het pijn en het tiran die het oplegde.
Er stond een jongen bij de deur. Wij maakten oog contact, en ik smeekte hem woordeloos om mij te helpen. Hij staarde naar mij voor een paar seconden, en liep toen weg. Ik viel flauw.
Ik werd wakker in mijn bed, omsingeld door mijn medeslaven. Mijn rug deed zeer, maar de pijn was niet als ernstig als tevoren. Mijn hoofd bonkte zachtjes, en ik voelde nog steeds moe, maar vastberaden.
‘Ik blijf hier geen nacht meer’ dacht ik. Ik wachtte tot iedereen weg was en het nacht donker genoeg was om mij te verbergen. Toen kroop ik stilletjes uit mijn bed. Ik deed een beetje eten in een grootte zakdoek, en liep toen het bos in. Weg van thuis. Weg van mijn meester. En weg van die afschuwelijke bad van bloed, zweet, en tranen.
Ik liep tot mijn lichaam niet meer voort kon, en toen liep ik wat meer. De zon roos in de hemel, en het werd steeds lichter.
Ik hoorde het geluid van zware laarzen die over het grond liepen. Angst greep mij aan de keel, en ik vond het moeilijk om te slikken. Ik draaide mezelf nerveus om en liet per ongeluk alles uit mijn armen vallen. Het was de jongen die niks deed, mijn vijand. Hij raapte het eten van het grond, en legde het zachtjes in mijn armen. ‘Je vertelt het niet,’ smeekte ik hem.
‘Natuurlijk niet,’ zei hij terug. ‘En om te zorgen dat jij mij gelooft, geef ik je dit.’ Hij trok zijn ring van af zijn vinger, en gaf hem aan mij. ‘Dit kan je gebruiken om brieven en documenten te signeren. Dan geloven mensen dat je echt vrij bent.’
Hij draaide zich om en begon weg te lopen. ‘Dank je’ fluisterde ik zachtjes. Ik denk dat de wind mijn worden oppikte en naar hem bracht, want hij keerde plotseling weer om en glimlachte en zwaaide. Ik glimlachte en zwaaide terug, totdat ik hem niet meer kon zien. Toen deed ik de ring op mijn duim, en keek er naar toe. Ik was de hele tijd fout geweest. Mijn grootste vriend is de jongen die niks deed.

Een nieuw begin?

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Een nieuw begin?

‘Eindelijk’ denkt Sven. ‘Eindelijk een nieuw begin, in een nieuw dorp en in een nieuwe school’ zegt hij als hij voor het huis staat.
Een paar uur eerder.
Zijn vader was al een lange tijd blij omdat hij een huis had gevonden, maar vandaag was hij blijer dan ooit. ‘Wat is er pap?’ vroeg Sophie. ‘Ik heb net een heel mooi huis gezien op internet’ zegt haar vader. ‘Het staat boven op een heuvel aan de rand van het dorp Grimbergen. Het is een oud huis, dus we kunnen er nog lekker veel aan klussen’. ‘Boven op een heuvel?’ vroeg Sven. ‘Dus als we dan naar school gaan moeten we elke dag naar boven en naar beneden met de fiets?’ ‘Ja’ zegt zijn vader met een grijns op zijn gezicht. Sven en zijn zusje kijken erg teleurgesteld naar hun vader. ‘We vertrekken over 2 uur, dus ga maar alvast wat spullen inpakken’ ‘WAT?!’ Sven kon zijn vader wel slaan. ‘Maar daar hebben we toch helemaal niet op gerekend!’ Sven wordt rood en rent de kamer uit. Sophie blijft een tijdje naar haar vader kijken en loopt daarna rustig naar haar kamer. Hoe kon hij dit nou doen, denkt Sven. Zijn vader had gezegd dat ze pas over een paar dagen zouden verhuizen.
2 uur later.
Sven zat met een chagrijnig gezicht in de verhuiswagen. Alle spullen lagen achterin, met zijn zusje ertussen. Ze wilde perse tussen haar eigen spullen zitten zodat ze haar knuffels gezelschap kon houden. Na een tijdje hoort Sven dat zijn zusje tegen haar knuffels aan het praten is. ‘Kleuter’ zegt hij boos. ‘Toen jij 6 was deed je dat ook hoor’ zegt zijn vader. ‘Boeiend. Sophie! Hou nou eens op, ze gaan heus niks terug zeggen’. Sophie trekt zich er niks van aan en gaat gewoon door. ‘Stom kind’ zegt Sven. ‘Dan zet ik de muziek wel gewoon heel hard’. ‘Hoeft niet’ zegt zijn vader ‘We zijn er’. Ze rijden de heuvel op, maar wat Sven nu ziet, bevalt hem niet echt. Het is een oud, half gerot huis. ‘Je zei dat we er veel aan konden klussen, maar dit, dit is wel wat overdreven’. ‘Maakt niet uit. Ik heb toch een zoon die me heel veel gaat helpen’ zegt zijn vader leuk. Een tijdje later zijn Sophie en haar vader al in het huis. Sven is spullen uit de verhuiswagen aan het halen. Hij stopt even en gaat voor het huis staan. ‘Eindelijk een nieuw begin, in een nieuw dorp en in een nieuwe school’ zegt hij als hij voor het huis staat. ‘Dan hoef ik tenminste nooit meer aan vroeger te denken. Ik begin hier gewoon opnieuw’. Sven werd op zijn vorige school veel gepest. Hij heeft geen idee waarom, hij doet geen rare sport, hij gedraagt zich normaal, hij kleed zich niet raar. Maar dat ligt nu achter hem.

Een paar dagen later.
Ze wonen nu al een paar dagen in het huis. Alles gaat helemaal goed, het verbouwen gaat vlot en Sven en zijn zusje hebben allebei al nieuwe vrienden. Maar toch is er één ding wat niet helemaal klopt. Sophie zegt dat ze stemmen van de zolder hoorde komen. Sven en zijn vader zijn gaan kijken, maar er was niks. Wel zag hij op de zolder een deur waar een tafel voor was geschoven. Hij heeft er niks van gezegd, maar hij wil toch nog een keer gaan kijken wat er achter de deur zit. Die avond, terwijl iedereen al in bed ligt, wordt Sven wakker door een harde gil. Hij dacht eerst dat het zijn zusje was, maar die sliep nog gewoon. Hij hoorde even later nog een gil. Het kwam van de zolder! Hij ging kijken op zolder maar zag niks. Sven zag dit als zijn kans om achter die deur te gaan kijken. Hij liep naar de deur, tilde de tafel ervoor weg en probeerde de deur open te maken. ‘Shit’ zegt hij zacht. Sven trok te hard aan de deurklink, waardoor die is afgebroken. Hij zocht op zolder naar iets waarmee hij de deur toch open kon maken en vond een koevoet. Hij zette hem tussen de deur en ja hoor, de deur ging open. Sven loopt voorzichtig door de deur en voelt iets zacht aan de muur en onder zijn voeten. Het is foam. De kamer is geluidsdicht. ‘Waarom zou je een zolderkamertje geluidsdicht maken? Er ligt alleen maar wat speelgoed en er is maar één klein raampje’. Zonder dat Sven het merkt valt de deur langzaam achter hem dicht. Na een beetje rondkijken hoort hij de deur in het slot vallen. ‘Oh nee, dit meen je niet’. Sven voelt aan de deur, of die nog open kan, maar nee, de deur zit helemaal vast. Sven raakt in paniek en begint te roepen: ‘Help!’. Hij blijft maar roepen tot hij zich realiseert dat de kamer geluidsdicht is. ‘Leuk, zo’n nieuw begin’ zegt Sven boos. Hij besluit om te stoppen met panikeren en uit het raampje te gaan kijken. Sven zit maar een beetje nutteloos te kijken, tot hij iets in de tuin ziet bewegen. Het loopt richting de deur. Als Sven beter gaat kijken ziet hij dat het een man is. ‘Wat doet die hier nou?’ zegt Sven ‘En waarom gaat hij naar de deur?’. Sven ziet de man stilstaan voor de deur, maar dan ziet hij, tot zijn verbazing, dat de man ineens naar binnen loopt. Sven begint te roepen dat er iemand in het huis is, maar niemand hoort iets. Dan hoort Sven zijn zusje gillen en zijn vader schreeuwen. Kort daarna hoort hij twee schoten. Sven begint nog harder te gillen totdat hij iemand tegen de deur van het kamertje hoort bonken. Sven gaat tegen de muur staan. Het gebonk tegen de deur wordt steeds harder, totdat de deur ineens open gaat. De man richt een geweer op Sven. ‘Waarom?’ zegt Sven ‘Waarom ben je hier en hoe weet je van deze kamer?’. ‘Dat gaat je niks aan!’ De man gaat steeds gemener kijken en legt zijn vinger op de trekker.

Bang voor de wereld

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Tranen reisde van mijn ooghoek naar mijn kin. Een spoor van wanhoop achterlatend.
Diepe steken doorboorde mij. Bij elke ademhaling was ik pijnlijk bewust van het bestaan, het leven.
Mijn oren suisden terwijl de liefelijke klanken van het donker mij omarmde.

Stilte.

De stemmen rondom mij worden harder en duidelijk. De klanken beginnen woorden te vormen en de woorden beginnen zich tot zinnen samen te smelten.
Er klinkt een zachte warme stem, ik herken de manier waarop ze de r uitspreekt. Zij is de enige die hem zo zacht rollend uitspreekt, zonder dat het raar gaat klinken. Het is mijn moeder.
Ik probeer me te focussen op mijn omgeving.
Langzaamaan dringen er steeds meer geluiden tot mij door.
Stemmen, deuren die open en dicht gaan en heel veel onbekende voetstappen.
Voetstappen die gaan en komen, soms blijven ze even en andere komen haast niet verder dan de deur.
Ik luister naar de wereld om mij heen, die alsmaar door gaat. Het leven gaat door, geen tussenpauze om even op adem te komen, nee niets..

Eerst deed ik daar vrolijk aan mee, dat leven. Maar nu kijk ik alleen eenzaam toe vanaf de zijlijn. Een toeschouwer van mijn eigen leven.
Een leven dat ik eerst voluit leefde, hand in hand met jou. Zonder angst wat er zou komen, welke weg we ook in zouden slaan.
Maar ik wist het niet, ik wist niet dat jij daar anders over dacht. Ik dacht dat wij samen alles konden trotseren.
Samen.. Wat een verschrikkelijk woord.

Waarom heb je mij niets gezegd? Je had het me kunnen vertellen. Ik had naar je geluisterd, dat beloof ik je. Als je mij de kans gegeven had.
Als.. Nog zo’n woord.
Waarom bestaan ze, die woorden, ze doen alleen maar pijn.

Want als jij me verteld had hoe eenzaam je was, hoe miserabel je voelde. Dan had ik je kunnen helpen.. En als ik je had kunnen helpen, dan had je niet je eigen leven hoeven ontnemen. En liefste, als je dat niet had gedaan, dan had ik je niet hoeven volgen. Want dan had ik hier niet gelegen, realiserend dat het leven mij heeft tegen gehouden, terwijl het jou heeft laten gaan.
Oh liefste, als als als..

Pijn, tranen en stilte wanneer het donker me weer meeneemt. Weg van mijn gedachtes. Mijn roerloze lichaam. Weg van mijn eeuwig gesloten ogen, die bang zijn voor de wereld. Weg.

Daar is ze weer, die stem. Met haar lieve r. Mij smekend om weer bij haar terug te komen.
Maar mama ik kan het niet, nog niet. Het doet zoveel pijn mama, zo veel.

Want wat als het me niet lukt? Als ik niet sterk genoeg ben?
Ik weet niet of ik het al kan, het leven. Het gaat zo snel.

Als ik mijn ogen open zie ik een nieuwe wereld, de wereld zonder jou.
Elke seconde die ik nu leef, is in de toekomst. Want jij bestaat alleen nog maar in het verleden.
Een mooi verleden, dat wel, maar ik ben al onderweg, onderweg in de toekomst.

Onderweg naar de waterbron van Cycillia

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Ik schrik wakker van een hard geluid om me heen. Ik kijk om heen, dan pas besef ik dat ik in de trein van NS INTERNATIONAL zit. Ik word meteen helemaal enthousiast van het idee dat ik na de waterbron van Cycillia ga samen met mijn vrienden.

Flashback:
Ik loop mijn kamer in en pak mijn smartphone. Gelukkig heb ik 2 super goede vrienden. Laurice en mijn vriendin Sam, ze steunen me altijd. Ik kijk of ze online zijn, maar ze zijn allebei niet online dus loop ik naar mijn pc. Ik kijk of er nieuws is. Ik lees een artikel: ‘inbraak op de waterbron van cycillia.’ Ik trek mijn wenkbrauwen op, ik had daar al iets over gelezen in een boek… toen kwam ik op het idee om daar heen te gaan (klinkt misschien simpel voor een kind, maar mijn dagelijkse leven stelt niks voor en mijn familie zijn meer gasten als familie).

Tja… en zo kwam het eigenlijk dat ik nu hier met mijn beste vrienden in de trein zit. Sam kijkt me met haar levendige en vrolijke ogen aan en vraagt: ‘heb je er zin?’
Ik knik enthousiast en kijk geïnteresseerd naar buiten. Ik hoor Laurice grinniken en fluisteren tegen Sam: ‘dit doet haar echt goed.’ Ik glimlach stiekem, mijn vrienden willen altijd het beste voor me.
De microfoon in de trein haalt me uit mijn gedachten, de conducteur begint te praten: ‘we zijn bijna bij het dorpje Karumbala.’ Ik draai me om naar mijn vrienden en pak snel mijn spullen bij elkaar, de trein stopt langzaam en ik zie de treinstop al. We stappen uit de trein met onze koffers en kijken om ons heen. Ik zie overal paparazzi foto’s maken en mensen interviewen. We gaan naar een hotel en reserveren een kamer, installeren onszelf en pakken onze koffers uit. Daarna gaan we naar buiten een frisse neus halen, ik huppel naar buiten en kijk vrolijk rond, we zijn op een mooi, groen grasveldje en overal rennen puppy’s rond. Laurice lacht en zegt: ‘kijk, er komt een puppy naar je toe!’
De puppy heeft bruine karamelogen en een mooie bruine vacht, ik smelt van zijn schattigheid. Ik buk en aai hem over zijn rug, hij kijkt me lief aan en blaft. Sam loopt ook naar de puppy toe en aait het kopje van de puppy. Dan word het gras donker door een schaduw, ik kijk op, een mevrouw glimlacht naar ons en zegt: ‘hij heet Mauko.’ Ik sta op en stel me voor, aangenaam kennis te maken, Skye, ik heet Julia, zegt de mevrouw.’ Ze vraagt wat wij hier alleen op het veldje doen. Ik weet niet wat ik moet vertellen, want tja… ik ben pas 13 en wat doen 3 kinderen hier alleen zonder ouder? Gelukkig valt Sam me bij: ‘we zijn hier voor een verslag voor school, we moeten informatie hebben over de waterbron van Cycillia.’ Ik kijk haar met grote ogen aan, hoe doet ze dat toch?! Ze zuigt dat gewoon uit haar grote duim en toch lijkt het alsof het echt waar is. De mevrouw lijkt het dan ook niet te merken en kijkt ons verrast aan, wat leuk! Zegt ze met een overslaande stem van enthousiasme, ik ben journaliste van het NOS-journaal en ik moet een verslag maken voor mijn werk. Laurice reageert meteen: ‘zouden we misschien mee mogen en wat informatie verzamelen voor ons verslag?’
Ook Laurice kijk ik aan met een vragende blik, hij gaat gewoon met het grote leugen van Sam verder, terwijl die vrouw super aardig en vriendelijk is, aan de andere kant: ‘we komen waarschijnlijk toch niet in die waterbron zonder een volwassene…’ De mevrouw kijkt ons blij aan en zegt: ‘tuurlijk! Jullie leren er veel van en ik heb nooit echt gezelschap, moet ik eerst jullie leraar spreken? Veranderd ze ineens van onderwerp. Sam zegt rustig: ‘nee hoor, dat zit wel goed, we mochten deze hele dag vrij rondlopen, zegt ze met een grote glimlach op haar mond.’
De vrouw pakt de puppy op en zegt: ‘mooi! We kunnen meteen gaan en ze loopt met grote stappen weg, Sam en Laurice haken elkaars armen in elkaar en mijn arm proppen ze er tussen, ze hebben het gewoon voor elkaar! Ik heb toch zo’n aparte (maar super-lieve-zorgzame vrienden!). Ze lopen met grote stappen achter Julia aan. Sam fluistert in mijn oor, die vrouw gelooft ook alles! Ik lach en loop vrolijk mee met mijn vrienden. Na een paar minuten zien we overal paparazzi. De vrouw duwt ons naar voren en stopt bij een man, ze zegt wat maar ik versta het niet goed door het lawaai om ons heen: ‘ ja… die kinderen…de waterbron van…’ na een paar minuten glimlacht ze naar ons en zegt dat we door mogen lopen, het word namelijk goed bewaakt, ik zag nog net voor ik de waterbron inliep een man met een donkere bril en een zwart pak, dat zal wel een goede bewaker zijn. Binnen in de waterbron van Cycillia kijk ik mijn ogen uit, het is prachtig! Het is een soort grot alleen dan helemaal verlicht, niet met lampen maar licht van prachtige, blauwe stenen in de muur. We lopen door een lange stenen doorgang, een soort van tunnel.
Ik zie dat Sam en Laurice ook verwonderd rond kijken. We lopen een paar meter van Julia maar je hoort haar luidt en duidelijk galmen door de gangen: ‘kijk die prachtige, stenen, onthoud ze voor je verslag!’
ik hoor haar hakken op de vloer, ik kijk om, dan schrik ik verschrikkelijk! Er staren 2 rode ogen naar me. Ik slik en hakkel: ‘j j j jongens….’ Ik weet dat ze kijken want Sam maakt een gilletje van schrik en ik voel de spanning. Ik hoor hakken vanachter me naar me toe lopen, dat is vast Julia. Ik voel een rilling over mijn arm lopen. Dan voel ik een hand op mijn schouder en kijk op, het is Julia, ze zegt: ‘oké, nu lopen we rustig naar achter, we zijn in groot gevaar, dat is Cycillia…’

De andere kant van de heuvel

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

De man reed de heuvel op. Zijn spieren spanden zich bij elke slag met de trapper. Zweet druppelde langs zijn slaap. Het gestreepte t-shirt plakte tegen zijn brede rug. Terwijl hij achterom keek, dacht aan gisteren, aan tijden die waren geweest. Tijden die waren vervlogen en voorbij gedanst als een snelle tango. Zijn gebruinde lichaam zwoegde verder. Zich verwijderend van het verleden. De zon leek al zijn littekens zijn huid in te branden. Ademhalen ging moeilijk. Er zat zand tussen het zadel en zijn benen. Vragen. Zouden ze hem missen? Zouden ze hem achterna komen? Hij had zijn ogen toegeknepen tegen het felle zonlicht. Voelde het stroeve rubber van de handvaten van zijn fiets. Er flitste een beeld door zijn hoofd van een lachende vrouw. Zijn hoofd schuddend focuste hij zich weer op de weg. Meters afleggen. Verder en verder. Hij zou nooit meer terugkomen. Geen tweede kansen meer. Deze keer zou hij volhouden en zien wat er achter de top van de heuvel lag. Nog een paar meters. Hij had een steek in zijn zij. Eindelijk, de top. Een glimlach doorbrak zijn frons. De zee sprankelde hem tegemoet. Hij trok zijn benen op en suisde van de heuvel af.
Hij was vrij.

Onze Odyssee naar de Toekomst

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Terwijl de wind door onze kleren vloog,
Het opgestoven sneeuw ons zicht voor loog,
Waren het de bergen, met hun pieken in de wolken,
Waarvoor ik steeds weer boog.

Na de vele stappen klapte mijn hiel,
Na de vele stappen zeer instabiel,
En als ik dan opkeek naar de nieuwe muur van bergen,
Ontbrak hoop aan mijn ziel.

Wanneer Hope zag dat ik zou gaan zwichten,
Met een stem voor valentijnsgedichten,
Zei ze tot me net als vroeger en als nu “Het is oké,”
Om weer hoop te stichten.

Zo vergingen dagen, weken, jaren,
Bemoedigd door Hope, veilig van gevaren
Zelfs al waren deze gevaren ternauwernood afgeweerd,
Door mijn dierbaren.

Uit de verte van het front rees een kreet,
Vol met haat en pijn, die door de lucht schreed,
Tenietgaand in de overmoed van haar eigen glorie,
Toen men de keel doorsneed.

Uit de verte van het front kwam het bloed,
mettertijd vermengd met sneeuw en roet,
Alles in de naam van ideologische doelen,
Die al zijn vergeten.

Uit de verte van het front vluchtten wij,
Tot de woede van mijn gezel Sergej.
Hij, omdat hij elke partij met haar doelen minacht,
Vormt de tegenpartij.

Uit de verte van het front kwam een man,
Aan zijn wapenen te zien een krijgsman,
Want bij het uitbreken van de oorlog kreeg hij dienstplicht,
Daarvoor was hij weerman.

Hij werd begroet door mijn gezel Justen,
Een dappere man vol met wijsheden,
Toch idealiseerde hij zijn ideologie,
Kenmerkend voor dwazen.

De man kwam uit een godverlaten oord,
Vermits hij schuldig was aan massamoord,
Maar nu verlangde hij terug te keren naar zijn huis,
Voordat hij werd vermoord.

Sergej zocht wraak en gaf hem de doodsstraf,
Justen zocht recht en gaf hem de doodsstraf,
Maar het was Hope die in hem eerlijkheid en berouw zag,
En gunde hem taakstraf.

Naar mijn mening werd toentertijd gevraagd,
Naar welk vonnis mij zou hebben behaagd,
Maar omdat ik zweeg, werd de man van het leven berooft.
Alleen Hope had geklaagd.

Naderhand bedroefde ik mijn verraad,
Mijn zondig gedrag jegens de soldaat,
En toen ik bijna moest huilen en Hope dit moest zeggen,
Vond ze me het niet waard.

De dagen daarna kreeg Hope het moeilijk,
Haar voeten werden zwaar, haar haar lelijk,
Voor de reden dat ze een ziekte had opgelopen,
Ze verviel aanzienlijk.

De vraag wie eerst zou sterven rees toen op,
Noch ik noch Hope kon nog naar verderop,
Want we hadden beiden een Hope als van weleer nodig.
Hope werd als eerst doodop.

Na een nacht bewoog ze gewoon niet meer,
Het zo bruisende lichaam van weleer,
Nu enkel een hoop vlees dat wacht om te vergaan tot stof.
Ik vertrok met hartzeer.
?
Verkerend in diverse stadiums,
Van groot leed tot ontbreken in tantrums,
Was ik, maar daarna werd mijn ziel stil, iets ergers dan al,
De volgende datums.

Deze stilte veroorzaakte wreedheid,
Die werd getoond op de gelegenheid,
Van toen we een dorp aantroffen, die teniet was gegaan,
In de eeuwige strijd.

Er was goddank één die had overleefd,
Maar die misschien de rest omgebracht heeft.
Sergej gaf hem de dood, maar Justen weigerde omdat,
Geen bewijs doorslag geeft.

Om dit meningsverschil te regelen,
Werd mij gevraagd dit te beoordelen.
Ik wou niet weer talmer, geen initiatiefnemer zijn,
Dus gaf ik hem de dood.

Dat oordeel werd dus over hem geveld,
Justen was evenals Sergej versteld.
Voor mijn daad kreeg ik van de één grote lof, maar de ander
Werd ongerust gesteld.

Justen keek naar ons, naar mij en Sergej.
En baarde zich grote zorgen om mij,
Om reden dat hij geen vrede en verdriet in me zag,
Maar enkel razernij.

En terwijl hij ons een brug zag overgaan,
Verdriet en woede die hand in hand gaan,
Bedacht hij dat hij rust rechtvaardigheid en ratio
Nu alleen moest bijstaan,

Want noch Hope noch ik deed dat als voorheen.
Justen volgde ons over de brug heen,
En nadat hij zijn taak van uiterst belang op zich nam,
Vroeg hij zich af waarheen.

Ik hoop dat jullie genoten hebben,
Dat jullie het er voor overhebben
Om het verhaal weer te lezen, dit keer zullen jullie
Meer wijsheden hebben

“Een verhaal over kinderen op reis,”
Zeggen de meesten van jullie eigenwijs.
Maar niets is minder waar, dus leest u het verhaal nogmaals
En neemt u dit in eis.

De personages zijn gelijkend op
Woede, verdriet, rechtvaardigheid en hoop
En de oorlog in welke het verhaal zich afspeelde,
De tijd waarin men leeft.

Wanneer u mijn verhaal voor de tweede
Keer hebt gelezen, met de twee eisen in uw rede,
Vertel ik dit aan u, een regel om te behouden:
Laten we anders doen dan in dit verhaal en onthouden:
“Vrede overwint wrede.”

De weg naar geluk

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Daar staan ze dan. De kist boven het graf. De priester kerft een kruisje in de kist en vraagt om te bidden. De harde snikken van mijn vrouw onderbreken het moment van stilte. Mijn twee veel te verwende dochters staan zonder enige emotie bij de kist. Hij was nog maar 32. Mijn kleine broertje. Het heeft eigenlijk nooit geklikt tussen ons, ik zag hem altijd als mijn kleine broertje, de nietsnut. “Tom, kom je?”, vraagt mijn vrouw snikkend. “Ik kom eraan, ga maar vast.” Ik zie mijn vrouw weglopen met de verwende kinderen achter haar aan. Een week geleden kwam Luuk, mijn broertje, mijn kantoor instormen. Hij wilde met me op reis. Niet zomaar een reis, maar een reis naar Brazilië. “Daar vieren ze nou echt goed carnaval” had hij geroepen. Arrogant zei ik tegen hem dat ik alleen mee wilde, als we daar ook voer konden verkopen. Voer verkopen? Ja, dat is wat ik de hele dag doe. Ik ben directeur van een groot veevoerbedrijf. Hele dagen, soms avonden en heel soms ga ik nachten door om het beste voer van Nederland te maken en te verkopen. Het begon als een klein bedrijfje dat ik opstartte als project voor mijn universitaire business studie. Mijn ouders hebben een kippenboerderij en het begon er mee om voor hen voer te produceren. Mijn ouders waren positief over het voer en het bedrijf ging als een lopend vuurtje. Ik ging meer voer produceren en deed onderzoek naar beter voer. Uiteindelijk is mijn bedrijf uitgegroeid tot de grootste veevoerproducent van Nederland. Niet alleen in de pluimveesector, maar ook in andere agrarische sectoren. Luuk was een optimist. Zijn motto was ‘lang leve de lol’. Hij wilde vrachtwagenchauffeur worden. Toen hij 20 werd en zijn vrachtwagenrijbewijs had gehaald trad hij bij mij in dienst. Als een kind zo blij was hij op zijn vrachtauto onderweg naar de boeren, waar hij dan een lekker bakje koffie kreeg. Luuk was impulsief, terwijl ik gestructureerd was en alles op orde had. Ik vond mezelf een voorbeeld voor hem. Ik was rijk, had kinderen en een bloedmooie vrouw. Ik was het voorbeeld van geluk. Toen Luuk vorige week op mijn kantoor kwam om te vragen of ik mee wilde naar Brazilië, verklaarde ik hem voor gek. “Je hebt toch geen geld, waar komt dit in eens vandaan? We gaan toch nooit iets doen met z’n tweeën? Waarom nu in een keer naar Brazilië?” Met een lichte snik in zijn stem zei hij zacht: “Ik dacht dat het wel een goed idee zou zijn om als katholieke broers naar hét carnaval-land van de wereld te gaan. Maar ik merk het al wel weer, het is niet goed genoeg voor jou. Ik ben niet goed genoeg voor jou.” “Ach, kom op. Doe niet zo kinderachtig, je weet best dat je goed genoeg voor mij bent. Ik vind dit gewoon te impulsief en misschien ook niet zo verstandig.” Een lange stilte volgde. “Ben jij gelukkig?”, vroeg Luuk met zijn blauwe ogen tot spleetjes geknepen. Zonder na te denken antwoordde ik: “Ja, natuurlijk, ik heb alles wat mijn hartje begeert, waarom zou ik niet gelukkig zijn?” Hij keek me aan en schudde zijn hoofd. “Ik denk dat jij de weg naar geluk nog moet vinden, geloof me.” “Denk jij dat”, schreeuwde ik tegen hem, “denk jij dat ik niet gelukkig ben?” “Ja, dat denk ik ja. Heb jij wel vrienden? Nee, het enige wat jij hebt is je bedrijf, je verwaande dochters en een vrouw. Je hebt ruzie met iedereen en als je zo doorgaat ga je je vrouw en kinderen kwijt raken.” “Hoe bedoel je, mijn vrouw houdt van mij en ik van haar. Waar bemoei je mee”, schreeuwde ik. “Ach, kom op man. Je zit de hele dag op kantoor, je gaat nooit naar feestjes en je doet nooit wat leuks met je vrouw en kinderen.” Luuk draaide zich om en sloeg de deur achter zich dicht. Dit waren voor mij Luuks laatste woorden. Twee dagen later werd ik gebeld. Ik was lichtelijk aangebrand, omdat een klant vreselijk moeilijk was geweest. “Veevoerproductie Janssen, u spreekt met directeur Tom Janssen, waarmee kan ik u van dienst zijn?” Aan de andere kant hoorde ik de afdelingsleider van het transport van mijn bedrijf. “Er is een ongeluk gebeurd. Ik weet niet hoe ik het u moet zeggen, maar één van onze werknemers is over de kop geslagen met de vrachtauto.” Dat kan er ook nog wel bij dacht ik bij me zelf, ik heb het al zo druk. “Oh, wat vervelend, is hij er ernstig aan toe?” “Ja nog al, hij was op slag dood. Ik vind het moeilijk te zeggen, maar uw broertje…” Ik luisterde niet meer naar de rest van de zin. Een schok ging door mijn lijf. Tranen stroomden over mijn wangen. Ik beet op mijn onderlip om de tranen te onderdrukken. Ik gooide de telefoon op de grond en schreeuwde. Ik brulde hard, het leek alsof er een jagende leeuw in mijn kantoor stond. Kapot was ik, kapot gemaakt door verdriet. Nu sta ik hier. Een beetje te kijken naar hoe de kist met mijn broertje naar beneden werd gelaten. “Bedankt broer”, fluisterde ik. “Door jou weet ik welke kant ik op moet. Je hebt gelijk, ik ben niet gelukkig. Ik ben niet jouw voorbeeld, maar jij die van mij. Geld maakt niet gelukkig en alles hebben ook niet. Stiekem hoop ik dat je nog met mij op reis wil. Niet naar Brazilië, want dat gaat niet meer. Ik hoop dat jij, ook al ben je daar boven, met mij onderweg wil naar het geluk.”

Steenkoud

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Steenkoud

Het jaar 2064, Amsterdam, Nederland. In de afgelopen paar jaar is de aardkorst bedekt geworden door miljarden hoge bergen. Alles is vernield, behalve een paar grote steden. Amsterdam is daar een van, met zo’n 15 miljoen inwoners een van de dichtstbevolkte. Er zijn een paar mensen op de aarde waarvan wij weten dat zij zich in de bergen bevinden, dit zijn enkel en alleen wetenschappers die onderzoek doen naar de snelle groei van de bergen. Het was slechts een kwestie van tijd voordat de steden ook getroffen werden.

De aarde begint te trillen, langzaam maar hevig, wat ervoor zorgt dat Hans wakker wordt. “Wat is er nou weer aan de hand” zegt Hans tegen zichzelf,”kan ik dan nooit eens rustig slapen.” Hans stapt zijn bed uit en kijkt door zijn slaapkamerraam. In de verte ziet hij de vertrouwde wolkenkrabbers die hij normaal gesproken ook altijd ziet, maar na verloop van tijd merkt hij iets. ”Ligt het nou aan mij of is het ene gebouw veel hoger dan de ander.” Hij denkt dat hij gek word maar het is echt zo, de gebouwen verschillen in hoogte. Hans begon zich weer op het trillen te focussen,”waar komt het vandaan?” vroeg Hans zich af. Hij besluit om naar buiten te gaan en te kijken wat er aan de hand was, misschien kan iemand anders het hem vertellen. Wanneer hij buiten komt is het uitgestorven. Hij ziet niemand die hem kan vertellen wat er aan de hand is, er is alleen een stelletje duiven iets verderop maar die zullen ook geen grote hulp zijn. Wanhopig belt hij bij de buren aan:”Hallo, het is Hans van hiernaast, zijn jullie thuis”. Hij kreeg geen antwoord. Verbaasd gaat hij terug naar binnen en realiseert iets:”Kaj!” Zijn broer zit al de hele week in zijn kamer, dus snel rent Hans naar binnen, de trap op en Kaj’s kamer in:”niets”. Met volle kracht trapt hij tegen Kaj’s bed aan:”verdomme.” Tot zijn schrik hoort hij iemand roepen vanaf beneden,”Hé, wel het huis heel houden graag!” Hans rent snel terug naar beneden en ziet zijn broer in de keuken staan “Wat is er broertje, je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien” zei Kaj. “Waar is iedereen” vraagt Hans.
“Het is begonnen, de bergen beginnen zich te vormen.”
“Wat bedoel je?”
“De gigantische bergengroei van de afgelopen paar jaar treft nu ook Amsterdam, het was op het nieuws vanmorgen, de buurt besloot te vluchten.”
“Waarom had jij me niet wakker gemaakt, dan waren wij hier nu ook weg?”
“Zo simpel is het niet Hans, we kunnen nergens heen, geen andere stad, geen klein verwoest dorpje, niets” Hans denkt diep na voor een paar minuten en bedenkt zich dan iets, Oom Jan.

Oom Jan was een van de wetenschappers in de bergen die daar onderzoek deed, maar ook de enige plek waar ze heen konden. Ook al was hij niet hun echte oom, zo voelde hij wel voor Hans en Kaj. Ze stapte in de auto en begonnen zich een weg te banen door het puin van de gebouwen naar de auto die een paar straten verderop stond. Toen ze bij de auto aankwamen begonnen meerdere wolkenkrabbers zich naar de grond te laten vallen, wat zorgden voor een immense klap en een hevig bevende aarde. Snel reden ze weg in een poging de vallende gebouwen voor te blijven, maar ze realiseerden dat dit makkelijker lijkt dan het is. In hun landrover reden ze snel door de straten heen, op naar een weg om de stad te ontsnappen. Op weg naar de enige manier om de stad te verlaten werd de weg geblokkeerd door een gigantische metalen pijp. Snel kwamen de jongens uit de auto en probeerde de blokage weg te duwen, maar dit lukte niet. De jongens waren hulpeloos, totdat een gigantisch stuk rollend steen op hun afkwam. Ze sprongen opzij en het gesteente ramde tegen de blokage aan wat ervoor zorgde dat het de weg niet meer blokkeerde. verrast stapten ze terug de auto in en reden verder, toen ze hoger in de bergen kwamen zagen ze dat de hele stad vernietigt was, al hun herinneringen waren verwoest. Een dag of twee later kwamen ze aan bij het laboratorium van hun “oom” en vonden ze uit dat zijn lab ook getroffen was, Oom Jan was nergens te vinden. De twee waren radeloos en moesten een nieuw onderkomen vinden om te overleven in deze dodelijke bergen. Zonder te weten waar heen te gaan gingen ze verder en hoopten op het beste.

Onderweg naar de nieuwe Ik

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Een harde klap voel ik tegen mijn rug en daar lig ik dan. Languit lig ik op de grond in de schoolgang, want de pestkoppen hebben weer toegeslagen. Waarom doe ik dan niks terug? Ik blijf gewoon hopen dat het vanzelf ophoudt, maar ik weet maar al te goed dat dat niet gaat gebeuren. Ik hoor nog een paar klappen en dan hoor ik langzaam het geluid wegebben. Zijn ze weg? Net als ik besluit op te staan van de vloer voel ik een warme hand om mijn arm heen. ‘Laat m-me los’ piep ik, maar ik weet dat ik geen kans maak tegen hen. ‘Het is oké, ze zijn weg’ zegt een warme stem. Ik open mijn ogen, die ik de hele tijd hard had dichtgedrukt vol hoop dat het een droom was. Ik kijk recht in twee blauwe ogen en ik kan het niet laten om te gaan glimlachen. ‘Gaat het een beetje?’ zei hij terwijl hij een plukje van mijn bruine haar terug achter mijn oor deed ‘Je was hard geduwd, ik was net te laat anders had ik ze kunnen stoppen, het spijt me.’ Hij trekt me aan mijn arm omhoog tot ik weer netjes op mijn twee benen sta. ‘Bedankt’ zeg ik alleen maar, terwijl onze blikken weer kruisen. Ik zie hoe bezorgd hij kijkt en ik wend mijn blik snel af. Ik raap mijn tas op die ook op de grond was gevallen en steek mijn hand op als groet. Snel loop ik van de jongen met de prachtige blauwe kijkers weg en loop richting de wc’tjes. Ik bekijk mezelf in de spiegel en het enige wat ik zie is een lelijk monster met bruin haar en blauwe ogen. Er wordt zachtjes geklopt op de toiletdeur voordat er iemand binnenkomt. Ik toon geen aandacht voor de opengaande deur en mijn blik blijft hangen op de spiegel. ‘Je was je etui vergeten’ zei een zachte jongensstem. Wacht, huh, jongensstem dit is het meisjestoilet?! ‘Wat doe jij hier, dit is het meisjestoilet!’ schreeuwde ik terwijl ik me langzaam omdraaide naar de jongen. Mijn geïrriteerde blik maakte snel plaats voor een verbaasde. Het was de jongen die me hielp toen ik was geduwd, wat doet hij hier nou? ‘Waar is mijn etui dan?’ vroeg ik met een speels toontje kijkend naar zijn handen die duidelijk geen etui vasthielden. ‘Dat was gewoon een smoes om je nog even te zien.’ Ik schrok van zijn antwoord, maar al snel daarna verscheen er een rode blos op mijn wangen. Een grijns vormde zich op zijn gezicht en ik kon niets anders dan mijn tong uitsteken. Tot ik me bedacht dat we nog steeds op de wc waren. ‘Uhm misschien moeten we maar naar buiten’ grinnikte ik terwijl ik hem uit de wc duwde en zelf achter hem aanliep. ‘Hoe heet je?’ ‘Casy’ ‘Hoe heet jij dan jongen met de mooie ogen?’ Ik sloeg snel mijn handen voor mijn mond. Waarom moest ik dat nou zeggen? Die speelse grijns kwam weer terug op zijn gezicht en hij zei ‘Ik ben Mike en ik ga jou helpen op te komen voor je zelf, het wordt een hele reis’ ‘maar die gaan we samen maken en het wordt geweldig dat beloof ik je’ zei hij er snel achterna terwijl hij mijn hand pakte en er een klein kusje op drukte. ‘Dus accepteer je mijn hulp of blijf je me maar zo raar aangapen?’ ‘Ik doe het!’ riep ik net iets te hard. ‘Mooi.’
Dat was het begin van mijn transformatie, mijn reis, naja onze reis, ik was onderweg om te veranderen. Onderweg om op te leren komen voor mezelf en die pestkoppen een poepie te laten ruiken! Eerst gingen we naar de stad om nieuwe kleding te kopen zodat ik er wat meer bij paste qua kleding. Daarna gingen we verder met mijn haar. Mooi bijgeknipt bij de kapper en een gewaagd kleurtje erin zodat ik lekker zou opvallen. Toen we naar de bios wilde lopen om even te pauzeren pakte Mike opeens mijn hand en trok me naar hem toe. Hij kwam gevaarlijk dicht bij mijn gezicht en ik bereidde mezelf voor op wat zal komen. ‘Je doet het geweldig’ was het enige wat ik hoorde en toen trok hij zijn hoofd weer terug en ik kreeg niet de kus waar ik naar verlangde.
Snel trok ik mijn nieuwe schoenen aan die ik gisteren met Mike had gekocht. Vandaag word de eerste dag van de nieuwe ik, de nieuwe Casy. Ik gun mezelf nog één blik in de spiegel en loop dan de deur uit om mijn fiets te pakken. Vandaag had ik afgesproken om met Mike te fietsen naar school waar ik mijn nieuwe look zou showen, wat was hij trots op mij. Hij heeft me deze afgelopen maanden echt geholpen met mijn zelfvertrouwen en hij had een plaatsje gekregen en verdiend in mijn hart.
School was in één woord geweldig, iedereen haatte mijn nieuwe look en vond dat ik overdreef, maar Mike heeft me eindelijk mee uit gevraagd! Het maakt me niks meer uit wat anderen nu nog van mij vinden alles is helemaal goed gegaan. De reis naar mijn doel was ook echt super. Samen met Mike heb ik deze reis kunnen beleven en ik weet zeker dat er meer zullen volgen.
Ik voel een warme hand om mijn arm. Het doet me denken aan de ontmoeting van mij en Mike. Hij trekt me naar zich toe en komt met zijn gezicht verdacht dicht bij de mijne. Hij sluit zijn ogen en ik volg zijn voorbeeld. Langzaam drukt hij zijn lippen op de mijne en ik voel vuurwerk overal. De kus wordt helaas onderbroken door het schelle geluid van de schoolbel. Onderweg naar de klas loop ik hand in hand met Mike. Wij zijn onderweg naar een gelukkig leven. Samen.

Herinner het heden en verleden

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

Soms wil ik weg. Weg van mijn verleden. Weg van mijn toekomst. Weg van verantwoordelijk. Weg van mijn problemen. Weg van me zelf. Ken je het gevoel dat niets mee zit. Dat je stikt in je eigen gedachten. Dat je weg wilt rennen tot je niet meer kan. Dat gevoel heb ik nu. Ik zit op een bankje in een park voor centraalstation. Naast mijn bevind zich een vol levende boom. Waarvan de kleine blaadjes van af vielen. Ik zit hier graag om dingen te vergeten. Maar vandaag ben ik hier voor iets anders. Vandaag ben ik hier om een besluit te nemen of ik echt weg wil. Eigelijk wat valt er te kiezen. Mijn ouders vechten al dagen. Ik ben enigs kind en heb geen vrienden. Niemand zal mij missen. Wat heb ik dan te verliezen. Dus besloot ik om weg te gaan. Maar net voordat ik wou opstaan. Ging er iemand naast me zitten. Het was een jongen. Hij had bruin kort haar, blauwe ogen en zwarten kleren. Hij keek voor zich uit en zei
,hoelang er ook duisternis is er zal altijd een zon zijn om het weer licht te maken’
Hij draaide zich om en stak zijn hand naar mij uit.
,Wie ben jij’. zie ik
,Ik ben een vergeten kind die de zelfde wensen had als jij’
,En als je me hand geeft laat ik het leven zien’
,Hoe weet ik of ik je kan vertrouwen’
,Dat weet je niet maar wat had je te verliezen’
Dus pakte ik zijn hand.
,Ik wil dat je je ogen dicht doet’
,En alles laat gaan’
,Waneer je dit heb gedaan mag je je ogen weer open doen’
,Oké’
,Doe dan maar je ogen open’
We waren niet meer in het park. Maar in een vierkante kamer met geen ramen. Rechts van me lag een matras met een deken. Links van me zat een meisje te huilen. Zet had haar knieën voor haar gezicht en zat te bibberen.
,Waar zijn we?.
,Mexico’
De jongen hing tegen de muur aan. En deed of er niets aan de had was.
,Wie is dat?’
Maar voordat ik antwoord kon krijgen. Hoorde ik opeens stemmen dicht bij komen. De deur achter me ging met een zwaai open. Er stonden twee mannen in de deuropening.
,Hey Ella, dit is je nieuw speelkameraad’
Het meisje begon harden te huilen.
,Ik wil niet meer alsjeblieft laat me gaan’
Een van de mannen liep naar haar toe. Het meisje kroop naar de muur en probeerde weg te komen. Ik kon het niet langer tegen. Ik rende naar de man toe en ging voor hem staan. Zodat hij niet verder kon. Maar hij stopte niet, hij ging dwars door mij heen. Alsof ik rook was.
,Waarom kan hij me niet zien?’ Vroeg ik geschrokken aan de jongen
,Dat komt omdat je hier niet echt bent’
,Wat’
,Maar ik moet haar helpen’
,We moeten maar eens gaan’
,We kunnen haar toch niet achter laten’
Maar voordat ik het wist had hij mijn hand vast gepakt en waren we weg. Alles werd wit om mij heen. Maar diep ik de verte hoorde ik het gegil van het meisje.
,Waar gaan we nu naar toe?’
,Rio’
De witte lucht veranderde weer in kleur. En werd door een afschuwelijke lucht omringt. We stonden op èèn van de grote bergen afval. Beneden ons bevond zich een jongen. Zijn kleren zaten vol gaten en vuil. Hij had een kleine tas bij hem liggen. Waar hij af en toe iets in stopte. Ik wou een stukje naar beneden lopen. Maar de jongen hield me tegen en wees naar een groepje jongens. Die naar de jongen liep. Ze duwde hem op de grond en pakte zijn tas af. Ik kon niet horen wat ze zeiden. Maar ik wist dat het niet iets aardig was. En toen begon het echte drama. De jongen werd door de anderen jongens in elkaar geslagen. Hij gilde van de pijn.
‚Ik kan hem zeker ook niet helpen?’
,Nee sorry’
,Waarom laat je me dit zien’
,Ik wil dat je bewust van word dat het altijd nog erger kan’
,Deze twee kinderen hebben niets meer’
,En jij wilt al bij de eerste tegenslag opgeven’
,Deze kinderen moeten vechten voor hun leven’
,Waar dat maakt voor hun al niet meer uit’
,Waarom niet’
,Ze bestaan al niet meer’
Alles werd weer wit. En er kwamen twee mensen achter de jongen staan. Het waren de twee kinderen maar dan ouder.
,Alles wat is je net liet zien is 10 jaar geleden gebeurt’
,Dus daarom kom ik ze niet helpen’
Hij knikte. En toen waren we weer terug in het park.
,Dus wat ga je nu kiezen’
,wat zou jij kiezen’
,Ik ga niet zeggen wat je moet doen’
,Maar ik kan je wel advies geven’
,Je kunt nu weg gaan. Alles achter je laten en je nergens zorgen over maken’
,Maar je kunt ook blijven. Je kunt je problemen onder ogen komen, met je ouders praten, je openstellen van nieuwe dingen en alles zou beter kunnen worden.
,belooft’ zei ik
Hij keek me lachent aan.
,belooft’

On the road

Posted on: februari 13th, 2015 by Scholieren

“Mam!” Gestrest roep ik naar boven, “ben je nou nog niet klaar?”
“Jaja, ik kom eraan, alleen nog één dingetje inpakken, ik moet zeker weten dat ik alles mee neem lieverd.”
Ik ren naar boven en zie de tassen van mijn moeder nog open op haar bed liggen. Ik rits ze snel dicht en loop naar beneden, net op dat moment komt mijn moeder met de föhn aangelopen.
“Deze moet er nog snel in prinsesje van me, dan kunnen we echt gaan.” Ze kijkt me aan met haar liefste glimlach.
“Oké dan, geef hier.” Ik duw de föhn nog ergens in een van de tassen en loop naar beneden. “Ik leg dit in de auto en ik ga ook alvast zitten, doe jij zo alle deuren op slot?”
“Natuurlijk liefje, is goed, ik ben er over vijf minuten!”
Ik loop naar de auto en voel me een pakezel, maar wel een blije pakezel. Over een paar minuten zijn we onderweg naar Schiphol, een weekje weg met mijn moeder naar New York. Ze wilde wat tijd samen, om onze band te versterken. Ik zie dat mijn moeder aan komt lopen en kan het niet laten stiekem op mijn horloge te kijken, die paar minuten zijn een half uur geworden, maar ik zeur er niet over, ik wil de sfeer niet verpesten.
Ik sluit mijn mobiel aan met de auto via de bluetooth en start mijn Spotify op. Ik kies een bijpassende afspeellijst, on the road, daar luisteren we de rest van de weg naar.

We staan dik in de file vlak bij Amsterdam, maar we zijn op tijd vertrokken dus ik maak me geen zorgen. Mijn moeder is helaas wel gestrest en ze wordt er echt niet leuker op.
Ik probeer haar te kalmeren maar het lukt helaas niet.
“Mam rustig nou, we zijn ruim van tevoren vertrokken.”
“Weet ik wel, maar ik wil gewoon niet in de file staan, punt uit.”
“We moeten toch bij Schiphol komen,” probeer ik, maar ik weet dat mijn moeder haar besluit al heeft genomen. Ik moet het haar wel nageven, het is warm, de zon schijnt fel en ik voel het asfalt onder de auto warmte afstoten, het is niet het beste weer om in de file te staan.
“Als ik nou een klein stukje over de vluchtstrook rijd om bij de volgende afslag te komen?”
“Mama, dat mag niet!”
“Weet ik, weet ik. Maar het is maar tweehonderd meter,” ik weet dat ik deze discussie eigenlijk al heb verloren.
“Oké dan, maar wel snel hé?”
“Natuurlijk schattebout van me.”
Mijn moeder slaat af zonder richting aan te geven, nu zitten we in de dode hoek van de vrachtwagen voor ons. Mijn moeder wil net gas geven als de vrachtwagen ook besluit om op de vluchtstrook te gaan rijden. Wat er daarna gebeurt gaat heel snel.
Mijn moeder geeft een harde gil, zodra ik zie waarom gil ik mee. Ze probeert nog voor de vrachtwagen uit te rijden, als ze inziet dat het niet lukt wil ze nog remmen. Ze heeft alles geprobeerd, maar het lukt haar niet. Voor we het weten worden we door de vrachtwagen geplet en de vangrails in gereden. Ik hoor hoe onze Renault als een blikje in elkaar wordt geduwd. Dan wordt alles zwart.
Ik weet niet hoelang ik weg ben, maar het eerste wat ik weer weet is dat ik wakker word in een ambulance. Ik voel naalden in mijn armen steken en ik heb barstende hoofdpijn. Ik kijk naar mijn benen en zie dat ze mijn broek opengeknipt hebben, ik schrik als ik zie dat mijn benen opgezwollen en paars zijn. Ik probeer me te herinneren wat er is gebeurd, maar als ik terug denk hoor ik mijn moeder en mezelf gillen en daarna wordt het meteen zwart.
“Waar is mijn moeder?” De woorden komen raar mijn mond uit, en ik zie nu pas dat ik aan de beademing lig.
Gelukkig heeft de ambulancebroeder het verstaan.
“Je moeder ligt in de andere ambulance, voor ons, over een minuutje of vijf zijn we bij het ziekenhuis en leg ik je alles uit, beloofd.”
Ik ben enigszins gerustgesteld en glimlach dankbaar naar de man.

In het ziekenhuis wordt alles tot in de details uitgelegd. Ze vertellen wat voor klap we hebben gehad en hoe de vrachtwagen op onze auto is gevallen. Aan mij vertellen ze waar alle infusen voor zijn die overal in mijn armen zitten. Ook leggen ze me uit dat ik zo’n klap heb gehad op mijn ribbenkast dat mijn longen nog hulp nodig hebben om op te starten. Daarom lig ik aan de beademing, ik steek mijn duim op als teken dat ik het begrijp.
Als ik en mijn moeder allebei enigszins opgelapt zijn en naast elkaar op de ziekenhuiskamer liggen hoor ik mijn moeder iets zeggen. “Deze heb je nog van mij tegoed liefje. Volgende keer kies jij waar we naartoe gaan. En dan zal ik naar jou luisteren hoe we moeten rijden.”
Ik kijk naar mijn moeder en lach, ik weet dat ze zich schuldig voelt, en ik snap het. Ik zou iets tegen haar willen zeggen, maar mijn longen willen nog niet. Ik knik in haar richting en beweeg mijn hand naar mijn hart, om te zeggen dat het goed is en dat ik van haar houd.
Als ik terug draai op mijn rug en naar het plafond staar moet ik glimlachen. Ik ben blij dat het goed met mijn moeder gaat.
Daarna is het stil, ik hoor mijn moeder zachtjes in slaap vallen, haar ademhaling gaat steeds gelijkmatiger. Na vijf minuten hoor ik mijn moeder zachtjes snurken.
Mijn ogen beginnen ook moe te worden, ik sluit ze en luister naar de radio die zacht aanstaat. Vlak voor ik in slaap val hoor ik een bekend liedje op de radio. Ik hoef er niet lang over na te denken, dit liedje stond ook in mijn afspeellijst, on the road.

gewoon weg

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Gewoon weg.

“Het zal wel!” roep ik over het schoolplein en ik vlucht weg achter de school. Iedereen staat daar naar de plek waar het net plaats vond. Wat er net plaats vond, wil je dat echt weten? Hetzelfde als alle andere dagen; ik word er niet goed van. Dat gepest steeds, waarom doen ze dat? Ze weten toch dat ik het niet leuk vind. Dan verschijnt Juno.
“Leuk gesprek met jezelf?” zegt Juno. Ze lacht hard en gemeen.
“Wat zijn we weer grappig,” zeg ik stoer. Mijn stem vertelt een ander verhaal.
“Ja leuk hè, vind jij dat dan niet?” Een stilte volgt. Ik sla mijn ogen neer.
“Ach, wat zielig. Nou, doei Tes,” zegt Juno zachtjes, vriendelijk.

Wat kan ik nou doen? Afwachten? Verdwijnen? Uit het niets spring ik over het hek. Ik begin te rennen, zo hard als ik kan. Waar heen weet ik nog niet. Alles om mij heen vervaagt, geluiden verstommen. Ik ren. Ik stop, draai me om, kijk naar het plein.

Als de meester met Dave – de leukste jongen van de school – achter de school gaat kijken, zien ze me niet. Natuurlijk niet.
“Daar is ze altijd, maar nu niet meer!” Dave wijst naar een kleine opening in het bosje. Zijn stoere leren jack schittert in het zonlicht. Een gouden armband komt voorzichtig uit zijn mouw. Ik zie een klein bedeltje.
“O, nee toch,” zegt de meester, “hoe ga ik dit uitleggen aan haar ouders?”
“Uh… Beste meneer en mevrouw De Wit. Door pesterijen is uw dochter weggelopen en we konden haar niet vinden,” zegt Dave.
“Gewoon recht in hun face,” zegt Tim. Nieuwsgierig kijkt hij naar de lege ruimte. Mijn ruimte.

Ik ren, opnieuw. Ik zoek mijn weg, ontdek de bibliotheek. Ik stop, ik kijk, ik zoek. Mijn benen nemen mij weer mee; het weiland aan de rand van het dorp. Ik ben nu al zo’n uurtje onderweg, waarheen weet ik nog niet. Een klein beetje weet ik al wel. Weg van de pesterijen, gewoon weg. Dan zie ik een boom staan, ik begin te klimmen. Mijn herinneringen klimmen mee.

Het begon allemaal in groep zes. Ik was nieuw, ik vond direct al een paar vrienden , maar helaas vonden de vijanden mij. Ik hield veel van lopen en lezen. Zij niet. Lopen was stom, lezen ook. Ze begonnen met mijn boek af te pakken en daarna in de sloot te gooien. Maar dat was niet genoeg. Nee; geweld: dat was de oplossing. Op het schoolplein iedereen zag het, niemand deed er wat aan. Juffen, meesters, klasgenootjes, vriendinnen: Iedereen keek. Juno was de ergste.

Voorzichtig klim ik naar de top van de boom, draai me direct om. Voorzichtig spring ik op de grond. Dan begin ik weer te lopen naar de school. Iedereen is al binnen, heel stil ga ik naar het dak. Zal ik het doen? Ja of nee. Ik voel hoe de wind langs mijn broek giert. Mijn blonde haren wapperen langs mijn wangen. Langzaam schuifel ik naar het randje. De richel, bedekt met een klein laagje mos. Dan komt mijn klas naar buiten. Ik zie de angst. Gezichten trekken wit weg.
“Waarom?” roept de meester, “voor alles is een oplossing!” Ik twijfel, schuifel naar achteren, stap naar voren. Dan zie ik hem, de angst in zijn ogen. Ik loop naar de andere kant van het dak en klim via de brandladder naar beneden. Negentien, achttien, zeventien, nog zestien treden te gaan. Dan voel ik iets scherps in mijn zij.
“Dit is voor jou,” zegt Juno.
“Moet je maar niet met hem om gaan.”
“Met wie?” vraag ik zacht. Mijn zicht vervaagt, Juno’s blik verliest haar scherpe contouren. Ik zak weg. Achter Juno verschijnt een gedaante, een jongen. Een donkere kleur weerkaatst zonlicht, gouden flitsen bereiken mijn ogen. Mijn hart begint sneller te kloppen.
“Wat heb je gedaan?” hoor ik zacht. In mijn hoofd ben ik kies ik het pad terug. Terug naar de rand van het dak. Ik wil springen, nu wel echt. Onderweg naar de dood was ik. Weg van de vele pesterijen. Gewoon weg.

ik loop.

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Ik loop over een nieuw geasfalteerde weg. Zo nu en dan een boom en voor de rest grasveld, akkers om me heen. Ik loop naar de horizon, naar het einde van die weg, waar geen einde aan lijkt te komen. Ik loop naar de gedachten waar ieder mens over fantaseert, filosofeert, droomt. Ik loop naar dat geen wat ik probeer te definiëren. Ik loop naar dat wat komt na nu. Er fiets een man voorbij op een racefiets. Vroeger wou ik altijd heel graag een racefiets, ik mocht die van mijn vader hebben maar ik durfde nooit te oefenen om te kunnen fietsen op een racefiets. Ik loop verder naar de zon. Ik loop naar het einde van het begin. In de verte zie ik iets staan, een groot, lelijk gebouw. Ik loop als een legopoppetje door terwijl bomen langs me gaan, lantaarnpalen langs me gaan. Ik kom in de buurt van het gebouw langs die oneindig lange weg, en ik ruik een geur van Zwitsal, van babybillenzalf. Waarschijnlijk wordt dat hier gemaakt. Toen ik een jaar of 4 was klom ik vaak uit mijn bed en was een vrij rebels kind. Ik deed dat stiekem en mijn ouders hadden niks door omdat ik er optijd als een soort aapje weer inklom tot het moment dat mijn ouders precies dezelfde geur roken als ik nu. Elke avond klom ik op het rode, glimmende kastje wat naast mijn bedje stond als mijn moeder mij een verhaaltje vertelde, dat moest zij dan zelf bedenken want voorlezen was te mainstream. Terwijl ik dan op het rode kastje zat was ik eigenlijk bezig met andere dingen doen, ik zat overal aan maar luisterde wel goed, ik luisterde zelfs zo goed dat ik tijdens mijn boekbespreking het boek wat mijn moeder wel mocht voorlezen uit mijn hoofd kende, ik kon helemaal niet lezen maar kende het verhaal uit mijn hoofd door de vele malen dat mijn moeder dat verhaaltje voorlas en kon het hierdoor ‘voorlezen’. Slim. Op dat kastje zat ik dan dus. Het had diepe lades, staat overigens nog steeds in huis. De avond dat mijn ouders de geur roken als ik nu had ik de babybillenzalf gepakt nadat ik uit mijn bed geklommen was, blijkbaar was ik de spanning van het-uit-bed-klimmen beu en ik smeerde het volledige, rode kastje in met witte babybillenzalf, die geur en die kleur. Wit. Inmiddels is de fabriek al ver achter me. Ik vertel mezelf dit keer een verhaal. Ik vertel mezelf waar ik heen ga. Ik loop naar dat applaus wat je krijgt nadat de voorstelling gespeeld is, die op dit moment nog niet eens bestaat. Ik loop naar die tonen, die klanken die nog niet gemaakt zijn. Ik loop naar de zenuwen voor een sollicitatiegesprek, terwijl er nog geen facturen is. Ik ben onderweg naar dat wat God al weet wat komen gaat. Ik loop naar het begin van het einde. Ik loop naar de dood. Naar mijn 20e, 50e en 69e verjaardag. Ik loop naar iets wat ik niet weet. Ik loop over een uitgestippelde lijn waar ik geen weet van heb. Ik loop naar iets waarvan ik weet dat het komen gaat maar niet weet wat het is of inhoud. Ik ben onderweg en ik loop. Ik loop naar de waarheid, naar het echte. Ik loop naar mijn studie. Ik loop naar de evolutie-executie. Ik loop naar het einde van dit verdwaalverhaal. Ik loop naar de hemelwinter. Naar de fietstocht die ik over een paar maanden ga maken. Naar het concert van mijn favoriete band ‘de jeugd van tegenwoordig’ . Ik loop. Ik loop naar de toekomst.

verloren

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Verloren.
Ik ga dood. Dat weet ik nu al een tijdje. Ik ben Emmy, veertien jaar en ik ga dood. Aan kanker. Ik ben ziek, ernstig ziek. Twee jaar lang ben ik behandeld, nu werkt het niet meer. De cellen in mijn lichaam hebben van mij gewonnen. Toen ik net op de middelbare school zat, werd ik heel snel moe, was nooit fit en sliep elke avond al om zeven uur. Met mijn ouders ben ik naar de dokter geweest en wat bleek? Ik had de ergste ziekte die er bestaat. Kanker. Lekker begin van het jaar. Het bleek goed te komen, maar niet dus. Het ging steeds slechter. Die rotziekte won het van me. Ik ben verslagen.
Daar lig ik dan in het ziekenhuisbed. Moe, niet wetend wanneer hier een einde aan komt. Mijn ouders zitten naast mij, de zuster gaat water voor me halen. Ik ben namelijk kotsmisselijk. Waarom ik? Waarom moet uitgerekend ik aan deze ziekte lijden. Ik zie er niet uit. Spierwit, dikke wallen onder mijn ogen. Met mijn hand strijk ik over mijn kale, koude hoofd. Kaal. Langzamerhand zag ik mijn mooie blonde haren op de grond vallen. Mensen waren altijd jaloers op mijn haren.
‘Wil je ruilen van haren?’ Ik moest er altijd om lachen. Nu niet meer. Ik kijk naar buiten. De zon straalt, de lucht is mooi helder. De zuster komt terug met een glas water.
‘Dankjewel!’ Mijn stem, zachtjes, krachteloos. De zuster heet Nienke. Zij heeft me vanaf het begin altijd geholpen met de moeilijke tijden. Mij, maar mijn ouders ook. Ik heb ze nog nooit zo zien zitten, samen. Mijn moeder heeft grote wallen onder haar ogen, mijn vader kleurt grijs. Ik wil dat ze thuis gaan, rusten. Ik wil dat ze bij me blijven. Elke minuut, de spannendste minuut van mijn leven. Mijn toekomst, zo zeker. De lengte ervan, onzeker. Het maakt me bang. Het liefst wil ik nu heel erg veel huilen en mijn ouders goed vasthouden, maar daar wordt het alleen moeilijker van. Ik wil die kanker vergeten. Ik denk aan het liedje dat mijn opa mij vroeger leerde, ‘Mieke heeft een Lammetje’. Ik was vijf en vond het geweldig!
Ik denk aan mijn opa. Hoe we samen sneeuwballen naar elkaar gooiden, hoe we elkaar nat spoten in de zomer. Het was fantastisch! Toch schiet K weer in mijn hoofd. Een duiveltje in mijn hoofd dat steeds zegt: ‘ Emmy je gaat zo dood’. Ik krijg het telkens weer benauwd als ik het me realiseer. Emmy je gaat dood, Emmy je gaat dood, Emmy je….. ik word er gek van!
De dagen erna gaan precies hetzelfde, maar toch lijkt het alsof de lucht steeds helderder wordt, de zon nog feller schijnt en ik steeds witter word. Mijn armen worden zwaarder, mijn benen willen niet meer. Mijn spieren kreunen bij elke beweging. Mijn oogleden zakken elke dag een stukje verder. Steeds meer dokteren komen kijken hoe het gaat, mijn bed staat vol met knuffels. Ik heb om precies te zijn vijf fruitmanden, drie teddyberen, negen andere knuffels en 63 kaarten. Waardevol. Toch heb ik me nog nooit zo slecht gevoeld als vandaag. Ik heb precies dertien keer gespuugd en ik heb 43,5 graden koorts. Het wordt licht in mijn hoofd en het wordt nog erger als ik me realiseer dat het elk moment kan gebeuren. Mijn oogleden woorden nog zwaarder en mijn ogen doen pijn, maar het lukt me niet ze nog open te doen. Ik wil schreeuwen, gillen, ik wil bidden om een goed plekje in de hemel, maar het is te laat. Mijn lichaam wordt zwak, ik word duizelig van het felle licht.
‘Er staan engelen in mijn kamer,’ zeg ik, maar niemand kan me meer horen. Ik zie mezelf liggen wanneer ik naar boven zweef. Mijn bleke huid, mijn bolle ogen en mijn ouders die merken dat ik er niet meer ben. Ze huilen heel hard en roepen mijn naam. Ik schreeuw terug, natuurlijk horen ze het niet. Ik zie Nienke, als ik de kans nog had, had ik haar bedankt. Ik had gewoon willen zeggen dat ik het zo lief van haar vindt wat ze heeft gedaan voor mijn familie en mij. Ik hoor zingende engelen om me heen. Ik zwem met de stroomversnelling mee, kan niet terug, de stroming is te sterk. Ik weet dat het over is en ik mijn familie nooit meer zal zien. Ik zal ze missen allemaal, maar vooral mijn ouders en Nienke. Dag allemaal, denk aan mij, want ik zal ook aan jullie denken.

Geschreven door: Rosan Dunnink, 13 jaar en zit op Dingstede Meppel

Weer onderweg naar het betere.

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Ze keek haar aan, zoals ze altijd deed met haar grote blauwe ogen. Het was liefde op het eerste gezicht en het is het mooiste wat er is. Althans, dat zegt men.

Ze hoorde haar moeder haar vader roepen. Maar niet zoals normaal, het was een andere intonatie in haar stem. Het was de angst die in haar stem zat, terwijl ze riep. Ze werd wakker en rende naar de slaapkamer van haar ouders. Bij de eerste kreet die haar moeder maakte wist ze het al, maar toen ze er heen rende en langs het bed heen en weer rende en ondertussen heel hard begon te gillen, wist ze het zeker; Pappa is dood.

Ze keek haar aan, weer met die prachtige blauwe ogen. Maar nu was het geen liefde op het eerste gezicht en het was ook verre weg van het mooiste wat er is.

Stil mam, zei ze. Wacht nog even, ik moet nog even dit doen, ik moet nog even dit aanraken. Ja mam, ik ben bijna klaar. Wacht nog heel even. Als je nu gewoon stil bent, dan is het sneller klaar hoor, zei ze geïrriteerd tegen haar moeder. Al was ‘even’ gewoon een woord om alles minder heftig te laten lijken. En duurde alles veel en veel langer als even, toch hoopte ze elke keer weer dat ‘even’ een soort van magisch woord zou zijn en dat alles echt maar even duurde. Het gebeurde niet. Hoe hard ze ook hoopte.

Ze had de mooist blauwe ogen, waarmee ze weer haar aankeek. Zelfs met tranen waren ze nog mooi. Zelfs bijna nog mooier, nu pas zag je wat voor emotie er in haar ogen zat.

Mam, mam, mam, toe nou, alsjeblieft. Haar ogen rood doorlopen van de tranen, belde ze haar moeder op. Mam, toe nou, neem op. Mam, ik ben zo bang. Je moet naar huis komen, mam, mam. Terwijl haar moeder aan het werk was kwam ze toch naar huis. Ze troostte haar, maar kon de angst niet wegnemen. Hoe graag ze dat misschien ook zou willen. Mam, ik wil niet meer bang zijn. Waarom ben ik zo bang? Zei ze. Stil maar, lief. Stil maar, lief. En ze suste haar dochter totdat ze weer wat rustiger werd.

Ze keek haar aan met die ongelooflijke ogen van haar, die mooie blauwe ogen. Ze glimlachte af en toe. Glimlachen, lachen kon ze nog niet. Maar glimlachen is al een begin.

Unterwegs

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Unterwegs

Ik word wakker doordat de trein heen en weer schudt. Er leunt een kinderlichaam tegen me aan, het is zwaar en koud. Ik kijk naar zijn gezichtje en zie dat het mijn broertje Dirk is. Hij is dood. ‘Mama!!’ schreeuw ik. Iedereen in de wagon wordt wakker. Ik probeer om me heen te kijken, maar ik kan moeder niet zien. Ik wil haar weer roepen maar ik durf niet, want er staan minstens zeventig mensen in de wagon die allemaal mijn kant op kijken. Voordat ik het zelf doe, schreeuwt mijn moeder mijn naam al: ‘Rebecca!’ Het komt van achter me. Ik wil me omdraaien maar het is te krap, dus begin ik te huilen. Ik hou Dirk strak tegen me aan en druk mijn gezicht in zijn donkere haar. Ik wil aan mooie dingen denken. Aan vroeger. Aan de dag toen ik zeven werd en mijn kat Moortje kreeg. Haar mis ik misschien wel het meest. Ik heb Moortje al anderhalf jaar niet meer gezien. Ook mis ik de tijd dat ik met mijn vriendinnen buiten kon spelen zonder een ster op mijn kleren gespeld. Ik wou dat mijn familie niet joods was. Dan had mijn vader nog geleefd, en ook mijn broertje. Nu staan ik en mijn moeder er alleen voor.
Ik schrik op uit mijn gedachte als de trein een flinke schok maakt. Kinderen beginnen te snikken, ouders fluisteren geruststellende woordjes. Ik hoor mijn moeder weer. De mensen worden nog dichter op elkaar gedrukt en nu kan ik mijn moeder eindelijk zien. Ik ben moe van het rechtop staan, mijn voeten doen pijn en ik ben misselijk van de geuren die zich in de drie dagen hebben verspreid. De wagon ruikt naar kots en uitwerpselen, zweet en slechte adem. Ik voel me uitgeput en weet niet wat ik moet doen. Als ik naar Dirk kijk, begin ik nog harder te huilen. Ik duw mensen opzij en probeer naar mijn moeder te komen. Ik zie dat mama het zelfde probeert. Ik houd mijn broertje nog steeds stevig vast. Ondertussen heb ik de zijkant van de wagon bereikt en ik voel de frisse lucht door een kier uit de houten wand komen ik steek mijn neus door de spleet en adem heel diep in. Dat maakt me wat rustiger. Ik voel een hand op mijn schouder. Als ik mijn hoofd omdraai, zie ik dat het mama is. ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt ze. Haar blik gaat richting Dirk. Ze pakt hem vast en begint te huilen, de tranen stromen over haar wangen. Als een klein kind trek ik jammerend aan haar jurk. Ze slaat een arm om me heen. ‘Ik ben bang’ zeg ik. ‘Wat gaan ze met ons doen?’ vraag ik. ‘Weet ik niet’ zegt mama. ‘Probeer maar te slapen’.
Als ik wakker word, worden de deuren van de wagon opengetrokken. We zijn in Auschwitz. De soldaten halen de lijken uit de wagon. Ook mijn broertje. Mijn moeder schreeuwt, maar Dirk wordt ruw uit haar armen gerukt. Ik probeer mijn moeder te kalmeren. De soldaten roepen bevelen in een vreemde taal. Mannen en vrouwen worden van elkaar gescheiden. Mensen krijsen namen van hun geliefde. We worden naar een grote kamer gebracht, ik schrik als ik zie dat mensen worden kaal geschoren. Ik kijk mijn moeder angstig aan. Ze staart voor zich uit. Ik ben nu aan de beurt. Ik zie mijn twee vlechten op de grond vallen. Opnieuw worden we geselecteerd. Ik hoop dat we te eten krijgen want ik heb echt vreselijke honger. Gelukkig word ik samen met mijn moeder ingedeeld. We lopen naar een grote loods, als ik naar binnen kijk zie ik dat er allemaal douchekoppen aan het plafond hangen. ‘Mama gaan we douchen?’ vraag ik ‘ik hoop het, ik heb me echt al heel lang niet meer gewassen’ antwoord een meisje naast me. We doen onze kleren uit en de deur van de loods gaat dicht. Ik voel me niet op mijn gemak, zo in mijn nakie. Ergens in de ruimte valt er iemand opeens op de grond. Mensen beginnen te gillen.

Enge dood

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

De laatste lichamen worden opgeruimd, de slag om Athene is voorbij. Het Spartaanse leger maakt zich klaar om te vertrekken. Als ze eenmaal op de boot zijn, gaat het schip onderweg naar Sparta. S’ avonds vieren de soldaten op de boot feest, vanwege de overwinning in Athene. Maar dan, in het holst van de nacht, breekt de hel los. Golven zo hoog als de berg Olympus, bliksem en donder klinkt zo luid als niemand ooit heeft gehoord. Het schip schud, golven komen over de reling van het Spartaanse schip, alle soldaten liggen wakker. Opeens klinkt er een luid gekraak. Soldaten schreeuwen, het schip begint naar links te rollen. Er wordt overal geroepen: ,,We zinken, we zinken!’’ Alexander schrikt wakker. Hij loopt naar het dek en houdt zich vast aan de mast. Mannen vallen over boord, waarna ze door de duisternis opgeslokt worden. Alexander vreest voor zijn leven. Om de boot cirkelen een soort schimmen. Ze zeggen niks, maar Alexander ziet zijn maten worden meegenomen…
Opeens schrikt Andreas wakker. ,,Waar ben ik? Hoe ben ik hier beland?’’ vraagt hij aan zichzelf. Voor zich, ziet hij het stuk wat nog over is van het schip. ,,Maar, waar is de rest?’’ Zegt Andreas. Hij hoort een vaag geroep: ,,Is daar iemand? Hallo?’’ Andreas gaat erop af. Hij ziet een man liggen, aan zijn kleding te zien ook een Spartaan. ,,Wie ben jij?’’ Vraagt Andreas. De man zegt: ,,Ik ben Alexander, Spartaanse soldaat.’’ Zegt Alexander. Als de twee mannen het eiland hebben bekeken en elkaar een beetje hebben leren kennen, vraagt Alexander zich af: ,,Zijn wij de enige twee die nog over zijn?’’ Denkt hij. Het blijkt inderdaad dat Alexander en Andreas de enige twee overlevende zijn. Meer dan 40 mannen zijn weg, gewoon weg. Andreas zegt: ,,Blijkbaar, is het enige wat we nog hebben, elkaar.’’ Jammer genoeg moet Alexander daarin meegaan. Hij kan het nog steeds niet geloven. Er is een ramp gebeurd. Die nacht, droomt Andreas. Hij ziet schimmen voor zich, duisternis en de onderwereld. Andreas schrikt wakker. Hij wordt wakker van het geluid dat hij hoort. De lucht trekt dicht, vol met donkere wolken. Precies zoals Andreas gedroomd had. Andreas maakt Alexander wakker: ,,Alexander, kom snel kijken!’’ Alexander ziet de pikzwarte lucht en zegt tegen Andreas: ,,Snel, we bouwen een huisje!’’ Samen bouwen Alexander en Andreas van het wrakhout een kleine schuilplaats. Dan vallen ze allebei in een diepe slaap…
Als Alexander en Andreas wakker worden, zitten ze op een boot. Een boot precies zoals het Spartaanse schip, maar er staan geen mensen, maar een soort schimmen op het dek. Meteen trekt Alexander zich terug. Als de mannen al een tijdje in het ruim zitten, begint de boot te kantelen. Ze voelen dat hij harder gaat. Langzamerhand beginnen er gedachtes op te komen in Andreas’ hoofd. Hij ziet de beelden nog voor zich. Doden, golven, bliksem, donder en schimmen. Als de boot erger kantelt, rent Alexander het dek op, samen met Andreas. Hij vraagt: ,,Wat is dit, wat doe ik hier?’’ Een schim draait zich om en kijkt de mannen recht in de ogen. Alexander ’s nekharen beginnen overeind te staan, de schim zegt: ,,Je bent hier onderweg naar de onderwereld…

de bekende mannen

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Koen liep door het bos naar de het stadje waar hij woonde, Arenddel.
Arenddel is de rijkste stad van de hele de wereld. Maar Koen was niet rijk, hij woonde onder de grootste brug van de stad. Hij had geen ouders ook nooit gehad of in ieder geval nooit gekend. Hij heeft alles alleen moeten doen. Maar goed, terug naar het bos. Toen hij bijna bij Arenddel was dacht hij dat hij iets hoorde, een brekend takje of zo, dus keek hij achterom maar zag niets. Hij hoorde het nog een keer maar negeerde het geluid en liep verder . Toen hij bij Arenddel was aangekomen, moest hij langs de poortwachters maar dat is niet makkelijk. Gelukkig waren de poortwachters aan het slapen, wat een geluk! Hij kon er makkelijk langs dacht hij, maar dat was te vroeg gezegd want een poortwachter werd wakker. “Oh nee hè” dacht Koen.
De poortwachter rende achter hem aan maar de uitrusting van een poortwachter is best zwaar dus koen kon net aan ontsnappen.
Koen was thuis nou ja thuis kan het bijna niet noemen hij was meestal ergens anders dan onder de brug. Hij vroeg zich af waarom andere kinderen wel ouders hadden en hij niet maar toen hij aan het denken was gebeurde er iets onwaarschijnlijks er kwam een man naar hem toegerend en de man riep ” help me ze willen me pakken! Ze willen me pakken! ”.
Dat vond koen best raar want meestal kwam er niemand onder zijn brug, nou ja het was niet echt zijn brug maar zo noemde hij het.
De man rende weer weg er zaten mannen in witte pakken achter hem aan, heel lang geleden zag Koen ook mannen in witte pakken maar wat ze deden wist hij niet, hij had alleen maar herinneringen.
Omdat hij toch niets kon doen en de witpakken hem bekend voorkwamen besloot hij achter hun aan te rennen, gelukkig merkte de witpakken niet dat hij hun achtervolgde.
Het was heel stil je kon een speld horen vallen maar toen de witpakken onverwacht stopte zag Koen geen reden om te stoppen, maar toen zag koen het, een vliegend ding, een ovaal vliegend ding het ding kwam naar de grond de witpakken stapte in het grote vliegende ding.
Toen de witpakken er al een tijdje in waren besloot koen om er ook in te gaan, net toen koen instapte vloog het ding weg hij hoorde stemmen, die moeten vast van de witpakken zijn ze zijden iets als “wat moeten we doen met die man”
Toen zij iemand anders een beetje geërgerd “hij heeft ons gezien dus zorg dat ik hem nooit meer zie”. Koen hoorde voetstappen hij moest zich snel verstoppen maar het was al te laat iemand zag hem, de man die hem zag was duidelijk niet blij met de komst van koen, de man riep de witpakken. Koen wist meteen dat dit niets goeds kon betekenen, hij probeerde nog te ontsnappen maar het was al te laat de witpakken hadden hem al te pakken, koen hoorde die geërgerde stem weer de stem zij “wat is er nu weer aan de hand waarom vliegen we niet!” maar toen zag de man het al, een verstekeling.
de man sloeg koen heel hard, maar koen merkte het nauwelijks hij wou alleen maar naar huis nou ja brug. De man schreeuwde “hoe weet je van ons af!” maar voor dat koen antwoord kon geven stelde de man nog een vraag omdat koen geen antwoord kon geven werd de man heel boos, de man gooide zonder nadenken de enorme deur van het vliegende ding open en gooide koen naar beneden, de witpakken probeerde de boze man nog tegen te houden maar het was te laat koen viel…

onderweg naar de dood.

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Onderweg naar de dood.
Ik zit op mijn bed, tenminste dat denk ik. Beneden wordt er wat geschreeuwd, maar ik hoor het niet. Langzaam dwaal ik weg, en dacht terug aan vorige maand. Wat gebeurden er nou? Louisa zat weer wat te klieren maar ik zei niks. Ze schold me gewoon vol uit en ik zei er niks van. Rosa lachtte, maar ik liep weg. En nu zit ik hier, tenminste dat denk ik. Ik denk aan een dag na dat Louisa me had uitgescholden toen mijn moeder weer zeurde: waarom maak je je huiswerk niet? Toen ze dat zei zuchtte ik diep. Ik probeer weer te zuchten maar het lukte niet. Langzaam stond ik op en keek uit het raam. Ik zag mijn huis voor me, zwarte, donkere en grijze kleuren. Dat zegt vast niks goeds. Ik dacht terug aan 3 weken geleden toen Leroy mij vroeg. Hij zei: “lieve anne wil je met mij’’. Ik zuchtte diep en liep snel weg en schreeuwde “nee”terug en liep huilend naar huis. Wat had ik gedaan ik vond hem gewoon leuk. Maar het is telaat ik heb hem heel hard afgewezen. Wat had ik gedaan. “Anne wat doe je nou weer?” riep Louisa vorige week. Ze moet echt haar bek houden waar bemoeid ze zich mee? Misschien ben ik wel gewoon een raar kind dacht ik toen in mezelf. En ik liep weer is weg. Maar iets in mijn hoofd zei dat het niet klopt wat ik doe, dat ik niet mezelf ben. Ik denk weer terug aan de dagen erna. Ik voelde me klein en de wereld leek zo groot. Mijn cijfers waren vieren en niets dat het me deed. En nu zit ik hier op mijn bed, in een koude kamer, helemaal alleen. Ik begin nu na te denken wat ik deze week heb gedaan. Maandag uit school mijn fiets was gesloopt, zeker weer door Louisa en Rosa. Ik trok me er niks van aan en gingen lopend naar huis. Thuis waar ik mijn boeken voor de haard had gelegd, het kaftpapier er afgescheurd, dacht ik diep in mezelf: “waarom liep je weg was naar de concierge gegaan” Ach ja, te laat. En ik zuchtte diep. Langzaam viel ik in slaap op de bank voor de haard. Vandaag is het dinsdag en ik besef niet wat ik heb gedaan. “Anne je bent er niet meer” die stem galmt in mijn hoofd. Ik sta op van het bed en probeer mijn schooltas te pakken maar het gaat niet. De tas valt door mijn hand heen. Ik loop naar beneden en tik mijn moeder op haar hoofd. Ze voelt niks en blijft in gesprek met mijn zus. Ik huil. Ik voel mezelf lichter worden en zie mijn lichaam voor de haard. Ik kan me niet bedenken hoe ik dood ben gegaan. Langzaam word het beeld wat ik zie vager. Daarna zag ik niks meer. Niemand zou mij ooit nog zien. Het is over Anne, dacht ik. Het is over.

Mijn nieuwe vriend

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

De straten van Den Haag zijn druk bezocht door feestgangers die de vrijdag avond willen doorbrengen in disco’s en cafés. Overal op de donkere straat liggen bierblikjes en lege zakken chips. Iedereen die voorbij komt lacht naar me of maakt een opmerking die je net niet kan verstaan omdat ze, voordat het feest überhaupt begonnen is, al dronken zijn. Zij zijn onderweg naar misschien wel de beste avond van hun leven en ik… ik heb geen enkel idee waar deze avond mij naartoe zal brengen.
Twee uur geleden had ik nog geen enkel idee wat ik zou gaan doen vanavond. Een filmpje kijken leek me een goed plan. Maar toen ik vroeg aan mijn ouders of ik tv mocht kijken begon alle ellende. Ze wilden graag naar een serie kijken waarvan ik niet eens wist dat ze die volgden. Tot overmaat van ramp wilden ze dat ik aan mijn huiswerk zou gaan zodat zij een avondje voor zichzelf hadden. Ik was er even helemaal klaar mee. Ik rende naar boven, pakte een paar spullen in in een tas en stormde de deur uit zonder ook maar een enkel woord te zeggen.
Hier loop ik dus nu. De straten zijn ondertussen al wat rustiger geworden zodat je ook niet steeds hoeft op te letten of er niet toevallig een dronken iemand op je af komt rennen en in je tas gaat zitten graaien naar een lekker biertje. Gelukkig is het voor een April avond lekker warm dus over koude bankjes hoef ik mij geen zorgen te maken.

Ik kijk op het schermpje op mijn telefoon en zie dat het al bijna elf uur is. Mijn maag begint te knorren dus zoek ik naar een avondwinkel. Ik loop naar binnen en zoek naar een simpel broodje dat ik nog net door mijn dicht geknepen keel kan krijgen. De vrouw achter de kassa kijkt mij onderzoekend aan. “Waar ben jij zo laat nog naar onderweg liefje?” vraagt ze. Ik draai mijn hoofd weg, ze begrijpt de hint en houd haar mond.
Met een kleine steek van schuldgevoel in mijn maag loop ik naar buiten. Met het broodje kaas in mijn hand loop ik naar het dichts bijzijnde parkje. Het ziet er verlaten uit maar dat is net iets dat ik nodig heb op dit moment. Met een zucht ga ik op het houten bankje zitten en wil net aan mijn broodje beginnen als ik een paar meter verderop een zwerver op de grond zie zitten. Hij kijkt mij aan, zwaait met zijn zwart gevlekte hand en lacht zijn gele, scheef staande tanden bloot. Ik moet lachen om het plaatje en besluit naar hem toe te lopen.

Zodra ik minder dan twee meter bij hem vandaan ben veranderd zijn blije blik naar een verbaasd gezicht. Als ik naast hem op de grond neerplof, de helft van mijn broodje kaas afbreek en die aan hem geef, valt zijn mond letterlijk open van verbazing. “Goede avond mevrouw.” Zegt hij op een beleefde toon. “Wat doet u hier zo laat bij een zwerver zoals ik op de grond in een parkje?” Ik kijk hem van opzij aan en zeg: “Noemt u mij maar Silvia en ik ben van huis weggelopen.” De man kijkt me verdrietig aan en vraagt naar wat er gebeurd is. Ik vertel het hele verhaal en dat dit niet de eerste keer is dat zoiets gebeurt.
De hele tijd dat ik praatte hield hij zijn mond en heeft geluisterd. Toen ik klaar was, was het enige wat hij vroeg: “Maar waar, mijn lieve Silvia, ben jij nu naar onderweg?” Dit was wel de laatste vraag die ik van hem had verwacht en dacht terug aan de vrouw in de winkel. Ik had dezelfde reactie kunnen geven als toen, maar ik wist dat ik er niet meer onderuit kwam. Zijn vraag kwam aan als een donderslag. Waar was ik inderdaad eigenlijk naar op weg. Mijn idee was om weg te lopen van huis en niet meer terug te gaan, maar waar ik zou moeten slapen en de rest van mijn leven zou moeten door brengen had ik niet aan gedacht.

De zwerver zag mijn blik en lachte. “Ja meisje daar had je niet aan gedacht eh. Jij hoopt zoals zoveel jongeren weg te kunnen lopen van huis en dat het allemaal op z’n pootjes terecht komt, maar dat gebeurt bijna nooit.” Ik keek hem nog steeds aan en de woorden sijpelden langzaam maar zeker mijn hoofd in en vormden puzzelstukjes die in elkaar vielen. Ik begon na te denken over mijn emotie op het moment van de ruzie en mijn reactie op het hele gebeuren.
Ik werd overspoeld door een overweldigend moment en omhelsden ze zwerver. Hij schrok, maar even daarna voelde ik hem genieten van de aandacht. Ik ging staan, gaf het laatste stuk van het broodje aan hem, nam afscheid en rende naar huis.

Eenmaal thuis werd alles uitgepraat en heb ik verteld over mijn wandeling buiten. Het betreurde mij wel dat mijn ouders niet eens bezorgd waren. De volgende avond net na het eten liep ik weer naar de avondwinkel en kocht ik een hele grote mand vol met eten en drinken. De vrouw achter de balie vroeg weer waar ik heen ging en dit keer antwoordde ik: “Ik ga naar een hele goede vriend van me.”
De vrouw glimlachte en gaf me de mand met eten en drinken. Buiten snoof ik de geur van de van avondlucht in me op. Dit keer heb ik een doel en ben ik onderweg naar een nieuwe vriend. De zwerver van het parkje.

Onderweg naar het einde van de wereld

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Onderweg naar het einde van de wereld

Het is donker, ik zie niets. Het is koud en ik hoor niets. Ik lig gespannen op de grond. Mijn armen en benen zijn vastgebonden met een ruw touw. Ik heb geen besef van waar ik me bevind. Het enige wat ik weet is dat ik nog leef. Ik denk aan thuis en aan waar ik in hemelsnaam zou kunnen zijn. Het is een lange tijd stil in mijn hoofd, maar opeens hoor ik een hard geluid. Het geluid lijkt op het geluid van een startende auto. Weer is het stil in mijn hoofd. Ondertussen weet ik wel zeker dat het een auto is waar ik me in bevind. Ik ben benieuwd waar de auto naartoe rijdt en hoe ik in deze donkere koude auto terecht ben gekomen. Langzaam voel ik dat ik wat op en neer hobbel. De auto zal vast wel op een onverharde weg rijden. Ik begin steeds nieuwsgieriger te worden waar ik naar op weg ben. Gelukkig kan ik intussen al wel weer wat zien en ben ik wat meer bij bewustzijn. Na ongeveer een kwartier lig ik nog steeds op en neer te hobbelen. Maar dat duurt niet lang meer want vlak daarna stopt ook het geluid van de auto. Achter me worden twee deuren geopend. Een fel licht verschijnt voor mijn ogen. Het is de zon van buiten die de auto binnen schijnt. Ik doe mijn ogen weer snel dicht. Ik hoor een mannenstem. Hij praat tegen iemand. Degene waar de man tegen praat is ook een man. Ik kan niet echt veel verstaan van wat ze tegen elkaar zeggen, want ze praten nogal zacht en in een vreemde taal. Plotseling stoppen ze met praten. Het is wel een minuut lang stil. Ik kijk door mijn wimpers om te zien of de twee mannen er nog zijn. Ik zie dat ze er nog staan en ze kijken bedachtzaam naar mij. De ene man klimt in de auto en pakt mijn armen vast, de andere man pakt mijn benen vast en ze tillen me uit de auto. Nog steeds kijk ik door mijn wimpers naar wat er gebeurt. Ik kijk of er iets is waar de twee mannen mij naartoe brengen, maar het enige wat ik zie is een uitgestrekte vlakte zonder begroeiing. De mannen blijven oneindig lang lopen. Nog steeds zie ik hetzelfde landschap. Ik begin last te krijgen van mijn armen en benen die nog steeds vastgebonden zijn. Het ruwe touw schaaft langs mijn enkels en polsen. Het duurt zo lang dat ik besluit om mijn ogen maar weer te sluiten. De mannen zijn al de hele route stil. Dat verbaast me. Nog steeds zit ik te denken waar de twee mannen me nou naartoe brengen. Ik gok dat er nu ongeveer een half uur voorbij is. Ik waag mijn ogen maar weer eens open te doen. Maar dan zie ik een grote donkere berg midden op de uitgestrekte vlakte. De berg wordt steeds groter naarmate we dichterbij komen. Als we eindelijk aankomen bij de berg leggen de twee mannen me neer op de grond. De twee mannen lopen naar een klein deurtje in de berg waar ze ook naar binnen gaan. Snel daarna komen de twee mannen weer uit het deurtje in de berg. Ze hebben een kruiwagen meegenomen. Ze zetten de kruiwagen vlak naast mij neer, ze tillen me op en leggen me in de kruiwagen. De twee mannen pakken beiden een handvat van de kruiwagen en beginnen er mee te lopen. Ik kijk ondertussen nog steeds door mijn wimpers heen en zie dat we op een klein bergpaadje lopen dat vlak langs de berg omhoog loopt. Doordat het bergpaadje zo steil omhoog loopt zijn we erg snel boven. Boven op de berg staat nog een kleinere grot. De twee mannen zetten de kruiwagen neer en ze tillen me er uit. De mannen blijven om me heen staan en ze zeggen nog steeds niks totdat een van de twee mannen me een schop in mijn zij geeft. Het doet pijn, maar ik geef geen kik en ik open langzaam mijn ogen. De twee mannen kijken me boos aan en ze hebben beiden een chagrijnige uitstraling. Daarom ben ik een beetje bang en ik sta snel op. De ene man pakt me bij mijn arm en de andere man loopt voorop de kleine grot in. Ik schrik van wat ik zie als ik in de grot ben. Er is een oneindig diep gat in de grond. Een van de mannen begint tegen me te praten. Hij zegt dat ik in het gat in de grond moet springen. Ik vraag de man waarom ik in het gat in de grond zou moeten springen. De man legt uit dat het gat in de grond het einde van de wereld is en dat de mannen offers moeten brengen om het gat in de grond te dichten. Anders zou het gat in de grond ontploffen en dan zou de hele wereld vergaan. Als laatste zei de man dat ik het laatste offer zou zijn en dan zou het gat in de grond helen en zou deze hele vloek voorbij zijn. Het is een lange tijd stil. Maar daarna twijfel ik geen moment meer en ik duw beide mannen in het gat in de grond. De lava in het gat verdwijnt en het hele gat in de grond is in één klap weg!

Wanhoop

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Ik wist niet meer wat echt was. Ja, ik was echt. Jij was echt. Maar of de wereld echt was? Ik weet het niet meer. Ik weet dat ik gelukkig was. Voldaan van mezelf. Dat ik vredig was. Dat er rust was. Ik moest gaan. Ver weg. Zonder toekomst, zonder hoop, zonder rust. Ik kom naar jou. Ik moet gaan. En dit is mijn afscheid.
Verder en verder dwaal ik. Mijn gedachten zijn niet helder meer. Ik voel alles zo scherp. Mijn pijn en mijn verlangen. Mijn hoop is wanhoop. Altijd en eeuwig dwalen. Dat zal ik en dat moet ik. Maar als ik mijn ogen sluit is de pijn even weg. Ik waan me in een wereld met jou. Ik voel je hand op mijn rug. Ik rust uit. Ik open mijn ogen en verwacht je te zien. Maar ik zie slechts duisternis en angst. Wanhoop.
Nooit zal er licht zijn. Niet meer. Ik val en val zonder bodem om te landen. Ik voel een holte in mijn hoofd. Een lichtheid in mijn lijf die mijn wereld doet veranderen. Ik wil meer. Ik geef op. En ik vecht weer.
Ik wil alles, maar ik krijg niets. Het grote niets. Alles is verlaten en zonder liefde is mijn gevoel voor alles. Het is koud en kil in mijn ziel. Ik wil weg. Naar jou. Naar mijn moeder en mijn vader. Mijn zusje en jou.
Als ik ga, wil ik afscheid. Met rozen en tranen. Ik wil het hout om me heen voelen. Het verdriet van zij die om me gaven, om te weten dat mijn missie geslaagd is. Dat ik naar jou kan. Jij bent mijn toekomst. Als ik zal gaan neem jij me mee.
Maar ik ga niet. Ik word wakker met iemand anders naast me, die me geen duisternis zal schenken maar licht. Ik word wakker bij mijn zusje, mijn moeder en mijn vader. Met warmte en licht in mijn ziel. Met hoop stromend door mijn aderen. Ik ga op weg naar een toekomst met liefde en vrede.
Voor altijd.

Ondoordachte Acties

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Het wachten op de trein, die alles zou veranderen, duurde misschien dertig minuten, terwijl mensen om me heen met hun Italiaanse-maat-hakschoentjes tegen de vloer tikten en woorden wisselden die klonken als cappuccino.
Het wachten op het moment dat mijn leven eindelijk kon beginnen duurde meer dan zestien jaar, die ik sleet in gaap-activerende lessen waar ik niets van opstak en mezelf opsluitend in een kamer van het huis waar niemand naar je omkeek.
Eerder dacht ik dat ik tijdens de reis naar Rome onderweg zou zijn naar de grote-mensen-wereld, waar ik met grote ogen naar uitkeek. Maar misschien was ik mijn hele zestien jaar al onderweg naar dit moment.
In mijn gedachten prevelde ik over tijd en het leven en ik vervloekte mezelf dat ik de gewoonte had overal te vroeg voor te zijn, dat waren de momenten waarin de twijfel toe kon slaan. Eigenlijk was dat een stomme gedachte, want ik wist altijd waar ik heenging voordat ik vertrok en ik wist altijd waar ik aankwam voordat ik er was.
‘Weet je zeker dat je wilt gaan?’ Vroeg een Italiaanse jongensstem die met Engelse woorden sprak.
Ik keek verschrikt opzij, aangezien ik niet door had gehad dat de jongen naast me op het bankje was komen zitten. ‘Wat bedoel je?’
‘Je kijkt zo moeilijk, alsof je ergens heel hard over na aan het denken bent.’ Ik wendde mijn blik weer af, want woorden waren confronterender wanneer je zag hoe iemand ze uitsprak. ‘En ik merkte ook op dat je om de tien seconden je omgeving checkt, alsof je ergens naar op zoek bent, en tot drie keer toe verdacht lang naar de rails hebt gestaard. Ik hoop niet dat je van plan bent een ondoordachte actie te ondernemen.’ Knikkend naar de rails.
‘Ik doe niet aan ondoordachte acties.’ Was het enige wat ik antwoordde.
‘Goed. Dus wat doe je hier in Italië?’
‘Ik ben weggelopen van huis en onderweg naar Rome, dat is waarom ik de hele tijd om me heenkijk, ik probeer de politie te vermijden.’ Ik plukte aan mijn met goedkope-haarspoeling-geverfde haar, maar stopte abrupt toen ik besefte wat ik net had verteld. ‘Shit, dat had ik niet moeten zeggen.’
Om de één of andere reden vond hij dat lachwekkend. ‘Geen zorgen, ik verlink je niet. Maar niet zo’n doordachte actie van je.’
‘Wat? Het weglopen?’
‘Nee, het aan mij vertellen.’ Vanuit zijn oogpunt was dit gesprek uiterst amuserend, terwijl het vooral irriterend op mij werkte. ‘Maar je wilt dus zeggen dat jij je wegloopactie tot in detail gepland en uitgewerkt hebt?’
‘Ja.’
‘Als ik wegloop doe ik dat meestal impulsief. Op die manier kom je op de beste plekken, je hebt namelijk nooit verwachtingen.’
‘Dus jij weet nooit waar je naartoe gaat?’ Misschien was het toch een beetje, deels amuserend.
‘Ik ben eigenlijk altijd onderweg.’ Ik dacht daar even over na, maar werd onderbroken door zijn stem. ‘Dus, hoelang denk je dat het duurt tot je weer gevonden wordt?’
‘Ik heb geen idee. Ik denk dat mijn familie niet eens doorheeft dat ik weg ben. Maar ik heb hier over nagedacht. Ik ben zestien, dus niet meer leerplichtig en als ik twee jaar van de radar weet te blijven, ben ik ook officieel ‘volwassen’. Ik heb al gezorgd voor een valse ID-kaart en zo… zoals ik al zei: ik bereid me goed voor.’
‘En stel dat je na drie weken gevonden wordt; dan heb je in ieder geval drie weken lang van de vrijheid geproefd?’
‘Precies.’ Ondertussen waren mijn gedachten weer afgedwaald. Mijn ouders zouden uiteindelijk wel merken dat één van de vijf kinderen miste en in dat geval hoopte ik ze te overtuigen het beste te doen, door een briefje achter te laten.
Als je dit leest ben ik weg en veilig,
zoek me niet, maar laat me met rust,
waar jullie zo goed in zijn.
Een beetje dramatisch en cliché vond ik het wel, maar ik kon niet met iets beters komen.
‘Lijkt me een strak plan.’
‘Je bent toch niet van de politie, of wel?’ Mijn stem klonk iets angstiger dan ik wilde, toen ik me opeens besefte dat hij oud genoeg was om jong te zijn voor een politieagent. En blijkbaar had hij gezien dat ik niet Italiaans was, voor hij tegen me begon te praten, wat aanduidde dat ik slecht vermomd was.
‘Ik denk niet dat dat echt iets voor mij zou zijn.’ Ik wilde wat terugzeggen, maar hij wist me weer voor te zijn. ‘Ik geloof dat je trein eraan komt.’
Vanuit mijn ooghoek zag ik het gevaarte dichterbij komen en ik sprong op, zonder twijfel, dit was mijn laatste trein naar mijn bestemming.
Piepend kwam het tot stilstand en een waterval aan mensen stroomden eruit. Wanneer de mensenrivier eindelijk voorbij was, zette ik mijn voet op de drempel, tot iemand op mijn schouder tikte. Met opgetrokken wenkbrauwen keek ik om naar de jongen.
‘Het spijt me om het te zeggen, en dat ik het pas zo laat zeg, maar dit is niet de trein naar Rome. Volgens mij is die al een half uur geleden vertrokken.’
Een gewicht aan paniek drukte op mijn borst. Ik had al een half uur op het verkeerde perron gestaan. Ik had de laatste trein van de laatste trein naar Rome gemist, mijn uitweg. Dit kon niet, ik miste nooit iets, bij mij liep altijd alles volgens plan. Waarom moest ik het verpesten bij het belangrijkste plan dat ik ooit had gemaakt?
‘Maar je kunt nog steeds instappen.’ Hij gebaarde met zijn hand naar de opening, zoals mensen doen wanneer ze iemand naar binnen willen laten gaan. ‘Je kunt instappen en ontdekken waar je uitkomt. Je kunt het lot laten bepalen waar je heengaat.’
Dus ik stapte in de trein richting een bestemming waar ik nog nooit naar vertrokken was: het onbekende.

Want ik ben nog maar onderweg

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Een stel lijnen, vormen mijn hart.
Piep. Piep. Piep.
Steeds maar weer, dat ene geluid. Het is moeilijk voor te stellen dat het schermpje daar mijn hart moet voorstellen. Volgens het apparaat heb ik er wel dergelijk een, al voelt het niet zo. Het voelt niet alsof ik echt leef. Ik lig in een ziekenhuisbed, zonder ook maar één teken van de buitenwereld. Het lijkt alsof ik gevangen zit in mijn eigen verdriet. Nee, ik zal niet huilen. Ik ben geen kind dat medelij wil opwekken. Ik ben een kind dat vast zit, tussen de werkelijkheid en dat wat zich in mijn hoofd afspeelt. De wereld lijkt gewoon een korte film, die steeds maar weer opnieuw afspeelt. Ik zit hier maar, te wachten op dat wat komen gaat. Maar wat zal komen? Waar moet ik zolang voor wachten?
De pillen hebben geen effect. Net zoals de behandelingen. Net zoals de dokters, begin ik langzaam de hoop op te geven. Maar ik moet me er tegen verzetten, en vechten. Ik zal mijn bestemming bereiken, al is de weg nog zo ver. Ik vecht.

Maar zelfs de dapperste strijders verliezen nog wel eens.

Geluk zeggen ze. Ik heb ‘geluk’ dat ik nog leef. Ik geloof niet bepaald dat het zomaar geluk kan zijn. Wat is geluk dan? Alleen maar een woord? En de betekenis? Wat is de betekenis dan? Waar blijft het dan? Waar is mijn geluk? Is geluk iets dat na verloop van tijd vergaat?
Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Mijn antwoorden zijn op, verdwenen. Net zoals wat ik dacht te weten. Want zolang ik hier blijf liggen, ga ik geen conclusies trekken. Ik wordt gek. Gestoord. De muren komen op me af, de schaduwen lijken te leven en de seconden lijken wel uren.

De dokter wandelt naar binnen, zie ik vanuit mijn ooghoeken. Maar ik neem de moeite niet om me om te draaien. Ik blijf kijken naar de lijnen, die zich steeds weer vormen. Want wat kan mij het toch schelen? Inderdaad, weinig. Totdat ze me komen vertellen dat ik naar huis mag, doe ik geen moeite.

De regen buiten, klettert tegen het raam aan, en blijven stromen net als de tranen van mijn moeder. Mijn ouders zijn al zo vaak bij me op bezoek geweest. Die blik in hun ogen, die me vertellen dat ik vol moet blijven houden, begint steeds vaker te verdwijnen. Mijn vader zat dan naast me op een kruk, terwijl zijn hand zachtjes mijn arm aaide. Hij glimlachte dan zwakjes, en zei;

“Je bent nog maar onderweg. Je moet gewoon stug doorgaan, tot de eindbestemming bekend wordt.”

Ik ben bang voor die eindbestemming. Want hoe moet ik stug doorgaan, als ik het nu al niet meer volhoud? Wat zal die eindbestemming dan wel niet zijn?
Als ik onderweg ben, hoeveel dingen ben ik dan al gepasseerd, voor goed? Zijn die dan al verdwenen? Kan ik niet meer terug?
Wie weet? Misschien zal ik onderweg nog wel wat mensen tegenkomen. Vrienden, dierbaren, vreemden. Zullen zij me mijn pad wijzen? Als ik dreig te verdwalen, wijzen hun me dan de weg?
Zal ik avonturen beleven? Een schat vinden, een dierbaar iets om te koesteren?
Is er een kaart? Iets dat me een hint kan geven, de weg wijzen als een ander het niet voor me doet? Of, ben ik zelf die kaart?

Ik ontwaak uit mijn gedachten, als de lijnen op de monitor ineens zwakker worden. Het gepiep gaat steeds sneller, en suist door mijn oren. Vanaf alle kanten komen ineens mensen. Zusters, doktoren, en ga zo maar door. Maar ik blijf liggen, kijkende naar de lijnen.
De lijnen, zijn de bergen die ik moet beklimmen. Het pad dat ik nog moet volgen tot ik mijn eindbestemming heb bereikt. De bergen worden steeds lager, terwijl ik stug doorga. Mensen roepen mijn naam, en paniek breekt uit. Maar nog steeds verroer ik me niet. Ik moet stug doorgaan.

De wereld begint steeds waziger te worden, en ik voel hoe ik omhoog ga. De wereld wordt lichter, net zoals ik. Stemmen roepen mijn naam, en tussendoor versta ik nog;

“Het komt goed.”

Ik glimlach, terwijl de lijnen verdwijnen.

Een traan, rolt over mijn wang. Niet van verdriet, maar van vreugde. Ik glimlach. Want ik heb mijn bestemming bereikt. Ik ging stug door.

Maar dit is nog niet het einde. Want ik ben nog maar,

onderweg.

De weg naar een nieuw begin

Posted on: februari 12th, 2015 by Scholieren

Ze wordt angstig wakker badend in het zweet. Ze had een nare droom over hoe haar leven vorige week dinsdag nog was. “Gaat het?” vraagt Mathilde die in het bed naast haar ligt. “Ja” antwoordt Fabiënne nog altijd angstig van de enge droom. “Had je een enge droom?” “Ja”. “Waarover?” Ze zwijgt even. Ze vindt het beschamend om te vertellen wat ze heeft meegemaakt. Maar waar zou ze zich voor moeten schamen? Het is niet haar schuld dat ze zulke afschuwelijke dingen heeft meegemaakt. Bovendien zit ze in een safe house dus haar nieuwe vriendin, die tevens haar kamergenoot is, zal ook wel veel hebben meegemaakt. “Dit keer over mijn oudere broer, hoe hij me pijn deed en vernederde en hoe mama niks deed en mijn vader naar hem knipoogde. Alsof hij wilde zeggen dat ik me aanstelde en het niet zijn schuld is. Maar ik stel me niet aan, ik word verkracht door mijn broer en mijn ouders geloven me niet. Die vinden me een aansteller. Ik moet gewoon doen wat me gezegd wordt”. Ze kijkt me aan en ik kan aan haar gezicht aflezen dat ze mijn pijn kent.
“Is dat waarom je uiteindelijk hier zit?” vraagt Mathilde. Fabiënne slaakt een zucht. “Nee, de politie was binnen komen vallen door de handel van mijn vader en toen hebben ze me ondervraagd, omdat ik geen liefde voor mijn familie meer voel ben ik bereid een verklaring af te leggen. Daarom zit ik in dit safe house omdat ik bang ben dat mijn familie anders achter me aan komt”. “ Heb je ze wel verteld wat ze je hebben aangedaan? “ “Gedeeltelijk”. Ik ga jou helpen om een beter leven op te bouwen denkt Mathilda, ik ga je hier doorheen helpen.
Ze staat op en trekt een mooie jurk uit de kast, en gooit hem naar Fabienne. “Hier, trek aan en ga je opfrissen, een gelukkig leven start vandaag.” Een beetje overrompeld, maar nieuwsgierig en dankbaar staat Fabienne op en gaat zich douchen.
Twee uur later staan ze buiten in de zon te genieten van hun ijsje. Ze kletsen en lachen met elkaar en hun vriendschap groeit.
Ze stappen een café binnen en nemen allebei een drankje. “Weet je al wat je nu wilt gaan doen?” vraagt Mathilde . “Niet echt, ik moet uiteindelijk weg hier, dus ik moet in ieder geval een baantje vinden en ik heb altijd al verpleegkunde willen studeren”. “Een baantje dus hè?” klinkt de onbekende stem van de barman. “Sorry, ik had jullie gesprek opgevangen en ik ben op zoek naar een nieuwe werkneemster. En je lijkt me goed in het team passen. Je hoeft natuurlijk niet direct te antwoorden maar denk er over na.” Ze kijken elkaar aan. Dit is echt een wonder. “U weet niet hoe compleet u mijn dag maakt meneer, heel graag!”
“Kun je me de satésaus doorgeven?” vraagt een huisgenoot. “Tuurlijk, alsjeblief”. “Dankjewel Fabiënne”. Er werd bij mij thuis nooit bedankt denkt ze. Mama keek me alleen maar stom aan mijn vader vroeg vaak of het niet wat sneller kon en mijn broer zei niks. Hier is het anders, hier zijn ze aardig en hoor je erbij. Het voelt nu al meer als een thuis dan de afgelopen 12 jaar. Nu was ze 19. Na haar zevende was alles veranderd doordat ze waren opgelicht en werden gedwongen snel geld te verdienen, tenminste dat is wat ze weet. Misschien was er nog wel meer aan de hand. Het gaat er om dat mama anders werd, vervelend anders en haar vader verliefd op het geld. En zij werd psychisch en soms zelf fysiek mishandeld. Een groot drama dat ze nu eindelijk achter zich kan laten.
Als ze ‘s avonds in bed ligt voelt ze zich gelukkig. Eindelijk weer. Er ligt een hele toekomst voor haar. En Mathilde heeft haar goed geholpen. Ze is nog wakker ziet ze. “Mathilde?” “Ja?” “Dank je wel, dank je wel dat je me hebt geholpen met de weg naar een nieuw begin”.

Te veel

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

De mensen moeten sneller dood, of er moeten er minder bij komen. Wat de wereld nodig heeft is een ziekte, een bij kinderen. Zo’n ziekte moet het leven laten vergaan één dag. Dat zal ze leren. Zij zullen bang worden, minder kinderen krijgen; het klinkt goed. Met een aanraking verspreidt het virus zich. Ik noem de ziekte: Ivola.
Ik weet wat jij denkt, jij denkt dat ik vals, harteloos en bitter ben. Ik weet het zeker. Maar je kunt je niet voorstellen hoe het is om mij te zijn. Medelijden kan ik niet meer hebben, na al die eeuwen. Ik ben de geest van het leven, en de geest van de dood. Één geest met twee verantwoordelijkheden. Twee verantwoordelijkheden over zeven miljard mensen en nog vele ontelbare wezens. Het is veel te veel werk, alles onder controle houden. Maar om medelijden er bíj te hebben, is echt te veel gevraagd.
Mijn wacht staat bij de sluisdeur tussen het leven en de dood. De kamer waar de doodgaande geesten van mensen zich vertonen. Hier zijn de geesten in de laatste uren dat hun hart nog klopt. Ik kan zijn waar ik wil, wanneer ik wil, maar mijn lichaam blijft voor eeuwig bij de sluisdeur. En nu ben ik onderweg, bezig om deze planeet opnieuw te creëren, met minder wezens. Dat maakt mijn taak alvast een stuk makkelijker.
Ik zal die ziekte maar eens maken. Met mijn krachten is dat een fluitje van een cent. Toch, na al die jaren ben ik wijzer geworden en begin ik klein. Het eerste het beste kind dat ik zal besmetten zal iemand zijn in een modern land. Nederland, denk ik. Het nieuws zal zich snel verspreiden. Mensen zullen bang zijn en minder kinderen krijgen. Wat verrukkelijk.
Ik ben een geest, ik kan de wereld zien door de ogen van ieder wezen. Ik doe mijn vermoeide ogen dicht, en mijn zicht komt aan in Zuid-Limburg.
Dit keer kijk ik door de ogen van een vogel, en jawel, ik zie haar. Het eerste het beste kind. Meteen weet ik alles van haar af, echt alles. Nora, heet zij, nét twaalf. Nu moet ik haar nog besmetten, als eerste slachtoffer van Ivola. Ik zal haar de komende vierentwintig uur uitgebreid bestuderen. Ik hoef haar maar aan te kijken, in haar ogen te kijken, en zij is besmet. Ik voel haar temperatuur rijzen, en ik weet dat zij binnen een uur in slaap zal vallen.
Een uur later verschijnt Nora bij mijn sluisdeur tussen de twee werelden. Ik herken de stem, en haar uiterlijk. “Waar ben ik?” vraagt zij. Ik besluit om haar de waarheid te vertellen, misschien wel een kort gesprek met haar te voeren. “Jij bent in de kamer van het leven en de dood,” zeg ik. “Wat is dit? Is dit een droom?” Hoe moest ik in vredesnaam reageren? Nooit heb ik gecommuniceerd met een ander levend wezen dan ikzelf. Ik heb nog nooit interesse gehad in het simpele leven die zij achter de rug hadden. Maar dit is een uitzondering, “Nora, dit is geen droom. Ik weet dat jij nu door de laatste drieëntwintig uur van je leven gaat. Aangenaam, ik ben de geest van het leven en de dood, en de oorzaak van jouw vergaan.”
“Wat is dat nou weer voor een onzin? Laatste drieëntwintig uur? En hoe weet u mijn naam?”
“Jij gaat dood Nora, jij bent mijn proefkonijn. Jij zal als eerste sterven aan de ziekte Ivola. Maar maak je geen zorgen, de dood is niet ver weg. Ik voel het.”
“Ben je gek? Ik ga niet dood.” Wat een onnozele wezens, die mensen, zo eigenwijs, maar vooral beledigend. “Ik ben niet gek, hoe durf jij mij zo te beledigen? Jouw lichaam ligt nog gewoon in Nederland, en daar zal het nog begraven worden ook!” Ik raak geïrriteerd. Snap dat dan nou!
“Maar waarom vermoordt u mij? Wat is Ivola, wat voor proefkonijn?” Haar stem klinkt opeens bang, en ik weet dat zij mij eindelijk begint te geloven. “Snap het nou, Nora. Ik heb het veel te druk, ik moet iets vinden dat mijn werk makkelijker maakt, een ziekte. Ik heers over miljarden mensen. Met zoiets komen er minder mensen op aarde, dat maakt mijn taak een stuk makkelijker. Jij was het eerste het beste kind die ik zag en bent daarom als eerste besmet. Jij zult binnen een paar uur door die deur worden meegesleurd en dan zal je leven vergaan.”
Het is een poosje stil. Maar uiteindelijk vraagt zij met tranen in haar ogen: “Weet u wel wat een leven waard is? Ik wil nog zo veel. Misschien zijn die van u vergaan, maar ik heb nog gevoelens!” Wat een koppige meid, zeg. Maar toch, zij is twaalf, ik begin langzamerhand een beetje medelijden te krijgen. “Snap het nou! Ik ben al drie miljard jaar aan het werk, ik verdien ook wat rust! Wat lijkt het me heerlijk om dood te kunnen gaan. Rust. Eeuwige rust. Wie wilt dat nou niet?”
Zij is sprakeloos, misschien realiseert zij zich eindelijk hoe goed zij het heeft, met zo’n simpel leven. “Wordt u er gelukkig van om het leven van iemand anders af te pakken? Het leven van iemand die nog zo jong is!” Die woorden komen hard aan. Opeens besef ik wat ik heb gedaan, ik was blind, al die jaren. Ik strooide mijn verveling, bitterheid en woede uit over de wereld. Dat is fout, die Ivola moet weg. Maar al die moeite! Nee, ik moet Nora beter maken. “Nora, je hebt gelijk! Ik ben een afschuwelijke, bittere geest. Ik—ik moet je beter maken.” Zij begint te stralen. En het voelt goed om iemand gelukkig te maken.
Maar op het moment dat ik haar beter wil maken gebeurt er iets verschrikkelijks. Nora’s tijd verloopt. En zij wordt meegesleurd door de deur van de dood.

Oud en nieuw

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Oud en nieuw

Inmiddels was Gert bij de zesde tree aangekomen, het doffe en korte kraakje herkende ik duidelijk. Sinds we hier wonen is het kraakje mijn beste vriend geworden. Als ik verdrietig was troostte hij mij. Als ik iets bijzonders had meegemaakt, maakte het kraakje het nog specialer. Al die tien jaar die we nu in dit dorpje wonen is het kraakje er voor mij geweest. De eerste keer dat ik er achter kwam dat hij bestond was het mijn eerste schooldag geweest. Ik was boos want ik snapte niets van wat er werd gezegd door het vreemde accent. Ik begon hierover bij mijn ouders te zeuren en die stuurden mij naar boven. Ik stampte de trap op en toen hoorde ik hem.

,,Katie mag ik jouw douchegel lenen?” vraagt Gert verlegen terwijl hij langzaam mijn kamer binnen schuift. Als hij ruzie heeft gehad met papa en mama komt hij altijd naar mij toe. Hij ziet er moe uit en zijn haar is echt te lang geworden, dat kind moet echt een keer naar de kapper. ,,Waarom? Je hebt toch net nieuwe spullen gehad?” vraag ik verbaasd. Gert kijkt naar de grond en mompelt iets wat lijkt op ,,Ohja vergeten.” Ik wil weer verder gaan met het huiswerk dat ik aan het maken was; wiskunde. ,,Maar je weet toch dat ik die niet lekker vind ruiken?” ,,Uh nee hoor, ik wil weer verder werken.” zeg ik op een vervelende manier. In wiskunde heb ik ook geen zin meer, tijd om te slapen. Morgen wordt in ieder geval later dan middernacht.

Omdat ik weet dat ik er vandaag netjes uit moet zien begin ik maar met een douche. Zodra ik onder onze kleine douche stap en op het doorzichtige en hoekig plankje, waar ik mezelf te vaak aan heb gestoten, opzoek ga naar mijn shampoo zie ik dat de shampoo op is. En mijn conditioner ook en die nieuwe douchegel is bijna leeg. Ik kijk verder op het plankje, alleen nog maar mannen en oude vrouwen spullen. Abrupt doe ik de kraan uit, droog mezelf af met een oude handdoek en kleed me aan. Opeens denk ik aan gisteren, zou Gert ze opgemaakt hebben? Als ik de deur open doe, zie en ruik ik het antwoord. Gerts blonde haar lijkt gekruld en op zijn wimpers heeft hij een klonterige mascara aangebracht, zelfs ik kan het nog beter. Zijn kleren zijn zwart. Toch ziet het er niet raar uit, alleen die mascara vol klonten is frustrerend. Ik realiseer me dat ik naar hem staar. ,,Hoi” zeg ik schor.

Als ik binnen loop, na het kopen van nieuwe shampoo, ruik ik de oliebollen. Die lucht zal nu wel weer wekenlang in het huis hangen. ,,Net zoals de depressieve sfeer…” mompel ik wanneer ik mijn moeder alleen aan de tafel zie zitten. Ze lijkt heel klein als ze zo in elkaar gedoken zit aan onze veel te grote, bruine, houten tafel. Ik loop naar de kraan en drink een glas water. ,,Je hebt Gert vast al gezien. Dit is weer een dergelijke actie om te kijken hoe wij gaan reageren. Negeer hem maar gewoon, dat is het beste voor ons allen.” Zegt ze koel, zonder uit die positie te komen. ,,Om vijf uur vertrekken we naar oma, ik neem aan dat jij er wel normaal uitziet.” Ik loop de trap op. Als ik boven ben realiseer ik me iets. ,,Wat hebben jullie met de trap gedaan?” Dan komt mijn vader onder de trapkast vandaan en zegt ,,Dat gekraak hing iedereen toch de keel uit?”

Als we zijn aangekomen bij oma en stappen we uit. Oma woont in een oud huisje, het is heel klein binnen. De tuin is ook klein maar altijd keurig bijgehouden. De huisjes om haar huis heen zijn net zo. In die huisjes wonen ook allemaal dezelfde mensen; bejaard, alleen en ze zijn verslaafd aan puzzelen. ,,Gert en ik steken alvast wat vuurwerk af, kijken jullie binnen bij oma maar mee. Dit zijn echte mannen dingen.” Ik loop met mijn moeder naar binnen, na de standaard begroeting loop ik de woonkamer binnen. Het is warm en vol. De kerstboom is weer volgeladen met honderd kleine frutseltjes en de kachel staat te hoog. De geur van oma’s huis dringt mijn neus binnen en begint me te irriteren. Ik word onrustig. Dan staan we voor oma’s kleine raampje gepropt. Onhandig laadt papa wat kindervuurwerk uit de auto. Dat koopt hij voor oma, zij kan daar nog van genieten. Maar dan mogen wij dat buiten gaan afsteken, in de kou, dacht het niet. Opeens zie ik dat mijn vader iets uitlaadt wat ik niet herken, het lijkt op écht vuurwerk. Het ziet er ook gevaarlijk uit. Gert steekt het aan met een lont. Het vuurwerk lijkt niet af te gaan, dan zie ik Gert over het vuurwerk heen buigen. Precies dan gaat het af. Stil staan we voor het kleine raampje, met de vieze en volgestouwde vensterplank.

Het is de eerste keer dat Gerda bij ons thuis komt, ook de oliebollengeur is gearriveerd. We lopen naar boven om daar haar spullen van het ziekenhuis uit te pakken. Maar ik sla de zesde tree over. De kraak en Gert zijn weg, die waren oud. Nu heb ik Gerda en zij is nieuw, ook al lijkt ze door de brandwonden van vorig jaar nog een beetje op Gert.

Onze vervaagde bestemming

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Onderweg naar wat? Iedereen is onderweg, constant onderweg. Iedereen is onderweg naar een hoger doel, altijd en overal. Onderweg naar het werk, onderweg naar de toekomst. Maar waar gaan we nou eigenlijk naar toe? We zijn constant onderweg zonder goed te weten waar we heen gaan. Waar ga jij nu naar toe? Ben je op weg naar een prestatie? Als we dat niet weten dan moeten we vragen. We moeten onszelf ondervragen. We moeten ons kennen. Hoe kunnen we ooit ergens aankomen zonder te weten waar we heen gaan? Stop eens waar je mee bezig bent, en ga nadenken. Waarom doe ik het ook alweer. We vergeten te veel de zin van onze acties. Onze levens worden een routine, maar dat willen we niet. Het is het laatste wat we willen, maar toch gebeurt het waarschijnlijk al. Alles dat we automatisch doen neemt onze tijd in gebruik. Soms zijn wij mensen maar een stelletje robots. Robots die doen wat ze moeten, zonder er te veel bij na te denken. Ik kan niet trots zijn op robots, maar wel op mensen. Ik weet dat wij niet robots zijn. Wíj kunnen veranderen, maar we moeten wél nadenken. Iets dat robots niet kunnen moeten wij juist gebruiken. Mensen hebben intuïtie, robots niet. Intuïtie is dus iets waarmee we meer moeten gaan doen, maar toch veranderen we steeds meer in robots. Wij willen alles graag perfectioneren, moderne robots kunnen dat veel beter dan wij. We moeten dus op een andere manier gaan nadenken. We moeten ‘out of the box’ gaan denken. Maar wat is nadenken nou precies? Kunnen robots nadenken? Even terug naar het begin; we zijn allemaal onderweg, maar we weten niet altijd meer waar we naartoe gaan. Daarom moeten we vragen stellen, en meer vragen. Er komen allemaal vragen op die we niet kunnen beantwoorden, die we niet weten, maar die we ook niet kunnen leren. Dat is niet erg, zo lang wij ons blijven verbazen en verwonderen kunnen we ontdekken; nieuwe manieren van leven, en ons verder ontwikkelen. Ook al weten we niet precies de zin van alles, we hebben plezier. Want we weten allemaal wat onze uiteindelijke bestemming is. Een bestemming die altijd duidelijk was, maar waar we zo weinig over weten. We gaan door met wat we altijd deden, zonder vast te lopen. Waar zijn we? Waar gaan we heen? Tot de dood ons de mond snoert.

het bos van Galdïn

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

In 100 voor christus, liep een meisje genaamd Magdalena door het beruchte bos van Galdïn. Het bos zat vol gevaren en paden die bijna onzichtbaar waren, waardoor je snel verdwaalde. De mensen uit Galdïn -het dorp bij het bos- vertelden zelfs legendes dat als je het bos in ging er nooit meer uit kwam en er geen tijd verstreek zodat je voor eeuwig in het bos zal ronddwalen. Niemand durfde in het bos te komen, maar Magdalena geloofde niet wat iedereen zei tot ze het zelf had gezien, toen ze 16 was mocht ze weg van haar ouders en ging ze onderweg naar het beruchte bos.
In 2015, het is een drukke dag voor Katie, ze heeft veel te doen: ze moet naar school en heeft daar een voorstelling voor alle leerlingen en hun ouders, daarna moet ze thuis haar broertje eten geven en aan het spelen zetten, dan moet ze samen met een paar vriendinnen weer terug naar school voor een bespreking met de directeur en dan heeft ze nog steeds geen tijd om iets leuks te doen, want ze moet haar vrijwilligerswerk nog doen. Als de dag om is ploft ze neer op haar bed en valt bijna in slaap tot ze bedenkt dat ze ook nog moet eten koken voor haar ouders die vandaag thuiskomen voor haar verjaardag morgen. Morgen wordt ze 16 en gaan ze op vakantie naar Voss in Noorwegen.
‘’morgen wordt de leukste dag van mijn leven’’ zegt Katie tegen haar vriendin terwijl ze op haar bed ploften. ‘’mijn ouders zijn thuis, het is mijn verjaardag en wij gaan super veel lol maken in Noorwegen’’. Lisa, Katie’s vriendin, gaat samen met haar mee naar Noorwegen, want anders is het lang niet zo leuk. Lisa en Katie doen bijna alles samen en houden van dezelfde dingen, zoals boswandelingen en dansen. in Noorwegen willen ze ook gaan wandelen in het bos van Galdïn. ‘’ja, morgen wordt echt super’’. Zegt Lisa. ‘’vooral die boswandeling!’’ Als ze eindelijk in slaap vallen na het lange geklets, hebben ze mooie dromen over Noorwegen.
S ’middags, als ze in Noorwegen aan zijn gekomen, rennen Katie en Lisa gelijk naar de grote bus om naar het huisje te gaan. Toen ze aankwamen, na een lange busreis, kunnen ze eindelijk Noorwegen gaan ontdekken en geweldige wandelingen maken. De ouders en het broertje van Katie gaan naar de skiplaats voor kleine kinderen, maar Katie en Lisa gaan gelijk het bos van Galdïn in. Ze wandelen net een kwartier door het bos als ze iets zien liggen. Ze lopen er naar toe en zien dat het een gestalte is, het is een meisje! ze kijken gelijk of ze nog ademt en gelukkig is dat ook zo, maar als ze haar weer loslaten wordt het meisje ineens wakker. Katie en Lisa kijken bezorgd naar haar, er volgt een lange stilte, totdat Katie vraagt :’’ ben je gewond?’’ het meisje schud langzaam en beangstigend met haar hoofd. Lisa denkt dat ze misschien niet weet wat er is gebeurd met haar en vraagt:’’ weet je wie je bent of wat je naam is?’’ het meisje durft eerst niks te zeggen, maar antwoordt toch na een paar beoordelende blikken:’’ ik ben Magdalena en ik kom uit Galdïn. Hoe zijn jullie hier beland?’’ Katie en Lisa keken elkaar verward aan en vroegen toen allebei:’’ we gingen een boswandeling maken en toen zagen we jou liggen.’’ Magdalena keek verwondert naar de twee meisjes. ‘’ weten jullie dan hoe je hier uit kan komen?’’ ‘’hoe bedoel je hier uit komen?’’ vroegen ze verbaasd. Magdalena, Katie en Lisa snapte niks van elkaar.
Ze bleven elkaar alweer verward aankijken, totdat Katie vroeg:’’ kan je ons misschien vertellen waarom je hier in het bos ligt en er niet meer uit kan komen, want wij snappen er niks van en jij zo te zien ook niet.’’ Magdalena keek angstig naar Katie en Lisa en zei:’’ dit bos is vervloekt als je erin gaat kan je er niet meer uitkomen en de tijd staat hier stil, dus zit je voor eeuwig opgesloten. Ik geloofde de legendes niet en ging toen ik 16 werd het bos in, sindsdien zit ik hier en overleef ik hier door te jagen, hutten te bouwen en alles wat nodig is om te overleven. Het bos lijkt niet gevaarlijk, maar overal is wel iets wat sterker, slimmer of sneller is dan jijzelf. Nu moeten jullie vertellen waarom jullie hier zijn?’’ Katie vertelde:’’ wij zijn hier op vakantie en gingen een boswandeling maken, wat we al hadden verteld.’’ Magdalena stond op en vroeg:’’ dus jullie kunnen gewoon het bos in en uit?’’. ‘’ ja’’ zei Lisa. Magdalena smeekte:’’ alsjeblieft, haal mij hier ook weg ik weet niet hoe lang ik hier opgesloten zit, maar ik wil eruit, alsjeblieft.’’ Katie en Lisa liepen samen met Magdalena naar de weg en liepen zo terug naar hun huisje. Toen ze bij het einde van het bos waren stopte Magdalena en keek verbaasd hoe Katie en Lisa gewoon uit het bos liepen zonder problemen. Ze liep heel voorzichtig naar voren en toen ze bij het einde was stapte ze er niet overheen. Katie zei:’’ je kan het wel, je hoeft er alleen maar uit te lopen.’’ Magdalena stapte uit het bos en schrok zo erg dat ze bijna viel. ‘’ ik ben eruit! Ik ben eruit!’’

Onderweg naar hoop

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Het was alsof God ons had verlaten. Ik ben altijd al naar de kerk gegaan, heb mijn best gedaan om volgens Gods wil te leven, en ik heb vaak gebeden, heel vaak, zelfs gesmeekt of hij wilde zorgen dat we veilig waren. Dat ons niks zou overkomen. Tevergeefs. Gisteren gebeurde wat we al lang gevreesd hadden: de IS viel onze stad binnen. We wisten dat het foute boel was, mijn ouders besloten onmiddellijk te vluchtten. We waren net bezig met inpakken toen we gebonk op de deur hoorden, en een stem schreeuwde dat we naar buiten moesten komen. We waren doodsbang, en we deden gelijk wat hij vroeg. Buiten vertelde hij dat als we ons niet meteen tot moslim bekeerden dat ons dan een hoge straf stond te wachten. Een straf erger dan alle andere. Angst en paniek golfde door mij heen, en ik kon mijn ogen niet van zijn pistool af houden.. Toen had mijn pa (god mag weten hij het voor elkaar kreeg) doodkalm gevraagd of hij mijn zusje, mam en ik even alleen mocht spreken. Daarna fluisterde hij dat hij van ons hield, en dat we moesten vluchten terwijl hij de soldaat afleidde. En zelfs mijn jongere zusje wist wat dat betekende…
Steeds maar weer spelen de gebeurtenissen van vanmiddag af in mijn hoofd. En telkens als ik er aan denk voel ik me eenzaam, ook al zijn mijn moeder en zusje bij me. We lopen al sinds het moment dat we moesten vluchtten, en het is steenkoud. Ik kan nog steeds niet geloven hoe snel alles is gegaan. Vanmorgen was er nog niets aan de hand, maar nu… “Waar gaan we eigenlijk heen, mama?” Het was al de zoveelste keer dat mijn zusje dat vroeg, en het erge was dat mijn moeder het ook niet wist. “Lieverd, dat zien we wel.. Maak je maar geen zorgen.” Toen bleef ze opeens staan. “Ik wil rusten.” Mam pakte haar hand. “Sorry, dat gaat echt niet” “Waarom niet?” “Dat is te gevaarlijk. ” Ze keek betreurd naar de grond en vroeg niet verder. Je kon duidelijk zien dat ze doodop was, en ik wilde iets voor haar doen maar dat kon ik niet. Ik kon niet eens vertellen waar we heen gingen.. “Hey Sifra, ik weet al een mooie plek om naartoe te gaan.” Mijn zusje keek me aan, en haar blik zei meer dan duizend woorden Ze zeiden iets over oneindig verdriet, over verwarring, vermoeidheid en angst. Toen schoot iets me te binnen. “We gaan naar hoop.” “Hoop?” vroeg ze verbaast. “Ja. Hoop.” “Waar ligt dat?” Ik dacht even na. “Dat ligt waar dit pad ons brengt.” Ze keek nog verwarder. “Maar we weten toch helemaal niet waar dit pad heen gaat?” “Ja, dat klopt. Toch weten we iets: dat er hoop is. Want dat is er, zolang je niet opgeeft.” Ze glimlachte. “Echt?” “Ja. Dat beloof ik je.” En ik meen het te zien, in haar ogen, tussen de lichtjes van de sterren die ze weerkaatsen: hoop. Toen gaf ze me een knuffel, en fluisterde in mijn oor. “Dankje. Jij bent de liefste grote zus die iemand zich kan wensen.” En ik moest een traantje wegpinken want ik hield zo veel van haar en ik was blij dat ik iets voor haar heb kunnen doen zelfs in deze barre omstandigheden. “We moeten weer door,” zei mam. Ze had gelijk, ik wist het, en zonder dat we iets zeiden liepen we weer verder.
De zon kroop langzaam hoger in de hemel en ik merkte (godzijdank) dat het warmer begon te worden. Mam en ik hadden net de wacht afgewisseld, zodat we alle drie een beetje slaap konden krijgen. Op dit moment, terwijl de hemel roze kleurde, denk ik aan mijn vader. Ik sluit mijn ogen en er komen allerlei herinneringen in me op waarvan ik dacht dat ik ze vergeten was. Zoals die ene keer dat hij lang weg was geweest voor zijn werk, en dat hij toen hij weer thuis was allerlei cadeautjes voor ons had meegenomen. Of die ene keer dat we bij oma op bezoek gingen met kerst. Dat was echt gezellig. En al die keren dat we s `avonds aan de grote tafel met z`n allen gezelschapspellen speelden, terwijl mijn zus en ik eigenlijk allang in bed hoorden te liggen. Het geluid van een auto haalde me uit mijn dagdroom, en de harde waarheid drong weer tot me door. We waren gevlucht. En mijn vader was er niet meer.. De auto, een jeep zag ik, kwam in een snel tempo (voor zover dat mogelijk was op een zandweg) dichterbij. En nou net in de richting die we vluchten.. Dat bracht me op een idee. Snel wekte ik mijn zusje en ma. “Mama, kijk een auto! Misschien kunnen we meerijden en..” Snel stond ze op, pakte mijn hand en die van mijn zusje, en trok ons mee naar de rand van de weg. “Opschieten! Dit kan onze redding zijn.. Als hij stopt, niks zeggen, laat mij maar het woord doen.” We bleven staan, en mam stak haar duim uit. De jeep was nu echt heel dichtbij, en.. en…. Hij stopte. Godzijdank.
Ik zag dat er een man achter het stuur zat, en hij deed het raam open. “Zijn jullie vluchtelingen?” Mam keek ons verschrikt aan, en ik wist wat ze dacht. Als ik ja zeg zal hij ons dan nog wel.. Na een paar seconden nam ze een besluit. “Ja. En we hebben hulp nodig. Alstublieft. Alleen naar de dichtstbijzijnde stad. Dan zullen we u niet meer lastig vallen.” Dit was misschien wel het spannendste moment van mijn leven. Alles hing hiervan af. Alsjeblieft.. Alsjeblìèft, God. “Ik heb nog wat geld bij, als dat u van gedachte verandert.” “Nee.” Zei de man en mijn hart zakte in elkaar. “Ik hoef je laatste beetje geld niet, dat zullen jullie hard nodig hebben. Stap maar in, dan rijd ik jullie wel naar de stad.” En op dat moment wist ik dat God nog bij me was.

Op- en afstappers

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Het gekletter van een ouderwets vertrektijdenbord en het geroffel van een trein die aan komt rijden. Ik sta te wachten op de trein op station 0307:1998, die nu met piepende remmen voor mij stil komt te staan. een conducteur stapt uit, die mij naar de Delft-wagon wijst. Het interieur van de trein is ouderwets, een lange gang met coupes aan de linkerkant. Sommige deuren staan open, het is duidelijk dat ik alleen daar plaats kan nemen. Ik loop voor bij een coupe waar al vijf mensen inzitten en neem de volgende met maar twee inzittenden.
“Hallo!” roept de vrouw in de coupe terwijl ze mij aankijkt.
“Hoe heet je?”
Deze vraag verbaast mij. “daar heb ik nog niet over nagedacht eigenlijk…” stamel ik.
“Oh, nou, wat vind je van Peter?”
“klinkt goed” antwoord ik verlegen.
“Goed, Peter. Ik ben Marie, dit is Eric” zegt ze terwijl ze naar de man naast haar wijst.
“aangenaam” zeg ik.
Marie is de spraakmaker in deze coupe, en brandt direct los over hoe zij bij station 1103:1964 op deze trein stapte, hoe zij en Eric elkaar ontmoetten in de Utrechtwagon, hoe haar eerste coupegenoten waren, wie ze wel en niet mocht in de Delft-wagon, verhalen over de andere kant van de trein, enzovoorts enzovoorts.

Terwijl de trein verder rijdt van station naar station begin ik zelf ook meer vragen te stellen.
“Waar moeten jullie uitstappen?” vraag ik.
“De conducteur komt ons wel halen als het onze halte is.” antwoord Eric.
“wanneer komt de conducteur jullie dan halen?” vraag ik nieuwsgierig.
“Dat kan nog wel even duren, hopelijk pas rond station 2060.”
Marie stemt hiermee in. “Ik wil nog minstens :0070 verder reizen!” zegt ze lachend.
“en wat is er in de rest van de trein?”
“andere mensen in hun eigen coupes.” antwoordt Marie.
“waarom zitten jullie dan in de Delft-wagon?”
“tsja, omdat hier plek was denk ik. De wagon maakt niet uit, zolang de coupe je maar aanstaat.” antwoordt Eric, terwijl Marie instemmend knikt.
Ik vind dit maar een slap antwoord, wat heb je aan zo’n mooie trein als je er niks van ziet?
De meesten op de trein blijven echter dicht bij huis. Ze zitten allemaal in hun eigen coupe, komen nooit buiten hun wagon. Ik snap niet waarom.

Rond station :2002 heb ik het gevoel alsof ik genoeg over Marie, Eric en de trein weet om zelf op pad te gaan, al blijf ik nog een tijd binnen de Delft-wagon.
De eerste andere coupe waar ik kom is de coupe van Berend. Berend zit in een coupe twee verder dan die van mij en hij komt ook van een :1998 station.
We kunnen goed met elkaar opschieten en we gaan samen de rest van de Delft-wagon onderzoeken. Berend lijkt op mij, we kunnen vele haltes lang praten over hoe andere wagons eruit zien en hoe wij ze allemaal gaan bezoeken. We besluiten dat we samen de hele trein gaan onderzoeken als we oud genoeg zijn.
Rond station :2017 is het zover, we zijn klaar om te vertrekken. Marie en Eric zeggen dat ze me gaan missen, en ik zal hen ook missen, maar er valt nog zo veel te doen voor het einde van de rit!

We komen niet ver. In de Amstelveen-wagon haakt Berend al af. Hij heeft iemand gevonden waar hij een nieuwe coupe mee wil beginnen.
“Sorry Peter, maar het was toch geen haalbaar doel. De hele trein onderzoeken, is het niet een veel fijnere reis als je weet dat je een comfortabele coupe hebt? Het was een kinderachtig doel.”
Ik antwoord niet en loop weg. In mijn hoofd ben ik al ver wagons weg van Berend, de verrader. Dit is de laatste keer dat ik hem zie. Later hoor ik dat hij op een :2025 station uit moest stappen. Ik hoop alleen dat hij geen spijt had van zijn keuze.

:0010 stations trek ik rond. Ik ben in 250 wagons en meer dan 2000 coupes geweest, maar geen enkele die ik die van mij kan noemen. Ik maak veel vrienden op de hele trein, heb zelfs coupes met sommigen, maar nooit verder dan 0003:0000 stations. Ik ben rusteloos, ik kan niet lang blijven zonder ruzie te maken.
Bij station 1706:2030 belt Eric mij huilend op. Of ik zo snel mogelijk terug naar de Delft-wagon kan komen, Marie moet over 0200: stations uitstappen. Ik kom zo snel mogelijk, maar ben te laat. Ze is al uitgestapt. Ik stort in, ik had nooit verwacht dat ze al zo vroeg uit moest stappen.
Eric zegt dat hij het volgende station ook uit zal stappen om haar te vinden.
“waarom zou je dat doen!” vraag ik geschokt. “Er is nog zo veel moois op deze rit!”
“Snap je het dan niet?” reageert hij door zijn tranen heen. “Er is helemaal niks moois in deze trein. Het is een trein, godverdomme! Het enige wat deze trein mooi maakt zijn de mensen die ermee reizen, de mensen die ervoor gekozen te hebben om samen met jou te reizen. Marie was voor mij de reis, het doel.”
Ik ben stil. De volgende dag stapt hij uit en blijf ik alleen achter in de coupe in de Delft-wagon.

“Is deze plaats vrij?” vraagt ze terwijl ze me aankijkt met haar prachtige ogen.

Gezelschap

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

De morgenzon schijnt fel in mijn ogen. Ik tsierp een paar keer. Vrolijke klanken op een sombere dag. Somber, maar alleen voor hen die somber willen zijn. Mijn scherpe oog spot een dikke worm tussen de kiezelstenen op het dakje. Pik, en weg is de worm.
De gordijnen voor het raam gaan open. Donkere, sombere gordijnen. Een glad gezicht verschijnt. Het blijft me keer op keer verbazen, hoe deze mens de wereld ziet. Klik! Het bovenraam gaat open. De schouders gaan langzaam omhoog en dan weer omlaag. De mens gaat nog even zitten. Hij heeft iets in zijn handen, maar wat het is kan ik niet zien. Dan gaat het grote raam ook open. De mens, wiens lichaam nog half kaal is, zwiept zijn benen naar buiten. Ik fladder naar zijn kale voeten. Gezelschap is belangrijk. De mens kijkt naar mij, en lacht naar mij. Hij steekt zijn hand naar me uit, en ik stap op zijn vinger. Al snel ruik ik de vieze rook. Die stinkt, en maakt het vrij vervelend om hier bij de mens te zitten. Toch blijf ik, want gezelschap is belangrijk.
De mens voelt zich al beter. Hij gooit zijn rookwaar van het dak. Misschien dat op een dag, hij zich hier niet meer mee bezig houdt. Dat hij alleen maar buiten zit, om mij gezelschap te kunnen houden.
Niet dat ik dat nodig heb. Ik ben een vogel, ben je mal! Een kauw nog wel, ik red mezelf.
De mens is al naar binnen. Geduldig wacht ik, op het dak. Straks vertrekt hij weer. Dan rijdt hij, met wielen aan zijn voeten, de lange, lege straat uit. Ik wacht op hem, maar weet, dat hij niet meer terug komt voordat de zon weer onder is.
Daar komt hij al. Ik tsierp een keer, om hem te laten weten, dat er iemand op hem wacht. En hij verdwijnt. Hij geeft geen kik.
Nu ga ik op zoek naar wormen. Laag boven de grond vliegend, die vochtig is vandaag.
Ik weet dat er meer kauwen zijn. Die leven maar zo’n 100 meter verderop. Als jonkie ben ik namelijk uit mijn warme nest gevallen. De grond was hard en koud, ik had me flink bezeerd. Honger had ik ook.
De mens vond mij, en heeft me meegenomen. Gevoed, verzorgd en vrijgelaten. Maar ik ken de mens. Ik hoor bij hem. Hij hoort misschien wel meer bij mij. De mens is somber, droevig vaak. Hij heeft geen zin om op te staan. Misschien is ook hij zijn ouders kwijt. Daarom blijf ik bij hem, want gezelschap heb je nodig.
Het regent, en is koud en donker. De mens komt aan, veel slomer dan bij zijn vertrek. Ik tsierp naar hem, om te laten weten dat ik op hem heb gewacht.
De mens vloekt en scheldt. Hij houdt niet van de regen, maar zijn plek is droog en warm. Ik hou ook niet van de regen. Morgen zal het droog zijn. Ik hoor gestommel in het huis. De mens loopt nu zijn kamer in. Gordijnen dicht, nog meer gestommel. Klik! Het bovenraam gaat dicht. Het grote raam gaat open. De mens ziet er moe uit, maar lacht nog steeds naar mij. Dat doet me goed. De mens houdt van mij. Ik klim weer op zijn vinger, hij brengt me dichterbij. Deze rook is erger, met dikke damp en nog viezere lucht. Dat maakt me helemaal niets uit, want wij zijn nu weer samen. Misschien dat op een dag, de mens op weg naar mij zal zijn, want gezelschap is belangrijk.

Zo goed als dood

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Waar ben ik? Ik weet het niet. Ben ik dood? Ik weet het niet. Verdomme, Adia, concentreer je! Ik moet iets doen, iets, wat dan ook. Kijken! Doden kunnen niet kijken, toch? Ogen open, niet te snel… Licht! Ik zie licht! Opluchting glijdt van me af. Ik leef. Maar waar? En waarom ben ik… Ruw word ik beetgepakt, waarna er naar me wordt geschreeuwd. Ik kijk in de ogen van een onbekende man. Als ik verder om me heenkijk zie ik tot mijn verbazing nog honderden andere kinderen en ik weet niet of ik hier blij mee moet zijn of niet. ‘Waar ben ik?’ vraag ik. ‘Waar je hoort!’ is zijn antwoord. Oké, dan vind ik het zelf wel uit. Het landschap is droog, dus denk ik dat ik nog in Afrika ben. Voor de rest is er niet veel te zien, behalve een hek met slecht gewikkeld prikkeldraad erom. Ik hoor een man schreeuwen dat we bij elkaar moeten komen. Hij ziet er moe uit, alsof hij geen zin heeft in al het gezeik van deze kinderen. Toch begint hij te praten. ‘Jullie zijn uitverkoren om het werk te doen wat nodig is, zodat we de mens in kunnen laten zien dat het doen en laten van hen slechts bepaalt wordt door de wil van Allah. Jullie zullen de wereld veranderen, door jullie te verzetten tegen diegenen die tegen Allah zijn. Net zolang tot ieder is bekeerd. Vecht of sterf, maar vlucht niet.’ Met open mond staar ik hem aan. Alles begint op zijn plek te vallen, al wordt het daar niet beter van. Ik moet iets doen. Ik weet niet wat, maar iets, iets waardoor ik hier niet aan mee hoef te werken. Vecht of sterf, maar vlucht niet. Laat dat laatste nou precies zijn wat ik ga doen.

52 uur later
Ik ren voor mijn leven. Letterlijk. Af en toe sta ik stil om te luisteren of ik geweerschoten hoor, of iets wat er op wijst dat ze me hebben gesnapt. Een gat in een hek lijkt me namelijk niet erg onopvallend, maar iets beters kon ik niet verzinnen. Ik heb werkelijk geen idee waar ik me moet verstoppen. Het land is hier namelijk zo plat als een dubbeltje. In de verte zie ik een rivier opdoemen. De Benue, zeg dat het de Benue is. Mijn dorp ligt langs de Benue, dus zo heb ik misschien nog een piepkleine kans mijn dorp te vinden. Ik kom bij de rivier, nog steeds geen flauw benul hebbend welke het is. Links of rechts? Nog voor ik over die vraag na kan denken, hoor ik geschreeuw achter me. Ohnee, ohnee ze weten het! Het is voorbij en ik kan er niks aan veranderen. Dag mama, dag papa, dag vrienden, tot ooit…

28 uur later
Verschrikt kijk ik om me heen. Ik lig op een matras op de grond. Rechts van me staat een glas water, die eerst ik gulzig opdrink. Vervolgens bekijk ik de rest van de kamer. Ik schrik. ‘Ga weg, ga weg, blijf van me af!’ ik stop niet met gillen. Ook niet als de vrouw, die zojuist op een stoel links van me zat, mijn polsen beetpakt en roept dat ik rustig moet zijn omdat ik de hele buurt bij elkaar schreeuw. Plots slaat ze me in mijn gezicht. ‘Sorry,’ zegt ze. ‘Dit was de enige manier om je stil te krijgen. Vertel, waar kom jij vandaan en waarom hebben wij jou bewusteloos gevonden?’ Ik weet niet of ik haar kan vertrouwen, maar er is niemand anders waarvan ik dat wel zeker weet en ik moet mijn verhaal kwijt. Dus ik vertel. Geschrokken hoort ze alles aan. ‘Je bent gevlucht? Van Boko Haram?’ ik knik. ‘Ik wil naar huis.’ zeg ik, kinderlijker dan dat ik het eigenlijk wil zeggen. Maar het kan me niet zoveel meer schelen. De vrouw glimlacht en wil iets zeggen, maar op dat moment klinkt er een stem. ‘Gevaar! Gevaar! Vlucht als je leven je lief is!’ Dus dat doen we.

67 uur later
Ik ben nog nooit zo blij geweest om een stad te zien. We schreeuwen bijna van geluk. Bijna, maar we doen het niet omdat we moe zijn en honger hebben. We kloppen aan bij het eerste huis wat we tegenkomen. Een jonge, aardig rijk uitziende man doet open. Aan zijn reactie te horen zien we eruit als een stel zwervers. ‘Mijn hemel, wat is er met jullie gebeurt? Het lijkt wel alsof jullie dagen van huis zijn geweest!’ ‘Nou, zover zit je er niet naast.’ zegt de vrouw glimlachend, van wie ik nu weet dat ze Fadhila heet. De man laat ons binnen en geeft ons eten terwijl wij ons verhaal doen. Ik sluit mijn verhaal weer af met de zin ‘ik wil naar huis’, met stiekeme hoop dat hij me naar Enegu kan brengen, mijn thuisdorp. Ik vroeg me af of die gedachte egocentrisch was, wetend dat Fadhila haar huis waarschijnlijk is verwoest door de soldaten. Nadat we alles hebben verteld, staat hij op en zegt ons dat we mee moeten lopen. We lopen naar een soort schuur. Wat ik daar zie laat al mijn moeheid, hopeloosheid en angst wegtrekken.

3 uur later
De hete wind die mijn gezicht in slaat doet er niet toe. Ik ga naar huis. In een auto. Ik heb nog nooit in een auto gezeten, ik kijk dan ook verwonderlijk om me heen. Het dorre landschap flitst voorbij, net zoals de tijd. Zonder dat ik er erg in heb, roept het navigatiesysteem (de man is écht rijk) dat we er zijn. Ik kijk op, verwachtingsvol, maar ik wou dat ik dat nooit had gedaan. Ik verstar. Alles is verwoest, afgebrand en stukgemaakt. Het lijkt alsof mijn dorp er nooit is geweest, weggevaagd als een vervelende vlieg. Ik realiseer me dat ik ongelijk had toen ik daar lag, denkend dat ik had bewezen dat ik niet dood was. Mijn leven is verdwenen, ik ben zo goed als dood.

Trein 13

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Ik was op 31 oktober 1858 op het station in Groningen, ik weet het nog goed want dat was de dag waarop ik stierf. Ik droeg een blauwe met kant bedekte jurk die tot mijn knie lang was, verder had ik mijn witte sokken hoog opgetrokken met mijn leren schoenen als pronkstukken er onder. Het was 09:00 en ik wachtte op de trein die naar Emmen in Drenthe ging. Ik moest nog een kwartier wachten tot de trein kwam maar dat vond ik niet erg want de zon scheen toch lekker op mijn gezicht ook al was het in oktober. 09:05 luidde de klok. 09:10, nog 5 minuten dacht ik bij mezelf. 09:15, Aahh daar kwam hij eindelijk aan. De trein was mooi rood met zwart en op de voorkant stond een koperen 13.
Ik stapte in en liet mijn kaartje knippen bij de conducteur. Dat was een oude man die zo dun was dat het net een skelet was. Hij grijnsde boosaardig naar mij; bijna al zijn tanden was hij kwijt. Toen reden we weg. Ik ging in het midden van de trein zitten op een bankje dat was bekleed met bloedrood stof. We reden door weilanden, weilanden en nog een weilanden heen.. en ineens net alsof ik met mijn ogen knipperde was het donker, net zo donker als ’s nachts. Ik vroeg aan de conducteur waar we nou eigenlijk ergens heen gingen. Hij lachte alleen met zijn restje tanden boosaardig. ”Engerd” dacht ik. Ik liep naar de machinist toe. Dat was een groen uitziende dikke man met op sommige plekken wonden en sneeën die haastig,….. gerepareerd waren leek het wel. Hij lachte ook alleen maar met een boosaardige grijns. Nou ja, dan ga ik maar terug zitten dacht ik.
Net toen ik ging zitten stopte de trein en viel ik op mijn bankje. Ik hoorde een hele harde boosaardige lach door de trein heen galmen. Het leek of de trein zelf lachte…. Plotseling zag ik lichtgevende en met bloedbedekte gezichten in de ruit. Ze flikkerden met licht en gingen toen weer weg. Daarna kwam er van voor naar achter door de trein een zwerm vleermuizen, het licht in de trein ging uit. En weer die lichtgevende- met bloedbedekte gezichten, maar deze keer waren ze binnen! Ik hoopte ze weg te kunnen slaan met mijn tas, maar ze kwamen steeds dichterbij. Het leek wel of ze mijn gezicht eraf wilden zuigen. Ik stond op en rende naar het begin van de trein. Uit de banken kwamen bloeddorstige mummies naar buiten; sommige stukken huid waren zichtbaar, groen, rimpelig en vol met korsten en zweren. Ook hun mond was zichtbaar met vlijmscherpe, rotte tanden. Ze kwamen op me af.
Plots zag ik een spook op de rails; het leek me veel vriendelijker dan alles in de trein dus wilde ik aan de conducteur vragen of hij de deur wilde opendoen, maar hij lag als een skelet in een hoekje. Daarna wilde ik het vragen aan de machinist maar hij was zijn hoofd kwijt en hield een bloederige bijl vast. Ik gooide zelf de deur maar open en rende naar het spook, maar dat was er niet meer. Het bleek alleen het silhouet te zijn geweest van een nachtvlinder die in het glas van een lantaarnpaal zat.
Ineens begon de trein weer te rijden. Ik werd overreden en zag mijn lichaam toegetakeld liggen. ‘Wacht hoe kan ik mijn lichaam daar zien liggen?’ dacht ik.
Ik keek in de plas bloed die naast mijn lichaam lag. Ik zag dat ik een witte gedaante was geworden en op de plek waar mijn voeten moesten zitten was niks meer, ik zweefde boven de grond. Verder zag ik er nog hetzelfde uit als toen ik nog leefde. Maar alleen dan wit en doorzichtig.
De volgende dag werd mijn lichaam gevonden. Verder bleef ik daar ronddwalen op dat stuk rails. Altijd wachtende op trein nummer 13 die naar Emmen in Drenthe zou gaan. Maar die kwam nooit meer langs. En zo zwierf ik zelf naar Emmen toe waar ik elk jaar op 31 oktober de mensen bang zou gaan maken met mijn spookgedaante. Voor altijd.

Van: Margot van de Gevel
Klas: H2c

In mijn dromen onderweg

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Ik lig in bed, te denken aan hoe mijn leven nou eigenlijk is. Is het leuk, spannend of gewoonweg echt fantastisch. Nou, dat laatste zeker niet. Mijn leven is in 1 woord: saai. Echt vreselijk saai. Mijn ouders zijn alleen maar aan het werk, ik heb geen broers of zussen en op school is het ook niet al te leuk. De kinderen uit m’n klas vinden me anders. Ze vinden me anders omdat ik vaak dromerig voor me uit zit te staren en niet echt contact leg met andere. Daar heb ik ook echt geen behoefte aan eerlijk gezegd. Dat “dromerig voor me uit staren” doe ik inderdaad vaak. Omdat mijn leven zo saai is droom ik over mijn leven hoe het er over een paar jaar uit ziet. Lekker veel reizen en mooie plekken zien, want wij gaan bijna nooit ergens naartoe. Mijn ouders moeten namelijk altijd werken en in de vakanties zijn ze meestal overspannen, daar heb ik dus ook niks aan.
Ik lig in mijn bed en heb eigenlijk wel weer zin om in mijn vliegtuig naar dromenland te gaan. Het maakt niks uit waar ik uitkom, elke plek is beter dan mijn saaie leventje.
Ik land op de top van een hoge berg, er ligt sneeuw op. Tot mijn verbazing is het helemaal niet koud, ik heb het zelfs bloedheet. Opeens zitten er skies onder mijn voeten en zoef ik de berg af. Ik heb nog nooit in heel mijn saaie leven geskied, maar dat maakt niks uit want in mijn dromen kan alles. Mijn skies zijn plots verdwenen en hebben plaats gemaakt voor gele slippers met een tropische bloem erop. De sneeuw is ook verdwenen, nu is de grond bedekt met zand. Ik voel iets nats bij mijn tenen. De zee! Er spoelen prachtige schelpen aan in allerlei kleuren en verderop ligt een bootje. Het bootje heeft een neus, ogen en een mond en het roept dat ik aan boord mag komen. Het bootje begint meteen te varen en voordat ik het weet varen we de grachten van Amsterdam binnen. Weg zand, weg zee. Nu worden we omringt door prachtige grachtenpanden. Het bootje maakt weer vaart en ja hoor, we varen in de rivier van de Amazone. We worden niet meer omringt door prachtige grachtenpanden maar door een groot bos, de jungle. Ik krijg rillingen bij de gedachte wat voor dieren er in de jungle verstopt zitten. Ik stop snel met die gedachtes want het bootje maakt weer vaart. Dit keer gaat het bootje onderwater. Opeens heb ik een duikpak aan en zwem ik tussen de haaien. Het bootje is verdwenen. Ik zwem verder en zie een prachtig koraalrif met wel duizenden vissen. Ik kom gewoon ogen te kort zoveel is er te zien. Dan trekt de stroming me omhoog en sta ik opeens op time square in New York. Om me heen is het een drukte van jewelste. Overal waar ik kijk lopen mensen en torene wolkenkrabbers hoog boven de menigte uit. Ik heb altijd al eens in zo’n wolkenkrabber willen kijken, en voor ik het weet sta ik in de lift van een van de grootste wolkenkrabbers in de stad. Maar de lift stopt niet, hij blijft maar stijgen. Dan komt de lift oppeens met een klap tot stilstand. De deuren gaan open en ik zie een hele grote woestijnvlakte. De lift verdwijnt en ik val in het zand. Overal waar ik kijk is zand, er is niet eens een zee. Ik begin te lopen en kom al snel iemand tegen. Nouja iemand, een kameel. De kameel begint tegen mij te praten. Hij vraagt of ik misschien mee wil rijden. Ik klim tussen zijn bulten en hij begint meteen te rennen. Ik moet me stevig vasthouden want de kameel gaat als een speer. Dat gaat alleen niet zo makkelijk want al gauw val ik achterover in het zand. De kameel is opeens verdwenen. Plots begint het heel hard te waaien en er komt een grote zandstorm op me af gestoven. Ik kan me nergens verbergen dus probeer ik me maar zo klein mogelijk te maken. Het zand vliegt overal om me heen en plotseling voel ik dat de aarde onder me begint in te zakken. Het zand vormt een diep gat en uiteindelijk val ik. Meters diep en ik weet niet waar ik terecht zal komen. Hij lijkt uren te duren maar er komt geen einde aan de val. Tot ik plots beland in een boom met stekelige takken. De zon schijnt erg fel in mijn ogen. Ik kijk over de takken van de boom heen en zie een grote vlakte met allemaal dieren. Ik val uit de bodem maar ik kom zacht terecht. Ik voel de ogen in mijn rug prikken, ik draai me snel om. Ik sta oog in oog met een levensechte leeuw. Eigenlijk wil ik weg rennen maar de leeuw begint al gauw tegen mij te praten. Hij verteld me dat ik op de savanne terecht ben gekomen en dat er een jeep voor me klaar staat waarmee ik op safari ga. De jeep komt aangereden en we vertrekken meteen. Ik zie olifanten, giraffen, leeuwen met hun welpjes, vogels in allerlei kleuren en een hele grote neushoorn. Het lijkt wel uren te duren en steeds komen er weer dieren bij. Maar de jeep verteld me dat dit de laatste plek is waar ik vanacht heen reis. Het liefst wil ik hier voor eeuwig en altijd blijven, heel de dag onderweg naar een bijzondere plek vol prachtige en nieuwe dingen om te ontdekken.

Voor ik het weet is de savanne verdwenen en staar ik naar het plafond in mijn kamer.
Moe van de lange reis die ik in mijn dromen heb gemaakt. Over een paar jaar bezoek ik de plekken die ik in mijn dromen ben tegengekomen. Als dat toch zou kunnen, dat overtreft echt mijn stoutste dromen.

Sam Wolfs H2C

985 woorden

Onderweg naar beter

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Het felle licht schijnt in mijn ogen. Ik knipper een paar keer om aan het licht te wennen. “Opstaan!” roept Danique. Ik blijf nog even liggen met mijn ogen open. “Ik zeg het niet nog een keer, Nola ” zegt Danique. “Ik heb je wel gehoord hoor!” snauw ik terug. Ze kijkt me aan “ het is nergens voor nodig om zo tegen mij te doen”. Ik kijk haar hatelijk aan maar zeg niks. Langzaam kom ik uit bed en trek ik mijn ladekast open. Het enige wat ik heb om aan te doen is een spijkerbroek en een zwarte trui. “Schiet eens op Nola”. Ik stap in mijn schoenen en loop naar haar toe. Wanneer ik langs haar loop werp ik haar een smerige blik toe. Haar lange blonde haren zijn in een knot opgestoken en ze heeft rode lippenstift op, haar groene ogen kijken me geïrriteerd aan. Ze doet de deur achter me dicht en loopt achter mij aan. We loop de gang door, de trap af langs de kamer van Tobias, haar stomme vriendje, naar de eetkamer. Iedereen zit al rond de tafel, Maartje, Eva, Nelleke, Milo, Juul en Tobias. Danique gaat naast Tobias zitten en geeft hem een kus. “ Goedemorgen Nola” zeggen Tobias en een paar anderen, maar ik zeg niks terug ‘goedemorgen’ er is helemaal niks goed aan deze vervelende rot ochtend.
Ik loop naar de ,enige vrije, stoel naast Danique. Boos zak ik op de stoel.
Het komt allemaal door mijn vader, ik walg van hem. Toen ik 13 was, was hij opeens weg. Hij liet mij achter met een 8 jarig jongetje en een depressieve moeder. Ik moest naar school en mijn broertje ook maar we hadden niet veel geld. Na school haalde ik eerste mijn broertje ,Matheus, op waarna ik zelf ging werken. Mijn broertje zorgde voor mijn moeder en maakte zijn huiswerk. Om 8 uur was ik klaar met werken en ging naar huis om wat eten klaar te maken. Na het eten bracht ik mijn moeder en Matheus naar bed. Ik was doodmoe maar ik kon nog niet gaan slapen. Eerst moest ik nog wat huiswerk maken.
Ik kon niet meer ik was moe, ik liep 2 maanden achter met huur betalen en mijn broertje was ziek. Ik wist niet meer wat ik moest doen. Op een avond liep ik door de stad terug naar huis helemaal uitgeput van de zware dag. Een sterke arm greep me van achteren beet, ik gilde maar er werd een plakkerige hand over mijn mond gelegd. Ik beet hard in de hand en hij liet los, ik rende weg “wacht! Ik wil je helpen!” schreeuwde een stem. Aarzelend draaide ik me om. Het was een jongen , donkere krullen, bruine ogen, hoge jukbeenderen en mooie lippen. Hij was breedgebouwd, je zag zo dat hij erg gespierd was. Hij keek me aan met zijn mooie ogen. “Ik wil je helpen, echt waar” zei hij een beetje smekend. Ik was in de war, ik kende hem niet ik had hem zelfs nog nooit gezien, hoe zou hij moeten weten hoe het er thuis bij mij aan toe gaat. Ik had het nog nooit iemand vertelt. Ik kan het niemand vertellen, ik heb helemaal geen vrienden. Hij zag dat ik aan het twijfelen was want hij kwam een stap naar me toe “Ik weet hoe je heel snel heel veel geld kunt verdienen” zei hij. Ik werd nieuwsgierig “Hoe dan?”.
Vanaf dat moment kreeg ik klusjes van hem die ik moest doen, ik wist dat het illegaal was wat ik deed maar wat kon mij het schelen zolang ik maar mijn geld kreeg en mijn gezin kon onderhouden. De jongen, Bart, en ik werden verlief op elkaar althans dat dacht ik. Ik was in ieder geval echt verliefd op hem.
Ik kreeg een andere kant van hem te zien. Hij begon me te slaan als hij boos was en dwong me drugs te dealen. Ik wilde hem niet boos maken bang voor zijn woede dus deed ik het. Denkend dat hij verliefd op me was en dat we gelukkig waren deed ik alles wat hij vroeg. Matheus stelde geen vragen hoe ik aan al dat geld kwam, hij vond het al lang fijn dat we wat geld hadden geloof ik.
Toen ik net weg wilde gaan bij Bart om een pakketje af te leveren op een zonnige Dinsdag morgen, stormde de politie binnen. Mijn lichaam verstijfde van angst, wat moest ik doen?!, wat kon ik doen?!, wat gaat er gebeuren?!. Een politie agente kwam naar mij toen en pakte mijn armen vast. Ik probeerde me los te rukken. Ze trok mijn armen naar achter en sloeg me in de boeien. “ Bart, Baaaart!!!” schreeuwde ik in paniek. Ongeveer 3 meter bij mij vandaan lag hij op de grond geduwd met twee agenten boven op hem. “Help me, help me dan toch” snikte ik. “Ach hou toch je mond Nola, trut, jij hebt me verraden!” siste hij woedend, zijn ogen stonden hard en glashelder. Ik schrok en draaide mijn hoofd van hem weg. “Ik..ik zou je nooit verraden…we houden van elkaar, dat zou ik je nooit aandoen, nooit!” Fluisterde ik net hard genoeg zodat hij mij kon
horen. “ ‘Houden van elkaar’ hahaha, ik heb nooit van je gehouden, zeg nou zelf waarom zou ik van jou houden, stom kind” zei hij smalend.
Ik stond als verdoofd, ik hoorde de woorden in mijn hoofd na galmen. Het leek net alsof alle pijn die ik ooit heb gevoeld zich tot een grote bal had gevormd en recht door mijn borstkas heen was gestoten. De tranen liepen over mijn wangen. Dit kan niet waar zijn..het kan gewoon niet.
De dagen daar naar gingen in een roes voorbij ik was verdoofd door de pijn mijn hele wereld was/is ingestord. Ik kon alleen maar aan Bart denken.
En nu ben ik hier in het opvang huis voor tieners ,‘onderweg naar beter’.

De Race

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Ja, ik ben hier nog. Ik ben niet weggegaan toen jij je slecht voelde, ik ben niet weggegaan toen jij mij sloeg, ik ben niet weggegaan toen jij de wereld wou intrekken. Nee, ik zou voor altijd de jouwe zijn. Dat was iets dat ik je beloofd had al die jaren geleden. Ja, ik ben hier nog. Misschien niet waar je me zou willen, maar mijn gezicht flitst elke dag door je ogen. Zelfs wanneer jij een ander kust dan zie je mij. Dood was niet het einde. Het was slechts een korte stop op een zeer lange weg. Je mist mij. Je zou willen dat je me weer vast kon houden. Die avond dat je per ongeluk op mijn voet stond en jij mij in de ogen keek voor de eerste keer. Al die koude winterdagen dat we samen onze koffie opdronken in het café naast de bakkerij. De statussen op Facebook die we samen deelden. Dat miste jij. Helaas waren er dingen dat jij meer miste dan mij. Elke avond zocht jij een plaatsje diep in de rook van de pubs om je problemen te laten verdwijnen door het bier of de joints die jij verstopte in je sokkenlade.
Het was die ene avond wanneer jij me voor het eerst echt ging missen. De avond wanneer ik niet meer van je zou kunnen houden. Voorheen ging je langzaam en ontspannen naar het einde van die lange weg, maar na die avond zette je je voet ferm op het gaspedaal.

De sokkenlade was net open en de joints kwamen tevoorschijn. Je smachtte naar de ontspannen sfeer die de kleine met kruiden gevulde cilindertjes je gaven. je haatte jezelf omdat je daar zo naar verlangde. Die avond dacht je dat ik al lang vertrokken was naar de cinema met mijn beste vriendin, maar ik was mijn portefeuille vergeten, dus drukte ik de rem van mijn fiets hard in en keerde ik terug naar ons klein en gezellig appartementje. Ik wist dat je die avond naar je vrienden zou gaan. Wanneer ik het appartement binnenkwam, zag ik je niet. Je leek verdwenen te zijn. Ik riep je naam meerdere keren, maar er kwam geen antwoord van jou. Toen ik mijn portefeuille niet vond, werd ik ongerust. Niet alleen omdat ik zeker was dat hij hier ergens moest liggen, maar ook omdat jij er niet was. Je vertrok nooit zo vroeg op de avond.
Er was slechts één kamer die ik niet bekeken had. De slaapkamer. Ja, daar zat je dan gehurkt tegen het bed met een joint in de ene hand en een Jupiler in de andere. Jij, die respectvolle advocaat, die ik 6 jaar geleden leerde kennen, zat daar niet meer. Het was de echte jij. De jij die je probeerde te verbergen.
Toen ik je confronteerde, werd je boos. De alcohol stimuleerde je woede en voor je het wist had je me tegen de muur gedrukt. Ik was bang en smeekte je te stoppen, maar je stopte niet. Je ging door alsof je een wild beest was en ik was je prooi. Ons appartement was op de 11de verdieping, maar je geheugen liet je in de steek. De joints en de alcohol hadden ervoor gezorgd dat je zelfs je eigen naam niet meer wist. Met al je kracht gooide je me richting het raam en het balkon. Je kracht had zelfs jou verbaasd. Zonder veel moeite vloog ik door het raam en over het balkon de diepte in. Ik schreeuwde nog, maar dat kon de echte jou niet schelen. Je rookte al je joints op totdat de politie binnenkwam en je arresteerde. Ze hadden mijn lichaam op straat gevonden. Je had zelfs niet omgekeken.

Nu, 8 jaar later, ben ik er nog steeds. Mijn stem is niet vervaagd, mijn bange gezicht lijkt je elke minuut van elke dag aan te kijken. Zelfs de alcohol werkt niet meer.
Het gaspedaal is nog steeds ingedrukt, maar hoe kan je ooit de finish bereiken, als de auto zelf kapot is.

Nooit meer naar huis

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Het was vroeg in de ochtend. Ik was klaarwakker, ook al had ik geen oog dicht gedaan. Vandaag ging het gebeuren… Ik was misselijk van de zenuwen. Ik ging stil mijn bed uit en kleedde me warm aan. Toen ik naar buiten keek, was het wit door de sneeuw. Er stond een harde wind waardoor er een tak van een boom afbrak. Ik pakte mijn tas en liep zo stil als ik kon naar beneden.

Na het overlijden van mijn moeder was mijn stiefvader er niet liever op geworden. Hij was overdag op zijn werk en ’s avonds was hij weg. Toen ik die zondagmiddag zijn kamer binnen was gekomen, vond ik onderin de kast iets. Iets wat alles verklaarde. Het kleine, zwarte pistool dat ik trillend in mijn handen had, was de reden van mijn moeders dood. Mijn moeder had behoorlijk veel geld, dat ze terecht verdiende. Ze was al meer dan 10 jaar chirurg en werkte hard. Mijn stiefvader was geen seconde verdrietig geweest na het overlijden van mijn moeder. Dat was de reden geweest dat ik vandaag naar mijn oom, die in Berlijn woont, zou gaan. Ik zou nooit meer terugkomen naar huis.

Ik zat stil op de bank en at nog snel een boterham. Eén vriendin wist van vandaag, ze was er verdrietig van en vond het belachelijk. Ik zei dat ik haar ooit nog wel ging opzoeken. Ik schreef haar nog snel een berichtje via Whatsapp en legde toen mijn mobiel weg. Opeens zwaaide de deur open. Ik had niet gehoord dat mijn stiefvader de trap af was gestormd. Hij had woest gevraagd waarom ik hem wakker had gemaakt. Waarom ik niet in mijn bed lag en waarom ik mijn kleren aan had. Ik zweeg. Hij keek me aan en draaide zich om, terug naar zijn bed.

Ik keek op mijn mobiel, het was half 7. Tijd om te gaan… Ik pakte mijn spullen en propte er nog een paar krentenbollen in. Ik probeerde zo stil mogelijk de deur open te doen. Gelukt. Ik liep naar buiten. Toen ik aan het eind van de straat was, begon ik te rennen naar het station.
De trein kwam aanrijden en er stapten een paar mensen uit. Ik liep twijfelend de trein in. Als ik nu zou gaan, zou ik waarschijnlijk nooit meer terug komen. Ik slikte. Toen dacht ik aan mijn stiefvader, hoe vreselijk hij was, aan mijn moeder die zonder hem in haar leven nu nog had geleefd en aan mijn oom in Berlijn, die er altijd voor me zou zijn. Ik glimlachte en stapte de trein in. Ik hoorde bij mijn oom, die als een vader voor me voelde.

Op weg naar mijn doel

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

‘Onderweg’. God, wat haat ik dat woord, ik verafschuw het. Het insinueert slechts te bestaan, omdat het zich tussen twee punten bevindt. Men doet vermoeden dat het woord zelf geen waarde heeft. Daar ben ik het niet mee eens. Het ‘onderweg’ zijn is juist het belangrijkste van de reis. Het begrip is niet in het leven geroepen om het begin van iets met het einde te verbinden, maar het is er om te benadrukken dat het einde pas bereikt kan worden als er iets voor gedaan is. Dat moeten we mensen leren.

Ik zit in een trein die mij naar Amsterdam zal brengen. Ik ben op weg naar een grote wetenschappelijke bijeenkomst over de evolutietheorie. Het onderwerp trekt mij totaal niet, ik ga er niet voor mijn plezier naartoe en geen enkel persoon in mijn omgeving had ooit van mij verwacht dat ik een dergelijke bijeenkomst bij zou wonen. Toch zit ik nu in de trein.

Deze treinreis geeft mij ruimte om na te denken. Ik denk aan de verschillende overtuigingen van verschillende mensen op verschillende plekken. Ik probeer me in te beelden hoe het leven van anderen is. Ik zie mijn leven voor me zoals het er mogelijkerwijs uit had gezien als op dezelfde manier handel als anderen. Want dat is, naar mijn mening, het belangrijkste in het leven: in staat zijn afstand te nemen van je eigen overtuigingen en die van anderen proberen te begrijpen.

‘Meneer, zou ik uw vervoersbewijs mogen zien.’ Ik was zo diep verzonken in mijn gedachten dat ik de conducteur niet eerder gehoord had. Ik geef mijn ticket terwijl ik me weer op mijn gedachten richt. Dat lukt niet, want telkens als de conducteur bij een nieuwe stoel aankomt en opnieuw precies dezelfde zin uitspreekt, word ik uit mijn verbeelding gerukt. Hoe kan deze man een hele dag niets anders doen dan die ene zin uitspreken? Dat wordt op een gegeven moment toch saai? Wat is zijn doel op een doodnormale dag als deze donderdag?

Misschien ben ik bevooroordeeld, wellicht is het mijn lievelingsboek gelukt om me te indoctrineren, maar ik ben er heilig van overtuigd dat ieder mens doelen voor zichzelf moet stellen. We zijn namelijk niet in staat het doel van het leven te doorgronden. Om het gevoel van nutteloosheid te ontwijken, creëren we zelf een doel.
We zijn in ons leven constant op reis naar het behalen van dat doel. Hebben we het voornemen of doel eindelijk bereikt, dan stellen we direct een nieuwe zodat we door kunnen reizen. Ons leven is niets anders dan een lange reis, we zijn altijd onderweg, van doel naar doel, totdat we uiteindelijk de dood bereiken. Volgens sommigen het eindpunt van de reis.

Ik heb een moderne manier van denken, zeker als je in achting neemt dat ik priester ben van beroep. Ik ga naar een wetenschappelijke bijeenkomst. Er staan namelijk dingen in de Bijbel waarvan we nu bijna zeker durven te zeggen dat het nooit gebeurd is. Maakt dat het christendom minder waar? Nee, natuurlijk niet. Ik zou geen goede priester zijn als ik zei dat dat wel het geval was. We moeten misschien accepteren dat er fouten zijn gemaakt bij de vertaling van het heilige boek of dat haar schrijvers dingen net iets anders verwoord hebben. Dat neemt niet weg dat dat mijn geloof gebaseerd is op waarheden. God bestaat.

Volgens veel mensen zijn geloof en wetenschap elkaars tegenpolen. Ook dat is onjuist. Het zijn namelijk allebei antwoorden op onze vragen, maar beredeneerd vanuit andere perspectieven. Ook wetenschappelijke theorieën zijn niet-bewezen. Dat is namelijk de definitie van een theorie.
Mijn grote wens is dat wetenschap en geloof ooit naast elkaar kunnen leven. Ik wil dat verschillende geloven elkaar leren begrijpen en elkaar accepteren. Op deze manier kunnen we oorlogen uitbannen.

Ik werp een blik door het melkachtige plastic dat een raam moet voorstellen en zie het platte landschap dat Nederland kenmerkt. Het elektronische scherm dat bij de deur van de coupé hangt, geeft aan dat ik over drie minuten in Amsterdam Centraal zal arriveren. Dat is het eindpunt van mijn reis. Althans, de letterlijke reis. Mijn reis in het leven, van doel naar doel, is nog niet ten einde. Ik bereik hooguit een afslag zodra ik deze bijeenkomst heb bijgewoond. Wie weet wat voor invloed de sprekers vandaag op mij zullen uitoefenen.

Ik durf als priester verder te kijken. Hopelijk komen na mij meer priesters zoals ik, want enkel met een visie zoals de mijne kunnen we oorlogen voorkomen. De Bijbel is een mooi boek met prachtige verhalen. De schrijver heeft geprobeerd de normen en waarden van die tijd in de vorm van een verhaal aan de mensen te brengen. Het gaat om het moraal van het verhaal, niet om de verhalen zelf. Zo is het bij veel verhalen, dat wat daadwerkelijk gebeurd is, is verzonnen, maar het draait om het achterliggende idee. Helaas zijn mensen de verhalen als waargebeurd gaan beschouwen.

Ik vraag me af hoe dat kan. Over water lopen en een rivier met een enkele handbeweging voor je uit laten wijken, dat is toch ongeloofwaardig? Hoe kunnen mensen daar dan in geloven? Nee, het gaat mij echt om het moraal van het verhaal. Ik snap nog steeds niet dat mensen zo’n ongeloofwaardig verhaal durven te geloven.

Ik ben onderweg. Ik ben op weg naar mijn ultieme doel: het volledig doorgronden van de Bijbel. Ik wil met een frisse blik naar het boek kunnen kijken en ik wil dat iedereen gelukkig is. Dan pas komt mijn reis ten einde.

Mensen zien tegenwoordig niet meer dat verhalen, onder andere de Bijbel, een figuurlijke betekenis hebben. De schrijver wil iets aan de lezer meegeven. Die lezers willen liever een ongeloofwaardig verhaal voor waar aannemen, dan moeite steken in het doorgronden van de betekenis van de tekst. Zeg nou zelf, hoe geloofwaardig is een verhaal over een conservatieve, maar ruimdenkende priester die onderweg is naar een wetenschappelijke bijeenkomst in de hoop dat religie en wetenschap ooit in vrede samen zullen leven?

Onderweg

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Twee jongens. Drie tassen. Één dag.

Een vrachtwagen reed weg. We krabbelden overeind. ‘Max, waar zijn we? Ik weet het niet Daan.’ Zei Max. Het was heel heet. We zaten op een kale grasvlakte, en hoe ver we ook keken, er was niets te zien. Naast ons lagen drie kleine soort van handtassen tassen. Wat zou erin zitten? We keken erin. In de eerste 2 tassen zat elk een flesje water, en in de derde een envelop en een kompas. Ik maakte hem open. Er zat een kaart in, en een brief. We besloten eerst op de kaart te kijken. Er zat veel groen, wat water, en aan de rechterkant van de kaart stond een huisje, met de naam ‘Venus.’ We lazen de brief. Ik las voor: ‘kom voor de volgende zonsopgang in Venus en druk daar op de knop. Lukt het niet, dan blazen we het hele gebied op. We keken elkaar aan. ‘hoe heeft dit kunnen gebeuren? Het enige wat ik nog weet is een rit in een vrachtwagen.’ We besloten maar te gaan lopen, in oosterse richting, zoals op onze kaart stond, met behulp van ons kompas. Max begon al te drinken. ‘Stop!’ zei ik. ‘Probeer je water een beetje op te sparen, je moet er een dag mee doen!’. We liepen. Uren, maar het leken wel dagen. Toch was na korte tijd het water op. We vielen zowat op de grond van de dorst. ‘Kijk, we moeten snel zijn, de zon komt bijna op!’ we liepen wat sneller. Ik zag een stipje in de verte en… ja! Het was het huis. We begonnen te rennen. Ik zag de zon al op komen. We rennen naar binnen. Het was een houten huisje met één kamer. In het midden stond een soort bedieningspaneel met…ja hoor! Een grote rode knop! We sprinten nu. Ik struikel en val hard op mijn hoofd.

Was het gelukt? Weet ik niet. Een ding weet ik wel. Alles was zwart

Onderweg naar antwoorden

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Onderweg naar antwoorden
‘Toen ik wakker werd, had ik vragen. Vragen, zoals: wat zal er gebeuren na dat de Aarde niet meer zal bestaan? Hoe zal de toekomst eruit zien, als we niets tegen milieuvervuiling doen? Is er een nieuw leven na de dood?
Allemaal vragen, waarop nu geen antwoorden zijn.
Maar als je zoekt, vind je. En als je niet zoekt, vind je niks.
Da’s logisch.
Dus ik vertrek. Waar naartoe weet ik ook niet. Maar ik ga zoeken, want ik wil antwoorden.
Zo begon mijn rijs. Willen jullie meer horen?’
Vroeg ik aan de mensen rond het kampvuur.
‘JA!!!’
‘Zoals jullie willen. Ik pakde eten en drinken en warme kleren voor de zekerheid. Toen vertrok ik naar… naar… maar waar naartoe? Ik wist niet wat me te wachten stond, en het zou gevaarlijk kunnen zijn…’ Bedacht ik me ‘Maar toch had ik zo’n gevoel dat ik het ging overleven en dat ik zou vinden wat ik zou hebben willen gevonden.
Zo begon het. Zo ging ik weg. Ergens naartoe, maar ik weet niet waar. Toch ga ik. Zo begon het.

EINDE

Dit is eigenlijk een verhaal waar iedereen zijn fantasie zou moeten gebruiken, zodat ze er een spannend, verdrietig of blij einde aan kunnen toevoegen dat misschien alleen hun leuk vinden, en de rest niet, maar dat is niet erg, omdat iedereen zijn eigen smaken heeft.
In ieder geval, ik had heel veel plezier om een einde aan dit verhaal te bedenken, ik hoop dat jij er ook net zo veel plezier aan zal hebben, voor de rest, gebruik je fantasie en…
Veel Plezier!

Luc Wehrens,
11 jaar

Slavinkjes

Posted on: februari 11th, 2015 by Scholieren

Op een doodnormale dag liep ik naar de koelkast om iets te eten te maken. En wat zie je dan… Eten op! Dat is natuurlijk heel jammer, maar daar zijn winkels voor. Toen ik met de auto naar de winkel reed, was ik van plan om slavinkjes te kopen. Loop ik naar de karretjes, 1-euromuntje erin, boodschappenlijstje erbij, en gaan naar die slavinkjes! Snel naar de slavinkjes voordat die uitverkocht zijn . Toen ik eraan kwam stond er een briefje: ‘’In verband met omstandigheden zijn er op dit moment geen vleeswaren aanwezig’’ . Hoe zou dit kunnen? Een mens moet toch slavinkjes kunnen eten!? Ik moet dit uitzoeken! Alleen waar zou ik moeten beginnen? Bij de Albert Heijn manager, bij de verkoper, of toch gewoon bij een medewerker? Laat ik maar bij de medewerker beginnen.‘’Eerlijk gezegd heb ik geen idee, meneer’’. Zo gaat het dus altijd bij dat soort mensen. Dan bij de manager, en die stuurt me gelijk door naar de verkoper, die helemaal in Heilojiang (China) zit! Dan zit er niks op, naar China dan! Snel naar Schiphol om dan het eerstvolgende vliegtuig naar ??????? (Jixi Xingkaihu Airport) te nemen. Autootje parkeren, koffers inchecken, douane, en dan nog eventjes 2 uur wachten tot het vliegtuig komt, met al 40 minuten vertraging door een storm. Hopelijk is die over als ik moet vliegen.

Na een tijdje wachten op Schiphol kwam er een heel harde storm, wat nog meer vertraging opleverde. Alle banen waren kleddernat en er was veel bliksem. Heel veel vluchten waren daardoor ook gecanceld. Alleen mijn vliegtuig kwam als een van de weinige vliegtuigen landen, gelukkig maar. Nu nog hopen dat hij ook nog gaat opstijgen.

Toen ik naar de baan liep met mijn handbagage zag ik van welke maatschappij het vliegtuig is. Turkish Airlines. Het meest neergestorte vliegtuig van de wereld…
Als ik dit geweten had was ik nooit gegaan. Wie gaat er nou vliegen met Turkish Airlines
in een storm??? In ieder geval kon ik niet meer terug, want je kreeg geen geld
terug voor de tickets, dus ik moest wel. Toen ik eenmaal een lekker plekje
gevonden had om te zitten (niet zo moeilijk, met m’n eentje in het vliegtuig) viel
ik gelijk in slaap. . .

Toen ik wakker werd hoorde ik een piep, zo’n piep van ”Turbulence, Seat bellts on,
please”. Ik had al vaker zo’n piep gehoord, dus ik was niet bang voor een beetje
turbulentie, maar je weet maar nooit. Toen gebeurde het…

Ik keek naar buiten, heel veel rook. Zoveel zelfs dat ik bijna niet meer kon zien wat er
aan de hand was! Toen zij de voice over dat er een brand in de motor was. We gingen
slomer en slomer, en ik dacht dat dit het einde was. Toen zag ik land, steeds dichterbij komend en toen…

BAM!

Ik viel uit mijn hoogslaper in mijn kamer. Dat deed pijn zeg! Terwijl al mijn gedachten
erg ronddwaalden kreeg ik door dat ik erg honger had. dus liep ik naar de
koelkast, pak de slavinkjes, in de pan en klaar! dit waren de aller-lekkerste slavinkjes
ooit!
EINDE

Papa

Posted on: februari 10th, 2015 by Scholieren

Vandaag is de dag dat alles gaat veranderen, ik ga ervoor en niets of niemand kan me stoppen. Ik raap mijn laatste spullen bij elkaar en prop het in mijn tas. Mensen zullen niet begrijpen, waarom ik wegga. Ik ben populair heb veel vrienden maar toch is het voor mij beter om te gaan, ik heb geen slechte thuis situatie echter is het altijd leuk met mijn moeder en broer. Maar ik moet terug naar dat eiland van 6 jaar geleden waar mijn vader overleed. Dat eiland waar nog nooit iemand van had gehoord en wat zelfs mijn moeder en broer zich niet herinneren. Volgens hun is mijn vader aan een hart stilstand overleden, maar daar klopt niets van. Zachtjes sluip ik de trap af, en sluit de deur. Op het moment dat ik mijn voeten in het zachte sneeuw zet, begin ik te twijfelen. Nu kan ik nog terug naar mijn gezellige familie. Op dat moment komt er een koude windvlaag aan waaien, die mij het teken geeft om door te zetten. Ik kijk op mijn telefoon en zie een gemiste oproep van mijn vriendin. Ze maakt zich zeker zorgen om mij omdat ik niet in de les zit . Dan hoor ik de huis telefoon rinkelen, daarna volgen voetstappen. Snel begin ik te rennen voordat iemand mij ziet. Ik moet nog even langs de bank om mijn geld te pinnen. BOEM! PATS! en ik lig op de grond. Even later open ik mijn ogen en zie een vriendin van mijn moeder. Ze helpt me opstaan en vraagt: ‘moet jij niet op school zitten’. Daarop antwoord ik: ‘nee ik heb de eerste 2 uur uitval. Meteen krijg ik spijt van die zin, maar het kan niet anders. Ik pin mijn geld dan kijk ik op mijn telefoon hoe laat het is. Ik schik, niet omdat over 10 minuten de trein vertrekt, maar omdat ik wel 63 gemiste oproepen heb. Ik negeer het ik kan pas reageren als ik Berlijn uit ben, of nog beter Duitsland.

Ik zit in de trein op weg naar Parijs vanuit daar vlieg ik over naar Engeland vanuit daar neem ik een cruiseschip naar Brazilië. Het lijkt een hele omweg maar zo gingen we ook naar dat eiland. Ik kijk naar buiten en zie nog net het puntje van het beroemde monument Brandenburger Tor. Ik voel aan de schelp die mijn vader mij had gegeven vlak voor zijn dood, gevonden op de Braziliaanse kusten. Door deze schelp kan ik me alles heel goed herinneren van mijn geboorte tot nu, hiervoor was dat anders. Ik blijf er maar aan denken, mijn droom dat mijn vader terug kwam, maar dat niemand hem herinnerde.

Ik word aangestoten. Ik wil niet wakker worden ik zie mijn vader. Dan doe ik mijn ogen en kijk in de kwade ogen van de conducteur. Ik kijk naar buiten en zie de Eiffel toren staan meteen ben ik klaar wakker en pak mijn tas. Ik ben van plan om eerst de naar mijn suite te gaan. En dan ga ik shoppen. Ik loop door vele straten en met veel moeite storm ik niet alle winkels in. Na 20 minuten lopen kom ik bij het hotel aan. Ik check in en loop naar mijn suite. Het hotel ziet er mooi uit. Op de deur van mijn suite staat met sierlijke getallen 274. Maar op het moment dat ik de deur open doe ruik ik een vreselijke geur, overal zie ik beesten en vieze vlekken. Het kan me niks schelen morgen ochtend om 6 uur vertrekt toch mijn vlucht al. Ik gooi mijn tas op het bed pak mijn portemonnee en ga met de lift naar beneden. Er komt een man in de lift en hij zegt: ‘bonjour madame’. Ik ben niet zo goed in Frans maar ik weet wel dat hij mij groet. Dus zeg ik terug: ‘bonjour’. De deuren van de lift gaan open en ik zie de lobby. Ik check uit en ga meteen op koopjesjacht. Ik koop hier en daar wat leuke jurkjes en shirts. Ik heb nog niet veel uitgegeven. Maar dat gaat snel veranderen want ik zie een chocolade winkel. Ik reuk de zoete en lekkere geur van chocolade. Ik koop iets lekker maar ik geef wel 154 euro uit. Het begint donker te worden en ik loop terug naar het hotel. Ik kom naar een uur lopen aan, en bestel een heerlijke pasta. Ik ben klaar met eten en loop naar mijn suite, tot mijn verbazing is het daar netjes, er zijn geen vlekken meer, de beesten zijn weg, en zelfs mijn kleren zitten in de kast. Zachtjes wrijf ik over de schelp heen. De wekker gaat, ik wil nog blijven liggen maar toch sta ik op. Ik trek mijn kleren aan en neem een taxi naar het vliegveld.

Ik ben aangekomen in Engeland, en ik zit in een taxi die me naar de haven brengt. Ik luister muziek en wacht tot we zijn aangekomen. Dat duurt niet lang want de tijd vliegt. Ik kijk naar het schelpje, hij glinstert. Ik glinster nu ook. We zijn er, ik stap uit betaal de man en loop naar het cruiseschip. Ik ga naar mijn suite en fris me op. Dan ga ik naar het dek, ik kijk naar de horizon over de mooie zee de zon gaat onder.

We varen de haven van Brazilië in. Ik geniet van de zon. Ik pak mijn tas en verlaat het schip, dan spreekt een man mij aan en vraagt of ik een ballonvaart wil. Daar antwoord ik ja op, want dat deden wij toen ook. Ik klim in het mandje en vlieg samen met de man omhoog. Ik raak het schelpje aan en alles verdwijnt. Ik zie mijn vader ik lach met hem. Ik ben weer op dat eiland, dan omhelst mijn vader mij. Dit is te mooi om waar te zijn, maar dan rukt de man het schelpje uit mijn hand. Ik val uit het mandje… alles was voor niets…

Ontwerp door Willem Verweijen