Feline van Leeuwen

23 jaar - VWO

2
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Feline van Leeuwen (23 jaar)

? stemmen

De lucht blijft blauw

Mijn vingers gleden over de ruwe bast van de dichtstbijzijnde eikenboom. Had ik deze boom niet al eerder gezien? Kwamen de groene mossen aan de zonzijde van de ribbelige stam me niet bekend voor? De kronkelige takken riepen geen herinneringen bij me op, maar dat zei immers niets.
Mijn vingers zochten naar de volgende stam en mijn twijfel werd zo mogelijk nog groter. Die holte … die had ik zeker weten eerder gezien.
Ik snoof diep en probeerde mezelf kalm te krijgen, al voelde ik hoe binnenin mij de paniek zich een weg naar boven zocht. Ik had niets aan paniek, vertelde ik mezelf. Alles wat ik moest doen was kalm blijven en blijven nadenken. Maar hoe kon ik nu nog nadenken?
Ik keek omhoog waar een lichtblauwe, lieflijke lucht me aanstaarde, als ijskoud metaal. Die lucht zou me ook niet verder helpen, die was immers overal en altijd hetzelfde blauw …
Mijn vingers groeven zich in de boomholte en rottend hout viel voor mijn voeten. Ik moest de plek kenmerken, dat ik wist dat ik hier al was geweest. Zoekend gleden mijn ogen over de boomstammen, die er meer dan ooit hetzelfde uitzagen. Dezelfde groeven, hetzelfde mos, dezelfde bladeren, dezelfde wortels … alles leek naar me te grijnzen en me uit te dagen. Alsof ik in een spiegelhuis op de kermis was beland, waar alles honderd, zo mogelijk duizend keer werd weerkaatst. En dat alles om de bezoeker hopeloos in de war te brengen. Nou, het was ze gelukt.
Ik bukte en woelde met mijn handen door de bladeren. Twee takjes kwamen tevoorschijn en ik besloot er een kruis van te maken. Zorgvuldig legde ik het ene takje over het andere en bekeek het resultaat. Moedeloos besefte ik dat ik dit kruis nooit meer terug zou kunnen vinden, al kwam ik nog duizend keer op deze zelfde plek terug.
Met mijn hand als houvast aan de dichtstbijzijnde boomstammen wankelde ik een paar passen verder. De moeheid van de afgelopen uren begon de kop op te steken en wanhopig keek ik opnieuw naar de hemel. Hoe laat zou het zijn? Hoe lang zou ik hier al lopen? Ik moest verder, besloot ik, en moeizaam begon ik weer in mijn normale wandeltempo te lopen.
Ik zag het verschil niet meer. Het verschil tussen bladeren, naaldbomen en loofbomen, pad of bos. Alles leek verdronken in één grote vijver, terwijl ik aan het oppervlak wanhopig probeerde te ontdekken wat het voor moest stellen. Bruin en groen mengden zich langzaam tot één en dezelfde kleur, en het lukte me niet langer om bos en lucht uit elkaar te houden.
Na wat uren leek belandde ik op een plek waarvan ik dacht dat ik er al geweest was, en ik liet me uitgeput tegen een boom vallen. De brok die zich de afgelopen uren in mijn keel had gevormd was groter dan ooit en ik kreeg erg de neiging om te huilen. Waar waren alle mensen? Waar waren alle huizen, dieren en steden? Alsof ik alleen op de wereld was, alleen met … bomen.
Konden zij maar praten, bedacht ik beklemd. Zij zouden de weg wel weten.
Ik snikte maar probeerde met alle macht mijn tranen binnen te houden. Met zoute tranen prikkend in mijn ogen keek ik naar het bos tegenover me. Alle bomen deinden op en neer en even leek het bos zich zelfs te kantelen voor mijn ogen. Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht en huilde zonder geluid. Heel zachtjes kwamen de eerste tranen biggelend naar beneden. Ik merkte het niet. Het leek wel alsof ik me in een doofpot bevond, gedoemd om te worden vergeten.
Ik probeerde me te herinneren hoe het eerder was. Hoe de wereld eruit zag buiten dit bos. Hoe alles was voor dat ik … Ik durfde het woord niet te denken. Dan was alles meteen zo definitief. Kom op, zei ik tegen mezelf, je moet verder, en met één van mijn laatste energierestjes hees ik mezelf aan de ruwe stam van de boom omhoog. Mijn vingers zochten grip in het mos, en even dreigde ik weer te vallen, maar de wil om te blijven staan was groter, nog wel.
Met lood in mijn schoenen begon ik aan mijn volgende tocht. Bij elke stap werd mijn twijfel of ik wel de goede kant op ging groter, en de brok in mijn keel leek mijn luchtpijp dicht te knijpen waardoor ademhalen steeds moeilijker ging. Elke stap leek op de vorige, en er leek geen einde aan het bos te komen …
Maar je bent niet … zei ik tegen mezelf. Je vindt weer de weg en dan loop je zo het bos uit. Ik weet niet waarom ik het dacht, wie ik wilde overtuigen. Bij mezelf werkte het in ieder geval allang niet meer. Ik wist wie ik was en waar ik stond: in een bos met bomen, bomen en nog eens bomen.
Je bent niet … Je bent niet … Je bent niet … Ik stopte en keek om me heen. De bomen leken te dansen en me uit te jouwen, alsof zij er het grootste plezier aan beleefden. Nieuwe tranen biggelden uit mijn ogen en ik deed geen poging meer om me in te houden. Mijn lichaam schokte terwijl ik me overgaf aan de angst, de paniek, de verlorenheid die ik de al die tijd al had gevoeld. Het had geen zin meer. Ik kon mezelf niet meer groothouden en doen alsof er niets was, mezelf door het bos blijven slepen. Ik was … ik snikte terwijl het woord zich langzaam achter mijn oogleden vormde.
Ik was hopeloos verdwaald.

Ontwerp door Willem Verweijen