Elianne van Elderen

23 jaar - Gymnasium

69
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Elianne van Elderen (23 jaar)

? stemmen

De mensen

Iedereen om mij heen weet altijd precies waarnaar dat hij of zij onderweg is. Hier is het niet anders. De mensen lopen voorbij, rennen zelfs. Ze moeten hun treinen halen. Ik niet. Ik zit op het bankje. Zo’n bankje waar je na een kwartier de afdruk van het ijzer op mijn benen terug ziet. Ik kijk naar de mensen. De mensen staan nooit stil. Ze gaan altijd maar door. En maar door. Onomkeerbaar door. Zoals de dagen dwalen, maanden malen, jaren jagen; allen de vergetelheid in.
Het lijkt een grote chaotische massa, allemaal met elkaar verbonden schijnt het wel, maar ik heb ontdekt dat als je de mensen één voor één bekijkt ze toch los van elkaar bestaan. Allen geestelijk verbonden door een gevoel van haast, dat wel. Allen tezamen zorgen ze voor een groter geheel, een vermoeiende doch indrukwekkende chaos, maar individueel zijn ze niets, allemaal alleen. Autonihilisme? Wellicht.

Een man met een zwarte jas, gepoetste schoenen, bruine tas, loopt wat op en neer. Ook de vluchtige blikken op zijn dure horloge ontbreken niet. Zakenman. Typisch gevalletje van ‘misschien-als-ik-ongeduldig-met-mijn-voet-op-de-grond-tik-en-herhaaldelijk-naar-de-tijd-kijk-dat-de-NS-eens-geen-vertraging-heeft’.
Een vrouw loopt ook vluchtig voorbij. Even verderop staat ze stil, doet een poging om tegelijk zowel haar telefoon tussen haar schouder en oor te klemmen, als haar lippen te stiften. ‘Ik zie je zo,’ zegt ze nog, voor ze ophangt en in de net gearriveerde trein stapt.
Een jongen met laptoptas en rugzak stoot per ongeluk tegen mijn knie, en mompelt een verontschuldiging. Ik doe nog een poging te laten blijken dat het niet uit maakte, met mijn hoofd schuddend en glimlachend, maar tevergeefs. Hoe kon ik ook denken dat hij twee seconden zijn ogen van het scherm van zijn telefoon af kon houden. Student, geen twijfel over mogelijk.
Sinds wanneer ik de mensen van het station herken? Ik weet het zelf eigenlijk ook niet. Het zijn van die dingen die voorbij gaan, maar wel ergens blijven hangen. Alles stroomt, ????? ???, alles verandert, niets staat stil, maar toch blijven we het herkennen als hetzelfde. Alles is altijd onderweg.

Ook de vogels zitten niet stil. De duiven die nog zoeken naar wat verloren kruimeltjes. Wat nou als duiven de reïncarnatie zijn van Hans en Grietje? Dat zou in ieder geval verklaren waarom ze altijd maar op zoek zijn naar wat de mensen eerder nog hebben laten vallen.
Ook in de lucht ontbreekt het niet aan de onderwegzijnden; ganzen vliegen onder begeleiding van een koortje vol gegak, en een vliegtuig trekt langs de wolken. Ja, ach, vliegtuigen. Als Icarus die had gekend zou hij misschien ook onderweg zijn. Of zou zijn ‘onderweg’ in ieder geval niet zijn opgehouden met blauw zeewater dat zijn mond, welke eerder nog werd gevuld met tevergeefs hulpgeroep, voor de laatste keer vult met water en verdrinkingsdood.

Altijd onderweg.
Rechts van me zie ik een meisje. Ze heeft rode ogen, en kleine schokkende bewegingen in haar schouders. Kenmerken van huilen. Ik zou haar best willen gaan troosten, maar een nieuwe trein komt al aan, net zoals de glimlach weer aankomt op haar gezicht. Maar het verdriet kruipt nog in haar ogen. Ik zie het. Van die gedachten verborgen in treurwilgen maar door zonneschijn gesierd. Want: zolang je gezicht maar gesierd is met een glimlach toch?
Ze wordt weer een van de mensen, ze gaat weer onderweg.

Niets staat stil. Zo ook mijn gedachten niet. Die zijn ook altijd onderweg. En dagdromen. Als de dag er weer eens met mijn dromen vandoor gaat. Dag, dromen.

Alles gaat weg, is onderweg. Ze gaan allemaal ergens heen. Maar waar? Voor mij een vraag, voor hun een weet.

Ik wil ook onderweg zijn.
Iedereen om mij heen weet altijd precies waarnaar dat hij of zij onderweg is. Ik wil ook een bestemming hebben. Ik wil weten waar ik uit kom. Weten waar ik mijn gedachten op kan halen, weten waar mijn dromen dromen blijken te blijven of realiteit worden, weten waar ik moet versnellen om mijn gedachtenstroom bij te kunnen houden, en weten waar ik uit moet stappen opdat mijn woordenbrij nog fatsoenlijke zinnen vormt. Want zelfs mijn zinnen weten vaak niet hoe ze zullen eindigen.
En ik evenmin.

Ik sta op, ga onderweg.

‘Mevrouw, kunt u me helpen?’
‘Natuurlijk, waar ga je heen?’
‘Ja, ik hoopte dat u me dat kon vertellen.’

Ontwerp door Willem Verweijen