Romy van Dongen

23 jaar - VWO

108
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Romy van Dongen (23 jaar)

? stemmen

De Pelgrimstocht

In de basiliek brandt altijd licht. Kaarsjes flakkeren als kleine sprankjes hoop naast het beeld van Maria. Het dagelijkse verkeer uit de buitenwereld is ver weg. Iedereen komt hier langzaam tot rust. Op de voorste kerkbank zitten twee mensen. Een meisje met lang rood haar dat in een vlecht over haar rug hangt en een wat oudere vrouw. Zwijgend staren ze naar het kaarslicht. ‘Het water is altijd acht graden,’ fluistert de vrouw. ‘Zelfs in de winter.’ Ze heeft het over Lourdes, een bedevaartsoord in Zuid-Frankrijk. Dat is een plek waar mensen hopen op kracht en genezing. Het water uit de Mariagrot heeft een helende werking. Het meisje lacht. Haar grootmoeder heeft al veel verhalen verteld over wonderbaarlijke genezingen en bijzondere ontmoetingen. Het is net een sprookje, bijna te mooi om waar te zijn. ‘Over een tijdje zal ik het met eigen ogen zien,’ zegt ze. Oma pakt haar kleine handen stevig vast. ‘Zullen we bidden?’ Samen bidden ze tot God.

Soms noemde oma het meisje wel eens Roodkapje. Dat was natuurlijk een flauw grapje over haar rode haar. Mirre was een mooi meisje. Haar donkergroene ogen straalden altijd. Nou ja, bijna altijd. De laatste paar maanden waren ze erg dof. Een wolf was namelijk haar lichaam binnengedrongen en die maakte alles langzaam kapot. Roodkapje streed dag en nacht.

Oliedruppels tikken neer op het spoor. De bedevaarttrein is oud, net zoals het merendeel van zijn passagiers. Een groepje verpleegsters helpt een man met een rollator de coupé in en andere mensen nemen afscheid van hun geliefden. ‘Nu zijn we bijna onderweg.’ Mirre drukt haar neus tegen de koude ruit. Vrolijk zwaait ze naar de mensen op het perron. Oma’s ogen twinkelen. ‘Ik heb er zin in.’
Ze rijden al een poosje als er een stem door de luidsprekers krast. ‘Welkom pelgrims. Morgenochtend zullen jullie aankomen in Lourdes, waar we met iedereen een fantastische ervaring…’ De stem stopt abrupt, waarschijnlijk is de radio weer eens kapot. ‘Zal ik thee halen?’ De bank kraakt wanneer oma opstaat. Mirre ligt tegenover haar. Ze knikt goedkeurend.
Voorzichtig loopt oma naar de restauratiewagon. Op sommige plekken zingen mensen psalmen en lofzangen, een man scheert zijn baard in de weerspiegeling van het raam. De koffietank wordt bij elkaar gehouden met plakband en roestig ijzerdraad. Onderweg naar Lourdes is afzien, dat weet iedere pelgrim.
Oma helpt het meisje overeind. ‘Het is kamillethee. Net zoals thuis.’ Mirre glimlacht en drinkt een paar slokjes. ‘Was het druk bij de restauratie?’ Oma haalt haar schouders op. ‘Er was een man met een banjo en ze waren krentenbollen aan het smeren voor morgen.’ Ze pakt de krant uit haar rugzak en slaat hem open bij de puzzelpagina. Kleine geluidjes knarsen door de speaker. ‘Hier zijn we weer, over vijf minuten houdt onze pastoor het avondgebed. We zingen nu gezamenlijk een loflied.’ Zachtjes zingen ze mee met het Ave Maria dat door de hele trein schalt.

Het leven in de trein komt steeds verder tot rust, de nacht is gevallen. ‘Oma, denk je dat ik misschien beter kan worden in Lourdes?’ De oude vrouw zwijgt en kijkt naar het bleke gezichtje voor haar. ‘Lieve Roodkapje. Jij speelt de hoofdrol in dit sprookje. In sprookjes overwint het goede toch uiteindelijk altijd het kwaad?’ Haar rimpels kreukelen zo geloofwaardig dat Mirre haar wel moet geloven. ‘Meestal wel, ja.’ Mirre staart naar het plafond. Een muffe geur prikt in haar neus. ‘Soms ben ik bang,’ fluistert ze. Geruststellend aait oma over haar hoofd. In stilte luisteren ze naar de cadans van de trein, die eindeloos doorraast. ‘Het is niet erg om bang te zijn,’ fluistert oma terug. ‘De meeste mensen zijn wel eens bang. Maar je moet onthouden dat wij er altijd voor je zullen zijn.’ Mirre knikt bijna onmerkbaar. ‘Ga maar lekker slapen, liefje. Morgen wordt het een lange dag.’ Het meisje sluit haar ogen.
Oma staart uit het donkere raam. Tientallen lantaarnpalen, bomen en dorpjes schieten in een waas aan haar voorbij. Ze slaat een kruisteken en bij het uilenlichtje van haar Nokia leest ze de Bijbel. Om haar nek hangt de ketting met een geluksbedeltje. Ze houdt de wacht. Af en toe werpt ze een korte blik op haar kleindochter. Het rode haar hangt in dunne sliertjes futloos langs haar gezicht. Iedere dag vervaagt ze weer een klein stukje verder. Het is een breekbaar figuurtje.
Oma leest de hele nacht door. Uiteindelijk kleurt het aan de horizon weer een klein beetje roze. De eerste zonnestralen verjagen de nacht. Elke nieuwe dag is een klein geschenk. De oude vrouw legt het Bijbeltje weg en pakt haar schetsblok om een tekening te maken. Lange reizen zijn inspirerend. Een groepje verpleegsters loopt zingend door de wagons. Uit haar rugzak tovert oma alvast twee eierkoeken tevoorschijn voor het ontbijt. Die heeft ze gisteren speciaal nog bij de bakker gehaald. ‘Goedemorgen.’ Mirre is wakker en de zon schijnt intussen warm op haar gezicht. ‘Goedemorgen,’ zegt oma,’ we zijn er bijna.’ Ze wijst naar buiten waar de eerste bergtoppen al te zien zijn. ‘Daar in het dal ligt Lourdes. De mooiste stad waar ik ooit geweest ben.’ Heel voorzichtig schuift Mirre richting het raam. ‘Wauw, ik heb nog nooit zulke hoge bergen gezien. Gaan we daarboven van het uitzicht genieten?’ Haar ogen beginnen te glinsteren. ‘Natuurlijk, zo lang als je maar wil.’ Minutenlang staart Mirre naar buiten. Ze ziet er gelukkig uit. Oma legt ondertussen de laatste hand aan haar tekening. Het huisje van grootmoeder, Roodkapje en de wolf. Ze tekent een glimlach op het gezicht van Roodkapje. Samen zullen ze de wolf verslaan.

Ontwerp door Willem Verweijen