Silja Coombs

25 jaar - VWO

5
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Silja Coombs (25 jaar)

? stemmen

De plek waar we naartoe gaan

Mijn vrienden en ik zitten in een bus naar een plek waar we veel geld gaan verdienen. We zitten dicht tegen elkaar aan, maar dat vind ik niet erg want meneer P. zegt dat het maar een paar uur rijden is. Niemand zegt iets, we zijn bang en opgewonden, omdat we nog nooit verder van ons huis weg zijn geweest dan de tuin. Meneer P. heeft het vaak over de plek waar we naartoe gaan. Hij zegt dan dat we er nog niet klaar voor zijn, maar vanochtend stond hij met zijn armen over elkaar in de deuropening en liet zijn blik van de ene kant van de kamer naar de andere glijden, knikte en zei: “Het is zover.” Niemand wist wat hij bedoelde, maar we waren trots dat het zover was. Nu zitten we in een bus naar een plek waar we veel geld gaan verdienen.

Meneer P. is goed voor ons. We krijgen veel eten. “Daar word je groot van,” zegt hij. We zitten meestal op onze kamer maar soms mogen we ook de tuin in. Elke dag komt meneer P. bij ons kijken of het goed met ons gaat. Hij investeert veel geld in ons en op een dag krijgen we de kans hem terug te betalen, zegt hij. Vandaag is die dag.

De bus schudt heen en weer en mijn vrienden en ik botsen tegen elkaar aan. Ik heb het nog nooit aan hem gevraagd, maar volgens mij is meneer P. mijn beste vriend. Als hij naar me kijkt, lijkt het alsof hij meer ziet. Het lijkt alsof hij naar zijn toekomst kijkt en ik kom erin voor. Het lijkt alsof hij blij is om elke dag langs te komen om te kijken of het goed met me gaat, om me onderdak en eten te geven. Veel eten. Zoals de moeder die ik niet heb hoort te doen. Ik ben meneer P. daar eeuwig dankbaar voor. Misschien zeg ik hem dat wel, als we bij die plek zijn aangekomen. Misschien zeg ik hem wel dat hij de beste vriend is die ik heb.

Ik hoor buiten meneer P.’s stem als de bus tot stilstand komt. Ik kan hem niet zien want er zitten geen ramen in de bus, maar ik kan hem horen lachen. De deur van de bus gaat open en drie grote mannen leiden ons naar buiten. Ik kijk om me heen. Ik voel dat mijn vrienden zenuwachtig zijn, bang voor de nieuwe situatie, maar ik niet. Ik wil meneer P. laten zien dat ik er voor hem ben, dat ik hem eindelijk kan terugbetalen. Ik probeer oogcontact te maken, maar meneer P. praat zachtjes met een meneer in pak en wijst naar een groot gebouw, waar de drie mannen ons naartoe duwen. Ik probeer naar meneer P. toe te gaan maar ik word het gebouw ingeduwd. De deuren gaan dicht en ik kan hem niet meer zien. Ik zeg het hem later wel, denk ik.

We worden door eindeloze gangen geleid en de mannen prikken ons met stokken als we niet doorlopen. We worden een kamer ingeduwd en mijn vrienden gillen en knorren wanneer mannen in witte pakken ons meesleuren. De vloer in de kamer is rood en de wit betegelde muren hebben spetters.

Ontwerp door Willem Verweijen