Marit Tijhuis

20 jaar - VWO

36
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Marit Tijhuis (20 jaar)

? stemmen

De reis in het verleden

17 februari 1942

‘Ben ik goed, omdat ik haar redde? Of ben ik fout, omdat ik tegen de regels inging?’

Mijn gedachten tollen rond, als flitsende mechanieken in feilloos uitgesneden houtwerk. Ik koos voor een weg. De goede én foute. Ik merk dat ik in slaap val door het donkere verduisteringspapier wat op het raam zit. Twee jaar geleden was het er. Opeens. Net zoals mijn vader maanden later zei dat hij zou verdwijnen. Diezelfde avond gebeurde dat. Waarschijnlijk wist hij wel dat dat verduisteringspapier niet alleen is om beter van te slapen. Alleen aan de gesmoorde stemmen en wegrijdende auto’s hoor je dat er iets mis is. Dat het geen gewone dagen zijn waarin wij leven. Vandaag liep ik verdekt op straat. Zorgend dat het lot zich niet tegen me keert. Ik was op weg naar ons voedsel. Alles gaat op rantsoen en meer valt er ook echt niet te krijgen. Als na het eten mijn maag nog steeds knort, schaam ik me. Ik probeer het geluid te negeren. Mijn moeder heeft dan allang iets van haar eten afgestaan en op mijn bord geschoven. Ik wijs het altijd af, maar ik moet het eten. Met een schuldgevoel eet ik het. Ik kijk dan naar haar, hoe ze er steeds slechter uitziet. Voor haar is het natuurlijk driedubbel zwaar. Alléén een gezin opvoeden, met te weinig eten. Het valt allemaal niet mee.

Op de straat liep mij een meisje tegemoet. Ik voelde de testosteron door mijn lichaam gieren. Mijn ogen werden als door een magneet naar haar toe getrokken. Niet dat ze er op het eerste gezicht nu zo fantastisch uitzag, met vet haar en doffe ogen in versleten kleren. Maar toch, iets in haar zei: ‘Kom naar me toe. Houd me vast en laat ons even uit de werkelijkheid zijn.’ Alles leek zich af te spelen in slow-motion. Opeens voelde ik me als man opbloeien. Niet dat ik er ooit een goede openingszin uit had gekregen, (Meestal leek het op: ‘Mmmr klk kj?’ Vertaald: ‘Hoe heet jij?’) maar eens moet toch de eerste keer zijn? Ik besefte, in al mijn onoverwinnelijkheid, niet dat er naderend onheil aankwam. Ze was steeds dichterbij gekomen. En toen liep ze langs me heen. Die geur! De bovenste laag was vooral de geur van die barslechte kleizeep. Daaronder zat haar eigen geur. Precies zoals ik me had voorgesteld. Mijn lichaam moest achter haar aan. Ik draaide mij om, waar ik uniformen zag staan. Niet één, of twee, maar een hele zee leek op de been. Foute slechteriken. De realiteit werd weer zichtbaar. Mijn hoofd lag in shock. Mijn instincten werkten nog prima. Maar welk moet je volgen als de één zegt: ‘Mooi meisje in gevaar!’, en de ander: ‘Jezelf redden, nu!’? Dit is wat ik deed: ze had het niet in de gaten. Ze liep vol op een soldaat af. Deze was hier natuurlijk niet van gediend. Meteen zag ik diens handen woest op en neer vliegen. Met een scheldkanonnade erbij. Ik rende ernaartoe. Het tafereel schrikte andere mensen af. Ik moest helpen, dat mooie meisje. In het Duits begon ik een heel verhaal af te steken, over haar. Hoe ze mijn vriendinnetje was geworden en we samen trouwplannen hadden. Wat ik daarna heb gezegd weet ik niet. Ik weet niet of er dingen bij waren waar vader: ‘Jongen, mot dat nou’, van zou zeggen. Wel weet ik dat de soldaat ons terugstuurde, de wijde wereld in. We liepen op, tot de soldaten met hun zwarte uniformen weer verdwenen waren. Plotseling fluisterde ze een zachtjes: ’Bedankt’, en was ze verdwenen. Weg. Het gevoel voorgoed haar kwijt te zijn bekroop me en gaf me kippenvel. Zwijgend kwam ik thuis. Mijn moeder riep nog: ‘Waar is ons eten?’, maar ik reageerde niet. Uitgeput stortte ik me op mijn matras. Waar zal ze zijn? Is ze volgens de fouten fout? Net zoals mijn vader, maar is hij nog wel… Een tijdje later voelde ik een steek. Er gebeurde iets.

9 maart 1942

Ik heb het gevoel verlaten te zijn. Door iedereen. Het beeldschone meisje, wat ik nooit aan de haak zal kunnen slaan. Ook door mijn vader. Ik wist niet wat mijn lichaam met die steek wilde zeggen en dat het alles zou veranderen. Mij tot hoofd van het gezin zou maken. Mijn vader. De altijd goedlachse man, die nooit overhaaste beslissingen nam. Nooit zullen wij weten wie hem niet goedgezind was. Het is dat mijn vader overal contacten had. Zo is toch de laatste brief van hem ontvangen. Weliswaar laat, maar beter dan nooit. Zoals mijn brieven, die niet zijn aangekomen. De brief, die hij stuurde, stuurde hij aan mij:

“Beste Peter,

Als je deze brief ontvangt, weet ik dat je groot verdriet zal hebben. Nu word jij het hoofd van het gezin. Ik weet dat je fouten zal maken. Maar ik weet Peter, dat je altijd je hart moet volgen. Zo heb ik je moeder ontmoet, en jou grootgebracht. Ik weet dat er veel druk op je zal rusten deze tijd. Ook ik was al vroeg hoofd van het gezin. Het verandert je. ik werd rustiger en meer gedwongen na te denken over de dingen die ik deed. Het zal goed voor je zijn, Peter. Op een dag zal je uit deze nare dagelijkse situatie opstaan als een vrij man. Mijn gevoel zegt dat je snel zal trouwen met een meisje. Het is jammer dat ik niet aan de wieg kan staan bij de geboorte van mijn eerste kleinkind. Ik had er graag bij geweest. Soms is het lot anders dan je zou wensen. Peter, hou je taai. Ik spreek je ooit wel weer.

Groeten, je vader”

Ik moet huilen. Nu moet ik opeens gaan zorgen voor mijn broertjes en zusjes. Daar heb ik geen trek in. Hoe zal de toekomst er nu uitzien? Ben ik later wel een groot en gevierd man? Hoe verloopt mijn reis? Maar nu, heb ik alleen maar behoefte aan mijn vader.

Ontwerp door Willem Verweijen