Victor Paalman

24 jaar - vwo

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Victor Paalman (24 jaar)

? stemmen

De trein

Als een trein die constant onderweg was. Een denderende locomotief die met helse geluiden langs me heen raasde, gevolgd door ontelbare wagons. Soms stopte de trein, maar in plaats van stilte hoorde ik dan piepende remmen. Ik werd gemarteld.

Het begon zachtjes. Een zoem. Het soort geluid waarvan je denkt dat je de computer aan hebt laten staan, of dat de muggen dit jaar wel erg vroeg zijn. Mijn dochter zag me dan fronsen, en pakte haar viool. Ze legde haar instrument op haar schouder, en verjaagde de geluiden in mijn oor. Ik keek haar glimlachend aan. Ze was getalenteerd, maar terwijl Vadertje Jacob de vlooienmars werd, werd het zoemen luider. De huisarts verwees me door naar de kno-arts, die me na een hersenscan diagnosticeerde met tinnitus: een permanente gehooraandoening, waardoor mensen geluiden horen die er niet zijn. ‘Je moet ermee leren leven’, zei de arts, en ik lachte mistroostig. Het conservatorium had me naast drie jaar werkeloosheid nu ook een gehoorbeschadiging geschonken.

Waarom lachte ik toen?

Het geluid dat ik hoorde was allang geen gezoem meer; het snerpte, alsof het ten koste van alles de aandacht wilde opeisen. Het trok de energie uit me, waarmee ik voorheen mijn kinderen naar de dierentuin nam. Ik begon goede en slechte dagen te onderscheiden. Op goede dagen keek ik een film, ploegde wat in de tuin, en hielp de kinderen met huiswerk. Slechte dagen waren zwart. Pikzwart, met mijn handen stevig tegen mijn oren gedrukt, liggend op de bank. De kinderen stuurde ik dan naar hun vader. Niet omdat ik ze niet wilde zien, ik wilde ze zo graag zien, maar ze mochten mij niet zien.

Niemand wil haar moeder zo zien.

De grens tussen goede en slechte dagen begon te vervagen. Ik noemde ze gewoon dagen. Op sommige van die dagen kwamen mijn dochters langs. Mijn oudste pakte dan haar viool, en legde de strijkstok op de snaren. ‘Stop, Melissa’, zei ik trillend. De trein in m’n oren krijste. Ik schreeuwde, ‘MELISSA, LEG DIE VIOOL WEG’, en ik sloeg de zesde symfonie van Beethoven van haar lessenaar. Melissa keek me angstig aan. Ik stak mijn hand uit om haar gerust te stellen, maar net op dat moment remde de trein, en ik schrompelde ineen. ‘Stop’, snikte ik, ‘stop alsjeblieft’.

Maar was ík niet de enige die het geluid kon stoppen?

Op m’n knieën bewoog ik me naar het sleutelschaaltje in de gang, en op de tast griste ik de autosleutel eruit. Ik sloeg de voordeur dicht, en beet op m’n lip tot ik in de auto zat. Het omdraaien van de sleutel lukte me niet. Niet omdat ik me bedacht had, maar ik had er simpelweg de kracht niet voor. Met mijn armen over m’n hoofd drukte ik op ICE in m’n contactenlijst. Mijn vriend nam op, en hoorde enkel gesnik. Binnen het uur stonden er zes mensen doodstil voor mijn autoportier. En toch maakten ze zoveel lawaai.

Kunstmatige coma om m’n gehoorzenuwen door te laten snijden raadde de dokter af. Het zou de aandoening alleen maar verergeren: van één trein, naar een centraal station in m’n oren. ‘Dit geneest niet, echt niet’, zei hij daarna, alsof ik een rebelse puber was die maar niet wilde luisteren. Ik keek naar buiten. Dromerig. ‘Er is wel een manier’, zei ik zacht. Niet omdat ik me ervoor schaamde, maar omdat ik niet harder kon praten. ‘Mensen met deze aandoening plegen als laatste redmiddel soms zelfmoord. Wilt u me daarbij helpen?’. De dokter opende zijn mond alsof hij iets ging zeggen, en keek daarna door hetzelfde raam als ik naar buiten. Het gesprek was beëindigd.

Mijn wereld werd een postzegeltje. Een kleine ruimte waarin ik veilig was voor elk geluid, behalve voor de treinen in mijn oren. Zelfmoord overwoog ik nog niet, maar het idee van een uitweg bezorgde me zoveel rust dat ik toch ging googelen. Ik deed het stiekem, en voelde me vreselijk schuldig – maar ik kon niet meer. Ik was op. Een maand later ging ik op bezoek bij mijn moeder. Ik legde mijn hand op haar been en zei: ‘Mam, ik heb me aangemeld bij een euthanasiekliniek’. Ze schrok, en ik voelde me misselijk worden. ‘Wat vreselijk en wat goed’, zei ze. ‘Ik was bang dat je er zelf een einde aan zou maken’.

De psychiater van de kliniek wilde m’n kinderen ontmoeten. Ik twijfelde ontzettend. Ik wilde ze niet alleen laten. Avond na avond huilde ik in m’n bed en schreeuwde ik melancholisch. Ik was knettergek aan het worden, en bij elke trein die voorbij denderde wenste ik vurig, oh zo vurig, dat morgen al de dag van mijn dood zou mogen zijn.

De laatste maanden gingen snel. Arts na arts concludeerde dat ik ondraaglijk leed. Ik bracht meer tijd door met de kinderen. ‘Als het echt niet gaat moet je ermee stoppen, mam’, zeiden ze steeds. Ik was te moe om te ontdekken of ze dat echt meenden. Het verbaasde me hoe rustig ik werd in de laatste weken. Zelfs de geluiden in mijn oren leken rekening te houden met mijn beslissing: ze denderden niet meer, ze zongen eerder. De weg naar mijn dood was de gelukkigste tijd in jaren.

Ik heb een gelukkig leven gehad.

Ik had de handen van Melissa en Rianne, mijn jongste, vast. Met tranen als kristallen in hun ogen en met gemaakte glimlach zeiden ze ‘Ga maar mama, laat maar los’. Het dodelijke drankje verspreidde zich door m’n lichaam. ‘Ik hou een plekje in de hemel voor jullie bezet’, fluisterde ik nog.

Ze vervagen.
Het geluid verstomt.

Eindelijk ben ik onderweg, de trein achterna.

(naar aanleiding van een waargebeurd krantenartikel)

Ontwerp door Willem Verweijen