Naýomi Latulola

23 jaar - VWO

289
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Naýomi Latulola (23 jaar)

? stemmen

De vlindertuin

De vlindertuin
Volgens de Noord-Amerikaanse indianenstam is de vlinder een symbool voor verandering, vreugde en kleur. Hij leert ons hoe we het leven bewust kunnen veranderen, hoe we onze dromen kunnen waarmaken en hoe we ons moeten ontwikkelen.

Ik heb mijn tas net ingepakt en ben onderweg naar school. Stevig trap ik door, de wijzers van mijn horloge tikken sneller dan ik wil. Ik volg elke seconde. Door alle haast zie ik de auto links van mij niet meer en na een tijdje wordt alles zwart.

Ik ben beland in een tuin. Exotische planten kleuren de omgeving en laten mijn pijn verdwijnen. Een vlindertje vliegt op me af, ik steek mijn vinger uit. Haar pootjes kussen mijn vingertop. Ze heeft grote vleugels, zo groot als die van een engel, ze zijn blauw met prachtige zwarte accenten. Ze blijft enkele seconden zitten en vliegt dan weer weg. Ik kijk om me heen in de hoop dat ik haar weer zie, maar tevergeefs. Ik wil graag weten waar ze is, ik wil weten waar ze naar toe is gegaan en ik wil weten waarom ik hier ben. Vervolgens zet ik een paar stappen naar voren. Voor dat ik het weet vliegt de blauwe vlinder weer in mijn zicht, ik volg haar. Het wonderlijke schepsel brengt me naar een fontein en opeens hoor ik een stem.
‘Waarom moest je nou zo’n haast hebben?’ De stem klinkt zacht en vrouwelijk, maar ik kan hem niet helemaal plaatsen. Zodra ik nadenk, gaat er een felle pijnscheut door mijn hoofd, weer wordt alles zwart. De tuin maakt plaats voor een diepe duisternis.

Mijn ogen voelen zwaar en in de binnenkant van mij hoofd voelt het alsof er iemand met een knuppel tekeer gaat. Langzaam probeer ik op te staan, maar mijn lichaam blijft liggen. Ik stop mijn gedachten voor een moment, bang voor de pijn die ik enkele uren geleden voelde.
Weer voel ik kleine pootjes, deze keer raken ze heel teder mijn voorhoofd. Ik sta op. School! Ik was onderweg naar school, nu kom ik sowieso te laat. Ik strek mijn armen uit, probeer mijn tas te vinden. Het enige wat ik voel, zijn kleine sprietjes. Ze zijn een beetje vochtig en ik concludeer dat het ochtend moet zijn. Mijn handen aaien het gras en ik neem de geur van de lente in me. Ik zie prachtige vlinders om me heen. Geen tien, geen twintig, nee wel honnderden vlinders vliegen in het rond, ze vormen een eenheid.
‘Blijf bij ons, blijf alsjeblieft bij ons.’ Het is een zachte stem die de gebroken woorden doet overbrengen. Ik verstop de woorden en geniet weer van de vlinders.
‘De resultaten zien er niet goed uit.’ Huh? Deze stem herken ik niet. Waar ben ik, wie praten er toch tegen mij? Mijn spieren verkrampen en mijn lichaamsdelen trekken zich samen. Ik voel kleine stuiptrekkingen en mijn gewrichten zijn stijf. De vlinders verdwijnen, en weer wint de duisternis de strijd.

Ik zie mezelf, als baby. Een glimlach verschijnt op het kleine gezichtje, de puurheid van de baby maakt me aan het huilen. De baby kijkt me aan, haar ogen vertellen een verhaal. Ik word gedragen op een bedje van vlinders en langzaam zie ik mezelf, de baby, ouder worden. Een kleine peuter speelt met wat lego-blokjes. Er wappert weer een vlinder hevig met haar vleugels en wenkt me, ik laat de peuter achter me. Ik zie mezelf weer, een jaar of tien gok ik. Er ligt een ijsje op de grond. Ze kijkt troosteloos, totaal verloren in haar verdriet. Ik wil mezelf troosten maar de vlinder houdt me tegen. Mijn benen tintelen en nemen mij mee. De vlinder leidt me naar een exacte kopie van mezelf. Ik lig in een ziekenhuisbed, aan het infuus. Een felle steek treft mijn hart. Miljoenen vragen schieten door mijn hoofd en ik begin te huilen. Alles doet me pijn: denken, zien, voelen. Mijn moeder zit aan mijn voeteneind en heeft haar handen in elkaar gevouwen. Mijn vader legt zijn hand op haar schouder en fluistert iets in haar oor.
‘Het komt wel goed, het komt altijd goed’. Jammer genoeg klinkt hij wat onzeker. Aan de andere kant van het bed zit een kleine jongen. De jongen waarmee ik met de lego blokjes speel, de jongen die ik ’s ochtends naar school breng en de jongen die bij mij me in bed kruipt wanneer hij bang is. Hij wrijft met zijn handjes in zijn ogen en verbergt hiermee zijn tranen. De vlinder rust op mijn schouder ik blijf kijken. De ruimte wordt gevuld met talloze vlinders. Een kleurenfestijn van vlinders verschijnt en er eerst een vreedzaam gevoel in de kamer. Scherpe lijnen vervagen en mijn broertje verdwijnt. Vlinderpootjes verlaten mijn schouder. De ruimte maakt plaats voor een gigantisch wit licht. Ik volg.

Ik was onderweg, onderweg naar school. Ik ben nooit aangekomen op school noch op een andere bestemming. Ik was onderweg, ik ben onderweg en ik blijf onderweg. Ik had zoveel dromen die ik nog waar moest maken: ik wilde de wereld rond reizen, de oceanen bevaren en leren liefhebben. Joost mag weten voor hoelang ik onderweg zal zijn, maar één ding is zeker: ik ga mijn doel bereiken en de vlinders zullen mij de weg wijzen.

Ontwerp door Willem Verweijen