Marlies Booijink

23 jaar - Havo

157
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Marlies Booijink (23 jaar)

? stemmen

De weg naar geluk

Daar staan ze dan. De kist boven het graf. De priester kerft een kruisje in de kist en vraagt om te bidden. De harde snikken van mijn vrouw onderbreken het moment van stilte. Mijn twee veel te verwende dochters staan zonder enige emotie bij de kist. Hij was nog maar 32. Mijn kleine broertje. Het heeft eigenlijk nooit geklikt tussen ons, ik zag hem altijd als mijn kleine broertje, de nietsnut. “Tom, kom je?”, vraagt mijn vrouw snikkend. “Ik kom eraan, ga maar vast.” Ik zie mijn vrouw weglopen met de verwende kinderen achter haar aan. Een week geleden kwam Luuk, mijn broertje, mijn kantoor instormen. Hij wilde met me op reis. Niet zomaar een reis, maar een reis naar Brazilië. “Daar vieren ze nou echt goed carnaval” had hij geroepen. Arrogant zei ik tegen hem dat ik alleen mee wilde, als we daar ook voer konden verkopen. Voer verkopen? Ja, dat is wat ik de hele dag doe. Ik ben directeur van een groot veevoerbedrijf. Hele dagen, soms avonden en heel soms ga ik nachten door om het beste voer van Nederland te maken en te verkopen. Het begon als een klein bedrijfje dat ik opstartte als project voor mijn universitaire business studie. Mijn ouders hebben een kippenboerderij en het begon er mee om voor hen voer te produceren. Mijn ouders waren positief over het voer en het bedrijf ging als een lopend vuurtje. Ik ging meer voer produceren en deed onderzoek naar beter voer. Uiteindelijk is mijn bedrijf uitgegroeid tot de grootste veevoerproducent van Nederland. Niet alleen in de pluimveesector, maar ook in andere agrarische sectoren. Luuk was een optimist. Zijn motto was ‘lang leve de lol’. Hij wilde vrachtwagenchauffeur worden. Toen hij 20 werd en zijn vrachtwagenrijbewijs had gehaald trad hij bij mij in dienst. Als een kind zo blij was hij op zijn vrachtauto onderweg naar de boeren, waar hij dan een lekker bakje koffie kreeg. Luuk was impulsief, terwijl ik gestructureerd was en alles op orde had. Ik vond mezelf een voorbeeld voor hem. Ik was rijk, had kinderen en een bloedmooie vrouw. Ik was het voorbeeld van geluk. Toen Luuk vorige week op mijn kantoor kwam om te vragen of ik mee wilde naar Brazilië, verklaarde ik hem voor gek. “Je hebt toch geen geld, waar komt dit in eens vandaan? We gaan toch nooit iets doen met z’n tweeën? Waarom nu in een keer naar Brazilië?” Met een lichte snik in zijn stem zei hij zacht: “Ik dacht dat het wel een goed idee zou zijn om als katholieke broers naar hét carnaval-land van de wereld te gaan. Maar ik merk het al wel weer, het is niet goed genoeg voor jou. Ik ben niet goed genoeg voor jou.” “Ach, kom op. Doe niet zo kinderachtig, je weet best dat je goed genoeg voor mij bent. Ik vind dit gewoon te impulsief en misschien ook niet zo verstandig.” Een lange stilte volgde. “Ben jij gelukkig?”, vroeg Luuk met zijn blauwe ogen tot spleetjes geknepen. Zonder na te denken antwoordde ik: “Ja, natuurlijk, ik heb alles wat mijn hartje begeert, waarom zou ik niet gelukkig zijn?” Hij keek me aan en schudde zijn hoofd. “Ik denk dat jij de weg naar geluk nog moet vinden, geloof me.” “Denk jij dat”, schreeuwde ik tegen hem, “denk jij dat ik niet gelukkig ben?” “Ja, dat denk ik ja. Heb jij wel vrienden? Nee, het enige wat jij hebt is je bedrijf, je verwaande dochters en een vrouw. Je hebt ruzie met iedereen en als je zo doorgaat ga je je vrouw en kinderen kwijt raken.” “Hoe bedoel je, mijn vrouw houdt van mij en ik van haar. Waar bemoei je mee”, schreeuwde ik. “Ach, kom op man. Je zit de hele dag op kantoor, je gaat nooit naar feestjes en je doet nooit wat leuks met je vrouw en kinderen.” Luuk draaide zich om en sloeg de deur achter zich dicht. Dit waren voor mij Luuks laatste woorden. Twee dagen later werd ik gebeld. Ik was lichtelijk aangebrand, omdat een klant vreselijk moeilijk was geweest. “Veevoerproductie Janssen, u spreekt met directeur Tom Janssen, waarmee kan ik u van dienst zijn?” Aan de andere kant hoorde ik de afdelingsleider van het transport van mijn bedrijf. “Er is een ongeluk gebeurd. Ik weet niet hoe ik het u moet zeggen, maar één van onze werknemers is over de kop geslagen met de vrachtauto.” Dat kan er ook nog wel bij dacht ik bij me zelf, ik heb het al zo druk. “Oh, wat vervelend, is hij er ernstig aan toe?” “Ja nog al, hij was op slag dood. Ik vind het moeilijk te zeggen, maar uw broertje…” Ik luisterde niet meer naar de rest van de zin. Een schok ging door mijn lijf. Tranen stroomden over mijn wangen. Ik beet op mijn onderlip om de tranen te onderdrukken. Ik gooide de telefoon op de grond en schreeuwde. Ik brulde hard, het leek alsof er een jagende leeuw in mijn kantoor stond. Kapot was ik, kapot gemaakt door verdriet. Nu sta ik hier. Een beetje te kijken naar hoe de kist met mijn broertje naar beneden werd gelaten. “Bedankt broer”, fluisterde ik. “Door jou weet ik welke kant ik op moet. Je hebt gelijk, ik ben niet gelukkig. Ik ben niet jouw voorbeeld, maar jij die van mij. Geld maakt niet gelukkig en alles hebben ook niet. Stiekem hoop ik dat je nog met mij op reis wil. Niet naar Brazilië, want dat gaat niet meer. Ik hoop dat jij, ook al ben je daar boven, met mij onderweg wil naar het geluk.”

Ontwerp door Willem Verweijen