O. J. van Heesbeen

23 jaar - Gymnasium

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

O. J. van Heesbeen (23 jaar)

? stemmen

De weg tussen de sferen

Zodra iets ijzers tegen de linoleum vloer klettert wordt de oorverdovende stilte verbroken. Stotterend gehijg, gemengd met snel slikken, valt van tussen de lippen van de man die voor mij staat. Het klinkt verwrongen in mijn oren, alsof er water voor mijn trommelvlies gonst. Zijn handen trillen zichtbaar, terwijl zijn wijsvinger over de trekker van zijn pistool zweeft. De loop van het geweer in zijn hand rookt nog na. De kamer valt weer in een complete stilte. Pas als ik mijn voet verzet weerklinkt er weer iets. Ik hoor iets klotsen onder mijn zool, het spat zachtjes tegen de zijkant van mijn schoen. De vloeistof waar ik in sta sijpelt langzaam over de grond en spreidt zich geleidelijk uit, kronkelend tussen de voegen van de tegels. Mijn hoofd voelt zwaar, alsof hij naar de grond wordt getrokken. Elke keer als ik knipper flitst er een wit licht achter mijn oogleden. Het is verblindend. Mijn blik valt terug op de man, met zijn licht bezwete voorhoofd en zijn muisblonde haren in een warboel. Hij lijkt zo van streek, maar als ik mijn hand uitsteek om hem te kalmeren lukt het me niet. Dezelfde kracht die mijn voeten telkens weer neerwaarts forceert en die aan mijn hoofd trekt zorgt ervoor dat ik aan de grond genageld sta, op een veilige afstand. Verward kijk ik omlaag, naar waar de man met wilde, grijze ogen zo intens lijkt te staren. Bevend breng ik mezelf ertoe om mijn hand op te heven, waarvoor ik me erg moet inspannen. Een rilling gaat door me heen zodra mijn vingers voorzichtig mijn kleding aanraken op de plek waar een gat zit die recht door mij heen lijkt te gaan, vlak onder mijn navel. Erboven zitten nog een paar gaten, maar in tegenstelling tot wat ik had verwacht, bloeden ze niet. In tegendeel, het lijkt alsof ze er al tijden zitten. Trillend probeer ik adem te halen. Het stokt in mijn keel en ik stoot een raar geluid uit dat van diep in mijn lichaam komt.

“Help me,” zeg ik, eerst zachtjes, bang dat ik zal stikken in mijn eigen stemgeluid, dan harder. Tot het luid wordt geschreeuwd en door de lege ruimte weergalmt. Het bonst tegen de raamloze muren en klinkt me schel in de oren. Het stopt niet. Het is alsof, nu ik mezelf heb laten gaan, er geen einde meer aan komt. De man lijkt me niet te horen, hij kijkt dwars door mij heen. Tranen rollen stilletjes over zijn bleke wangen, maar verder verplaatst hij zich geen centimeter. Beiden zijn we vastgenageld aan de grond, vastgevroren in positie. Langzaam, bang voor wat ik zal aanschouwen, draai ik mijn hoofd om, mijn lichaam wilt niet meedoen met de beweging, waardoor mijn nek in een rare kronkel terecht komt. Op de grond, vlak achter me, ligt een lichaam met kogelgaten op dezelfde plekken als bij mij, maar deze bloeden wel, erg snel zelfs. Bloed gutst uit de wonden, doordrenkt de dikke stof van het vest en drupt over de zij op de grond. Drup, drup, drup. Met elk geluid laat de man een gesmoorde snik. Nog een schreeuw verlaat mijn keel, luider dan ooit. Het gaat door merg en been, doet mijn botten rammelen. Mijn oren voelen alsof ze knappen door het volume. Mijn gezicht is sereen, lijkbleek. Mijn haar valt in rommelige strengen over mijn wangen en glijdt in mijn ogen, die wijd open gesperd zijn.

Na een moeizame wenteling knallen mijn knieën op de grond. De klap raast door de ruimte en maakt dat de man wankelt op zijn benen. Ik probeer hopeloos de wonden dicht te houden, maar het helpt niet. Het bloed sijpelt tussen mijn vingers door, zonder vlekken achter te laten. De rode vloeistof weerspiegelt het flikkerende licht van de eenzame TL-buis die precies boven mij en mijn lichaam hangt. Als mijn ogen over mijn vorm heen glijden, blijven ze onherroepelijk rusten op mijn de blauwe irissen, de pupillen klein. Ik pers mijn lippen op elkaar om alle geluiden te verstommen en tril hevig, totdat er ineens een vlaag van kalmte door me heen raast. Het strijkt zachtjes door mijn haar en laat zijn vingertoppen over mijn hals glijden. Stilte valt; zelfs het druppen, zelfs het zacht kabbelen van het bloed over de vloer, zelfs de ademhaling van de man achter mij stoppen. De man heeft zich van ons weggedraaid en loopt richting de uitgang, zijn knieën knikkend en handen trillend. De achterkant van zijn jas is gescheurd alsof hij heeft gevochten, bevlekt met modder en bloed. De deur valt dicht in zijn slot, met kreunende scharnieren. Zijn voetstappen weergalmen na in mijn hoofd, doen het bonken. Ik kijk langzaam omhoog, naar het hoge plafond en de TL-buis. Het is akelig gelijk aan het flitsen achter mijn oogleden. Langzaam leun ik over mijn lichaam, recht boven mijn eigen gezicht en sluit mijn ogen. Ik zie mezelf.

Ontwerp door Willem Verweijen