Maaike Klappe

22 jaar - VWO

3
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Maaike Klappe (22 jaar)

? stemmen

Einde

Zondagmorgen, zeven uur. Geluiden van buiten komen mijn slaapkamerraam door. Ik hoor vogels, ik hoor geluiden van auto’s. Meteen slaat er een stop door in mijn hoofd, gaat mijn hartslag omhoog en opeens sta ik buiten, slordig aangekleed. Ik ren weg, mijn adem gejaagd, mijn hoofd verward. Wanneer ik in het bos aankom en de vreselijke menselijke geluiden verdwenen zijn kan ik weer ademen. Eindelijk. Ik loop door tot ik bij een splitsing kom. Ik loop naar de afslag toe, de afslag die mij leid naar waar ik heen moet. Even twijfel ik nog, terwijl ik om me heen kijk om er zeker van te zijn dat niemand me volgt. Mijn hartslag kruipt weer even omhoog, maar niet erger dan daarnet. Mijn handen worden klam, maar ook dat kan ik aan. Dan loop ik door.

De weg die ik volg gaat almaar rechtdoor, zonder zijpaden. Volgens de beschrijving klopt dat. Ik zou links of rechts het bos in kunnen gaan, maar daar kom ik nooit meer uit. Nee, er is geen weg terug. Zo werkt het niet. Ik probeer alles wat ik zie in me op te slaan, omdat dit weleens het laatste zou kunnen zijn wat ik hier zie. Het is prachtig. De zon, die helder aan de hemel staat, kleurt de bladeren aan de bomen in verschillende tinten groen, geel en rood. Het bospad lijkt wel gloednieuw, maar onbewerkt. Nee, het zijn nu geen mensen die iets gedaan hebben. Het is anders.
Terwijl ik het pad, waar geen einde aan lijkt te komen, bewandel denk ik terug. Aan alles. Waarom doe ik dit, vraag ik me nu al meerdere keren af. Waar ik leef is geen oorlog, geen crisis, geen grote natuurramp. Ik had iets waar veel mensen zo gelukkig mee zouden zijn.
Ik denk dat het komt door iets wat in mij zit. Iets wat almaar opzoek is naar dat wat het leven… anders maakt. Ik heb iets nodig waarvoor ik kan vechten. Mijn familieleden zijn gestorven, of hebben geen contact meer met me. De weinige vrienden die ik had zijn gestorven. Nu ik niet meer voor hen kan vechten, vecht ik voor mezelf. Een stuk moeilijker dan verwacht.

Ik heb veel fouten gemaakt vroeger. Mijn vader, verbitterd door de oorlog, kon ik niet helpen. Mijn moeder, altijd in zorgen door mijn vader, kon ik niet helpen. Mijn zusje, die er niets van begreep, kon ik niet helpen. Ik vluchtte weg. Als ik kon, zou ik alles terugdraaien. Maar ik kan dat niet, dus ik vlucht weer weg. Op een andere manier wellicht, maar ik doe het wel. Niet dat het nog iets uitmaakt.

Er komt licht door de bomen. Feller dan het licht dat ik net zag. Hoelang loop ik al? Ik heb geen idee. Mijn horloge heeft me altijd trouw de tijd verteld, maar ik moest mijn horloge afdoen toen ik wegging. Wanneer ik beter om me heen kijk, merk ik dat dit licht niet alleen van de zon af kan komen. Ik sta stil en denk na. Betekent dit iets? Gaat er nu iets gebeuren? Is dit een test? Moet ik gewoon doorlopen? Ik besluit het laatste te doen. Doen alsof er niets aan de hand is, alsof alles normaal is.

De dag dat alles veranderde, inmiddels drie maanden geleden, startte als gebruikelijk. Zoals alles in mijn leven, betekenisloos. Ik deed wat ik moest doen. Ik deed wat gedaan moest worden. Toen ik, vanaf mijn werk onderweg naar huis, onverwacht uitweek voor een man voelde het niet vreemd. Het voelde als iets wat gedaan moest worden. Nu ik eraan terugdenk was deze gebeurtenis wel vreemd, ongewoon, eigenaardig. De man leek recht op me af te gaan, alsof hij dacht dat hij door me heen kon lopen. Toen ik na mijn uitwijking mijn hoed weer op mijn hoofd zette en in een snel tempo verder liep kwam ik erachter dat de man me volgde. Wat moest ik doen, doorlopen? Stilstaan? Ik deed precies hetzelfde als anders. Ik deed alsof er niets aan de hand was. Ik liep door in hetzelfde tempo en toen ik na een tijdje dacht dat de man verdwenen was hield ik opgelucht adem. Ik stond stil en stak een sigaar op. En ik had het mis. De man was niet verdwenen, een ander steegje ingegaan, nee hij kwam naar me toegelopen. Even bleef hij stilstaan, pal voor me. “Kom mee”, hoorde ik. Daarna duwde hij een versleten boekje in mijn handen en ik liep met hem mee. Ik vertrouwde hem en dat bleek de goede keuze te zijn geweest.

Ik schrik op uit mijn gedachten en voel twee tranen over mijn gezicht lopen. Ik veeg ze niet weg, want verdriet maakt plaats voor verbazing. Op zo’n 5 meter afstand staat een groot vliegtuig. Enigszins ouderwets, maar dat schrikt me niet af. Dit model was van mij. Ik wil achterom kijken, maar angst weerhoud mij ervan. De man die alles veranderde staat weer voor mij. Dit is de tweede keer dat ik hem zie en weer daalt een vertrouwd gevoel op mij neer. Ik ben vastberaden en machtig. Ik ga weg. De man steekt een hand naar me uit en ik grijp hem, met een soort kinderlijke nieuwsgierigheid. Het maakt me niet uit. Ik ga weg. “Ben je er klaar voor?” hoor ik hem kalm vragen. Ik moet even nadenken over mijn antwoord. Ik ga weg, maar ik heb geen idee waarheen. Ik heb geen idee wat me te wachten staat en ik heb geen idee waar het einde is. “Ik ben klaar.” zeg ik. “Ik ben klaar voor waar dit me heen gaat leiden. Het begin is geweest en ik wil nu naar het einde. Hoe dat ook gaan moge.” De man kijkt me even aan en spreekt dan. “Ach, mijn vriend, de reis tussen het begin en het einde is er een die we allemaal maken. We zijn allemaal onderweg, op onze eigen manier.” Ik klim het vliegtuig in en maak het klaar voor opstijging.

Ontwerp door Willem Verweijen