Imme Garrelfs

20 jaar - VWO

44
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Imme Garrelfs (20 jaar)

? stemmen

Graffiti

Met grote passen ren ik de trap van het metrostation af naar beneden. Elke stap die ik maak weergalmt door de verlaten ruimte. De enige geluiden die ik hoor zijn mijn voeten die met een regelmatig tempo op de ijzeren treden terecht komen en het gebonk van mijn hart. Het beeld van de nu nog diepe afgrond onder me wordt steeds waziger en ik zie niet goed meer waar ik loop. Toch weet ik door het tikken van de treden precies waar ik ben. Ik weet dat ik bijna beneden ben en ik weet wat ik daar zal aantreffen. Niks. Een oud, verlaten metrostation waar nog ongeveer één keer per dag een metro stopt. Eén spoor, één betonnen muur, één tekening, verder niets.

Door het vocht in mijn ogen zie ik de graffiti naast de trap. De donkerrode, oranje, gele en zwarte kleuren lijken in elkaar over te lopen op het grijze beton. Vaag zijn de grote, zwarte letters van elkaar te onderscheiden en vallen er woorden te lezen. Let it burn. Ik sluit mijn ogen, proberend de herinneringen buiten te sluiten, maar het lijkt niet te helpen.

Ik gooi de sigaret in de kleine, houten prullenbak vol met papier. Het papier begint te schroeien en al snel verschijnt er een klein vlammetje, waarna het niet lang duurt voordat de vonk overspringt op het volgende stukje. De prullenbak begint te roken en korte tijd later is de vlam ook overgeslagen op het hout van de prullenbak zelf. Een hard gepiep dringt mijn oor binnen en ik spring op. Ik ren richting de deur en probeer hem te openen, maar hij zit potdicht. Met al mijn gewicht leun ik ertegen aan, maar open gaat hij niet. Beveiliging. Daar hadden we niet aan gedacht. “Mitch!” Mijn stem klinkt schor en ik begin in paniek te raken. “Mitch, Help!” Hij moet me helpen. De deur moet open! Mijn ademhaling versnelt. Dit was niet de bedoeling! Ik had aan de andere kant van de deur moeten staan! Mijn ogen schieten de kamer rond. De prullenbak fikt inmiddels behoorlijk. Grote vlammen likken de rand en spelen met elkaar. “Mitch!” Ik begin het warm te krijgen en weet niet zeker of dat komt door het vuur of door mijn zenuwen. Er rolt een zweetdruppel over mijn voorhoofd en ik laat mijn ogen naar boven glijden om ze vervolgens te laten hangen op een raam achter de prullenbak. De vlammen dansen om het raamkozijn heen, alsof ze willen zeggen: ‘Kom dan. Kom dan naar het raam, maar je zult eerst langs ons moeten.’ Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel. Het raam. Mijn enige uitweg. Verraderlijk achter de rode en gele kleuren van het bloeddorstige vuur. Mijn hoofd bonkt en inmiddels heb ik het bloedheet. Het vuur verspreidt zich razendsnel door de kamer. Ik zal snel een beslissing moeten nemen. Ik haal diep adem en begin te rennen.

Ik bijt op mijn lip. Niet aan denken, het is verleden tijd. Het is voorbij. Iets warms en vochtigs glijdt over mijn wang naar beneden. Met een ruwe beweging haal ik mijn pols over mijn gezicht. Zwarte vegen mascara versieren mijn natte pols. Ik bijt op mijn lip en probeer met moeite de tranen binnen te houden, die zich dwingend een weg naar buiten proberen te wringen. Het is me acht jaar lang gelukt om mijn zwakte te verbergen, dus nu moet het ook lukken. Ik focus me op de muur aan de andere kant van het spoor. De muur recht tegenover de tekening. Het beton is op verschillende plekken besmeurd met vieze, gele plekken. Een onaangename geur dringt mijn neus binnen. De zure, muffe geur herken ik gelijk. Kots.

In de verte hoor ik gerommel en gekraak van een naderende metro die langzaam dichterbij komt. Als ik de tunnel in kijk, zie ik twee grote koplampen die als twee gele ogen recht in de mijne staren. Het grote beest komt langzaam dichterbij. Ik weet dat deze metro hier niet zal stoppen. De grote stationsklok staat al tijden stil, maar toch weet ik precies hoe laat het is. Het is achttien minuten over drie. De enige metro die hier stopt, komt om drie minuten over half vier.

Met een oorverdovend lawaai komt de metro het station binnen gedenderd. Een harde windvlaag probeert me omver te blazen, maar ik blijf met moeite staan. De metro verschijnt en de ramen weerspiegelen het beeld van het kleine station. In de ramen zie ik een meisje. Ongeveer 1.65 lang. Haar zwarte haren dansen alle kanten op en de blauwe dipdye raakt verspreid door de rest van haar haar. Twee ijsblauwe ogen kijken in de mijne, vochtig en vol tranen. Haar zwarte mascara zit overal over haar gezicht verspreid en haar blauw met zwart geruite bloesje zit onder de zwarte vegen die er overduidelijk niet op horen. De metro flitst voorbij en het beeld is weg. Voor me is weer dezelfde, grijze, betonnen wand te zien met dezelfde gele, gore vlekken. De geur van diesel en metro’s maakt plaats voor dezelfde vieze, zure lucht die ik een paar minuten geleden ook al rook. Het geluid van de metro klinkt steeds zachter, totdat het weer even stil is als eerst. Alsof er niks is gebeurd.

Drie minuten lang verroer ik me niet. Ik staar naar de muur en luister naar alles wat de doodse stilte me te vertellen heeft. Ik krijg het traanvocht onder controle en merk dat het nat op mijn wangen en in mijn ogen langzaam opdroogt. Na deze drie minuten draai ik me om en begin ik de graffiti die ik zo goed ken te inspecteren. Ik loop naar de muur om hem van dichterbij te kunnen bekijken. Ik sluit mijn ogen en ga met mijn hand over de opgedroogde verf heen. Ondanks dat ik mijn ogen dicht heb, zie ik de tekening haarscherp voor me.

Let it burn.

We burned it down.

Ontwerp door Willem Verweijen