Thomas Poldervaart

23 jaar - VWO

2
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Thomas Poldervaart (23 jaar)

? stemmen

Het licht aan het eind

De tranen waren het laatste wat hij gezien had. Als glimmende parels hadden ze over de wangen van zijn moeder gestroomd. Zijn vader had geprobeerd het te verbergen, geprobeerd zich sterk voor te doen, maar tegen het verdriet had hij niets kunnen doen.
Nu opende de jongen zijn ogen weer. De ruimte om hem heen was zo zwart als een maanloze nacht. Hij stond in een tunnel, en het enige licht dat hij kon zien was een klein wit stipje verderop.
Instinctief wist de jongen waar hij was. Dit was de wereld van de levende niet, dit was de wereld van de doden. Aan het eind van deze tunnel, bij dat witte licht, zou dit leven verdwijnen.
De jongen begon met lopen, en kwam tot zijn verbazing erachter dat het zonder moeite ging. De pijn, die al die tijd als een schaduw aan hem geplakt had, was verdwenen. Terwijl hij stap na stap richting het licht zette keek hij naar zijn kleding. Hij droeg zijn favoriete rode T-shirt en de korte broek die hij vlak voor de zomer van zijn moeder had gekregen. Tranen welden op in zijn ogen. De ziekenhuiskleding was weg, de pijn was weg, zelfs zijn haar was terug. Eindelijk was die tijd van leed over.
Het voelde alsof er uren, of misschien zelfs dagen voorbij waren gegaan. Al die tijd had hij gelopen, maar het licht was niet dichterbij gekomen. De jongen zakte op zijn knieën terwijl wanhoop hem overviel. Misschien zou hij nooit bij het licht komen. Misschien was het zijn lot om voor altijd te blijven lopen. Vol wanhoop ging hij in elkaar gekropen op de grond zitten.
Plotseling klonken er voetstappen uit de richting waar hij vandaan was gekomen, voetstappen die steeds dichterbij kwamen. De jongen keek op vanuit zijn samengekropen positie, en zag een oudere man op hem afkomen. Over zijn linkerschouder droeg hij een vervallen gitaar. De kleding van de man zag eruit alsof het in geen weken gewassen was, en overal zaten gaten in. Zelfs de slippers die hij droeg leken uit elkaar te vallen. Maar dit alles leek de man niets uit te maken. Hij floot enkel een vrolijk deuntje terwijl hij op de jongen afkwam.
Even dacht de jongen dat de man door zou lopen. Toen stopte de man opeens naast hem. “Waarom zit je hier zo op de grond,” vroeg de man zonder naar hem om te kijken.
De jongen mompelde iets onverstaanbaars terug, waardoor de man zich naar hem toedraaide. “Zeg dat nog es, knul, ik versta je niet.”
De jongen haalde nu diep adem, en zei zo duidelijk als hij kon. “Bent u ook dood?”
Met een opgetrokken wenkbrauw keek de man hem aan, en vervolgens begon hij te lachen. “Ik, dood? Waarschijnlijk wel ja, anders zou ik hier niet zijn.”
“Waarom?”
De man haalde zijn schouders op. “Misschien was het de drank, of de drugs. Het kan ook een vrouw zijn geweest. Niet dat het uitmaakt, het resultaat is hetzelfde.”
Verbaasd keek de jongen de man uit. “Vindt u het niet erg dat u dood bent?”
Opnieuw lachte de man. “Natuurlijk wel. Er was nog zo veel te doen in het leven, zo veel dat ik wilde. Nu ik hier ben, wens ik dat ik mijn dochter nog es had kunnen zien. Maar het heeft geen zin om daar over na te denken. Ik ben dood, daar is niets aan te veranderen.”
De jongen begon zachtjes te huilen. “Ik wil niet dood zijn. Stomme leukemie. Ik wil bij papa en mama zijn. Ik wil niet dat ze huilen.”
De man ging op zijn hurken zitten en legde een hand op de schouder van de jongen. “Kanker, hè? Klinkt verschrikkelijk om zo jong daardoor te sterven. Maar je pijn is nu weg, je hebt nu eindelijk rust.”
Met zijn shirt veegde de jongen zijn tranen weg. De man had gelijk, de pijn was weg. Eindelijk kon hij zonder pijn bewegen. “Weet u wat er bij het licht is?” vroeg hij toen zijn ogen weer droog waren.
De man haalde opnieuw zijn schouders op. “Geen idee. Misschien niets, misschien reïncarnatie, misschien een hemel waar ik voor altijd op mijn gitaar kan spelen. Ik zie het wel als ik er kom.”
“We kunnen er komen?”
“Vast wel, al kan het lang duren. Maar dat het lang duurt, betekent niet dat we op moeten geven. Dit is onze reis door het hiernamaals, en het licht is ons doel.”
De jongen dacht een kort moment na. Hij wilde niet voor altijd hier op de grond zitten, maar het licht leek zo ver weg te zijn. Twijfel overviel hem, wat moest hij doen?
Opeens stak de man zijn hand uit. “Kom mee, knul. Je bent lang genoeg alleen op je ziekbed geweest, het is tijd dat je weer opstaat en verderloopt. Het leven was een fantastische reis zie je, en die is nog niet ten einde. Misschien stopt het bij het licht, misschien stopt het nooit. We zullen het nooit weten als we niet opstaan en verder lopen.”
De jongen kreeg een warm gevoel van binnen. Al die tijd in het ziekenhuis had hij amper mensen kunnen ontmoeten door zijn ziekte. Zelfs zijn oude vrienden waren amper langs gekomen. Maar hier, in deze tunnel, had hij weer iemand gevonden. “Zijn wij vrienden?” vroeg hij verlegen aan de man.
De meest vriendelijke en oprechte glimlach die hij ooit had gezien was zijn antwoord. “Natuurlijk zijn wij dat. We zijn immers broeders in het hiernamaals, toch?”
De jongen knikte gelukkig en pakte zonder enige twijfel de hand aan. Vrienden, eindelijk had hij weer een vriend gevonden.
Met een korte ruk trok de man de jongen overeind, en samen begonnen ze weer naar het licht te lopen. “We mogen dan wel dood zijn, knul, maar dat betekent niet dat onze reis ten einde is,” zei de man. “We zijn nog steeds onderweg.”
Dat klopt, dacht de jongen. Zelfs in deze tunnel, na hun dood, waren ze nog steeds onderweg.

Ontwerp door Willem Verweijen