catoo lustig

22 jaar - havo

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

catoo lustig (22 jaar)

? stemmen

ik loop.

Ik loop over een nieuw geasfalteerde weg. Zo nu en dan een boom en voor de rest grasveld, akkers om me heen. Ik loop naar de horizon, naar het einde van die weg, waar geen einde aan lijkt te komen. Ik loop naar de gedachten waar ieder mens over fantaseert, filosofeert, droomt. Ik loop naar dat geen wat ik probeer te definiëren. Ik loop naar dat wat komt na nu. Er fiets een man voorbij op een racefiets. Vroeger wou ik altijd heel graag een racefiets, ik mocht die van mijn vader hebben maar ik durfde nooit te oefenen om te kunnen fietsen op een racefiets. Ik loop verder naar de zon. Ik loop naar het einde van het begin. In de verte zie ik iets staan, een groot, lelijk gebouw. Ik loop als een legopoppetje door terwijl bomen langs me gaan, lantaarnpalen langs me gaan. Ik kom in de buurt van het gebouw langs die oneindig lange weg, en ik ruik een geur van Zwitsal, van babybillenzalf. Waarschijnlijk wordt dat hier gemaakt. Toen ik een jaar of 4 was klom ik vaak uit mijn bed en was een vrij rebels kind. Ik deed dat stiekem en mijn ouders hadden niks door omdat ik er optijd als een soort aapje weer inklom tot het moment dat mijn ouders precies dezelfde geur roken als ik nu. Elke avond klom ik op het rode, glimmende kastje wat naast mijn bedje stond als mijn moeder mij een verhaaltje vertelde, dat moest zij dan zelf bedenken want voorlezen was te mainstream. Terwijl ik dan op het rode kastje zat was ik eigenlijk bezig met andere dingen doen, ik zat overal aan maar luisterde wel goed, ik luisterde zelfs zo goed dat ik tijdens mijn boekbespreking het boek wat mijn moeder wel mocht voorlezen uit mijn hoofd kende, ik kon helemaal niet lezen maar kende het verhaal uit mijn hoofd door de vele malen dat mijn moeder dat verhaaltje voorlas en kon het hierdoor ‘voorlezen’. Slim. Op dat kastje zat ik dan dus. Het had diepe lades, staat overigens nog steeds in huis. De avond dat mijn ouders de geur roken als ik nu had ik de babybillenzalf gepakt nadat ik uit mijn bed geklommen was, blijkbaar was ik de spanning van het-uit-bed-klimmen beu en ik smeerde het volledige, rode kastje in met witte babybillenzalf, die geur en die kleur. Wit. Inmiddels is de fabriek al ver achter me. Ik vertel mezelf dit keer een verhaal. Ik vertel mezelf waar ik heen ga. Ik loop naar dat applaus wat je krijgt nadat de voorstelling gespeeld is, die op dit moment nog niet eens bestaat. Ik loop naar die tonen, die klanken die nog niet gemaakt zijn. Ik loop naar de zenuwen voor een sollicitatiegesprek, terwijl er nog geen facturen is. Ik ben onderweg naar dat wat God al weet wat komen gaat. Ik loop naar het begin van het einde. Ik loop naar de dood. Naar mijn 20e, 50e en 69e verjaardag. Ik loop naar iets wat ik niet weet. Ik loop over een uitgestippelde lijn waar ik geen weet van heb. Ik loop naar iets waarvan ik weet dat het komen gaat maar niet weet wat het is of inhoud. Ik ben onderweg en ik loop. Ik loop naar de waarheid, naar het echte. Ik loop naar mijn studie. Ik loop naar de evolutie-executie. Ik loop naar het einde van dit verdwaalverhaal. Ik loop naar de hemelwinter. Naar de fietstocht die ik over een paar maanden ga maken. Naar het concert van mijn favoriete band ‘de jeugd van tegenwoordig’ . Ik loop. Ik loop naar de toekomst.

Ontwerp door Willem Verweijen