K. F. Timmermans

22 jaar - ASO

16
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

K. F. Timmermans (22 jaar)

? stemmen

Onder stenen

“Hier moet je blijven”, hoorde ik. Het was de stem van de wolken en de zon, het blauw met vlekken van schapenvacht en oranjegele schijn, dat tot me sprak. “Hier is niets om bang voor te zijn”, zei het. Ook de bergen richtten zich tot mij. “Verder is hier niemand. Alleen jij, ik, en de eeuwige veiligheid van rust”.
Boven me was de maan, die een kring van wolken verlichtte en naar zich toe bewoog. Onder me was er de aarde, die smeekte om losgelaten te worden. En in mij, was er nog steeds angst. Nooit was die ver vandaan, af en toe verstopte hij zich gewoon, om later onverwachts terug de hoek om te komen, uit te dijen, te expanderen, exploderen, verzachten en weer wachten. Er was altijd storm op de zee van innerlijkheid. Altijd bij mij. Wellicht ook altijd bij anderen. Enkel was ik niet in staat het water te bevaren.
Hoewel de cirkel van bossen en bergen me beloofde te beschermen, moest ik verdergaan. Mijn onderweg-zijn mocht niet onderbroken worden. Ik was vertrokken om ergens te geraken waar angst niet heerste, een land waar het mogelijk was om even, heel even, aan de beelden en schreeuwen te ontsnappen. Waar ìk gezag had over mijn bestaan, de angst me niet bespeelde als een marionet.
Dus stapte ik verder, telkens andere gronden onderdrukkend, hopend dat ik na een bepaalde stap op een grond zou terechtkomen, waar het rustig was.
Wanneer in mijn gezichtsveld de cirkel van natuurlijke golven en verticalen langzaam een smalle ovaal werd, versperden bomen het zicht op de horizon. Toch wist ik dat hij er lag, daar ergens bij een lichtovergang, en dat ik hem zou bereiken. Daarachter, daar was mijn bestemming. Ik was onderweg naar de horizon. Enkel de horizon scheen mij in staat rust en levenslust te bieden.
Ik liep het bos tot een einde. Er verschenen reusachtige rotsen. Links nodigden ze me uit in een vallei, rechts reikten ze onbereikbaar naar de wolken. De ovaal was een puntige duizendhoek geworden. Ze werden door me bekeken, gevoeld, toegesproken. Ik werd door ze gefascineerd, bevroren, verwond. Was de lucht die dag niet helderblauw geweest, dan had ik geloofd dat ik kleurenblind was geworden. Mijn voeten spurtten door ze heen, om mijn ogen overal heen te brengen. Maar ik moest verder. Ik moest steeds verder. Steeds onderweg. Tot de vastgeroeste angstblokken in mijn hoofd waren gesmolten.
Ik had nog genoeg voedselvoorraad, genoeg energie, om vandaag misschien, heel misschien, de langverwachte bestemming te bereiken. Mijn grote rugzak liet me nooit in de steek. Ik was op heel wat voorbereid, wilde dieren, vreemd lawaai, pikzwarte duisternis.
Er was slechts één iets waar ik niet op voorbereid was.
Vallende stenen.
Ze vielen. Eerst een aantal kleine bewegingen, rechts, in de hoogte. Later rotsblokken, die naar me toe stuiterden. Het scherpe geluid doorbrak de stilte en maakte mijn monster wakker; ik was bang.
Er was zoveel wat ik had kunnen doen, wegrennen, dekking zoeken, het uitschreeuwen. Maar ik bleef levenloos staan. De stenen raakten mijn huid. Binnenin mij waren er minstens evenveel steken, evenveel brandwonden, evenveel pijn. Ik deed mijn ogen dicht en beeldde me in dat het een regenbui was. Een zachte regenbui, op een zomerse dag.
Maar het hielp niet. Ik zakte ineen, op de stenige grond. Ik kroop terug in mijn cocon, liet mijn vleugels rusten, en zo wachtte ik trillend, tot het tij was gkeerd. Ik dacht aan terugkeren. Misschien lag mijn bestemming wel bij mijn vertrekpunt. Die gedachte maakte me nog banger.

Ontwerp door Willem Verweijen