Lieke Vink

21 jaar - gymnasium

2
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Lieke Vink (21 jaar)

? stemmen

Onderweg naar de vrede

Waar gaan we naartoe? Vanochtend had mijn moeder zonder iets te zeggen onze spullen ingepakt. Op de vraag wat we gingen doen en waar we naartoe gingen had ze iets vaags gezegd als:
“Dat zal je wel zien als we er zijn.” Daarna had ze de spullen naar de auto gedragen en moest ik instappen. We zitten nu al acht uur in de auto en ze heeft nog steeds niets gezegd. Elke keer als ik haar vraag waar we heen gaan schudt ze haar hoofd. Het heeft geen zin nog iets te vragen, dat heb ik al lang door. Opeens gaan we langzamer rijden.
“Zijn we er?” vraag ik voorzichtig. Als antwoord geeft ze een ruk aan het stuur en we staan stil naast de weg.
“Ja we zijn er.” zegt mijn moeder.
“En waar zijn we?”
“Op onze overnachtingsplaats.” zegt mijn moeder kordaat.
“Op onze overnachtingsplaats?” vraag ik verbaasd, kijkend naar de bosjes naast de weg. “Gaan we morgen dan weer verder?”
“Ja, meisje.” zegt ze.
“Maar waar gaan we dan heen?” vraag ik voor de zoveelste keer.
“Dat zal je wel zien.” zegt mijn moeder.
En daar blijft het bij. We zetten de tent op en leggen onze slaapzakken erin. Mijn moeder pakt een blikje eten uit de auto en geeft er ook een aan mij, bruine bonen uit blik, jakkes. Ik kijk haar ongelovig aan, maar zij begint gewoon te eten.
“Mam! Dit is hartstikke goor.” zeg ik verwijtend tegen haar. Ze kijkt me aan en zegt alleen:
“Iets anders krijg je niet.” Waarna ze doorgaat met eten. Met tegenzin eet ik mijn portie op. Kokhalzend na elke hap. Wat een smerige drab. ‘s Avonds in de tent op een hard matje kan ik niet slapen, telkens vraag ik me af waar we eigenlijk heen gaan. Het is een nachtmerrie niet te weten wat de volgende dag in zal houden. Het enige wat ik zeker weet is dat we weer verder gaan rijden. Maar waar we ’s Avonds aan zullen komen, dat weet ik niet. Misschien wel weer in een tentje langs de weg. Hopelijk niet, hopelijk zijn we dan weer in de bewoonde wereld in een hotel, of gewoon thuis. Als ik net slaap komt mijn moeder me wakker maken:
“Opstaan we hebben weer een lange weg voor de boeg.”
Ik waag het niet meer te vragen waar we dit keer heen gaan. Ik krijg toch geen antwoord. Als ontbijt eten we nog een blikje, dit keer met tomatenprut. Niet te vreten. Als het zo nog even doorgaat ga ik dood van de honger. Onderweg komen we langs bossen en rivieren, maar ook soms langs dorpjes en een keer langs een grote stad. Maar als ik vraag of we even wat kunnen gaan eten, zegt mijn moeder dat ik vanochtend al gegeten heb. Ja, hallo, dat is al weer vier uur geleden. En ik weet nog steeds niet waar we heen gaan. Naar het einde van de wereld? Ik weet het niet meer hoor, wat moet ik doen? Wat moet je doen als je niet weet wat er aan de hand is en de enige persoon die je dat kan vertellen niet meer zegt dan: “Dat zal je wel zien.”? En wat als die persoon toevallig je moeder is? Anders zou je nog kunnen zeggen dat je ontvoerd wordt. Nu is dat een beetje raar. Het is allemaal zo bizar. Eigenlijk moet ik morgen weer naar school. Het weekend is bijna voorbij. Ik vraag me af of mijn moeder dat bedacht heeft.
“Mam?”
“Ja?”
“Ik moet morgen weer naar school.”
“Ja.” Dat is haar enige antwoord. “Ja.”
“Zijn we wel op tijd thuis?”
“Nee.”
“Hoe lang gaat dit nog duren?”
“Dat merk je wel.”
“Nou mam, ze zullen zich op school afvragen waar ik ben.”
“Dat weet ik.”
Ik begin een beetje gefrustreerd te raken.
“Maar waar ben ik dan?” zeg ik een tikje geïrriteerd.
Mijn moeder zucht: “Wanneer hou je eens op met al die vragen?”
“Als ik weet waar we zijn en waar we naartoe gaan en waarom.”
Ze zucht weer. “Tja, misschien moet ik het dan maar vertellen, hè.”
“Ja! Dat is een goed idee.” antwoord ik enthousiast.
Mijn moeder schraapt haar keel: “Ik weet eigenlijk niet waar we heen gaan.”
Oké, ik had alles verwacht behalve dit. “Je weet het niet?” Zeg ik verwonderd.
“Nee. Ik weet het niet.”
“Hoezo weet je het niet?” zeg ik nieuwsgierig.
“Ik… Je… Je weet dat ik ruzie had de dag voor we vertrokken.”
“Ja. Maar wat heeft dat er mee te maken?” Ik wist inderdaad dat ze ruzie had met de buurman voor we vertrokken.
“Ik had zo erge ruzie dat ik besloot weg te gaan.”
“Zomaar? Zonder te weten waarheen?” Ik ben helemaal verbijsterd. Ik zie mijn moeder altijd als een wijze en verstandige vrouw, maar dit slaat alles.
Mijn moeder zucht diep en kijkt me aan: “Ja.”
“Hoelang blijven we nog doorgaan?”
“Tot ik me over die ruzie heen gezet heb.”
“Dan kan je beter nu terug gaan en het goed maken.”
“Ik weet het.” Ze lacht naar me. “Maar dat durf ik niet.”
“Keer om, mama. Maar voor we terug naar huis gaan nemen we een fatsoenlijke maaltijd.”
Ze lacht: “Ja, die blikjes waren wat overdreven.” Ook ik lach nu weer. Gelukkig, mijn moeder doet weer normaal. Want wegrennen voor ruzies die niet opgelost zijn, dat doe je niet.

Ontwerp door Willem Verweijen