Roos Carabain

21 jaar - Gymnasium

5
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Roos Carabain (21 jaar)

? stemmen

Onderweg naar een betere toekomst

Mijn leven was prima: elke dag lekker uitslapen, zoveel eten als ik wil, dag en nacht met mijn broertjes spelen en ook nog een moeder die nooit werkt. Mijn moeder is de liefste, mooiste en aardigste vrouw die ik ooit gekend heb. Ze steunt me in alles wat ik doe en dat vind ik nog haar beste eigenschap. Ze is trots op ons gezin, ook al heeft ze vader nooit echt goed gekend. Ik ook niet, mijn broertjes ook niet. Ze zijn niet gescheiden, ze zijn gewoon nooit samen geweest. We hebben er allemaal mee kunnen leven, ook al heb je soms in je leven wel een vader nodig. Soms wil je samen met je vader lekker wild doen, stoeien tot een van jullie niet meer kan van het lachen. Dat mis ik.
Maar op een dag, toen ik half slapend naar mijn moeder lag te staren, pakte een gigantische reus mij op en keek met twee blauwe ogen recht de mijne aan. Ik probeerde te ontsnappen door me zo wild mogelijk te bewegen, maar het lukte niet. Ik probeerde te ontsnappen door in zijn handen te bijten, maar het lukte niet. Ik probeerde te ontsnappen door zo hard mogelijk te roepen in de hoop dat iemand me hoort, maar ook dit lukte niet. Ik werd in een kooi gezet, en ging uit verdriet op de grond liggen. Ik huilde mezelf in slaap.

Ik droom over mijn moeder en over die gigantische reus. Dan komt opeens mijn vader voorbij en lacht naar me. Ik heb nooit meer dan een foto van hem gezien. Ik snap wel waarom mijn moeder voor hem viel. Ik merk dat ik langzaam wakker word, en wacht even voordat ik mijn ogen open doe. Ik hoop dat ook die reus die mij pakte gewoon een deel van mijn droom was. Ik doe mijn ogen open. Ik schrik me dood, de twee ogen staren me weer aan. Dit keer zijn ze bruin, en versierd met zwarte lijntjes rondom haar ogen. “Je hebt gelijk Piet!” zegt de reus, “Het is een schatje!”.
Ik hoor een hard geronk, en mijn kooi begint te bewegen. Niet zo’n beetje, ik vlieg alle kanten op. Ik kan mijn evenwicht niet meer behouden en ik stoot mijn hoofd tegen de muur. Alles wordt zwart.
Wanneer ik wakker word, sta ik op een mooie betegelde vloer. Mijn voeten doen pijn van de kou. Ik loop een stukje en zie een vloerkleed liggen. De reus komt weer: “Hé, Liefie, wil je naar buiten?” Ze doet de deur voor me open en ik loop naar buiten. Raar dat ze me zo naar buiten laat, dit zal wel haar eerste ontvoering zijn. Ik huppel vrolijk verder, als het goed is ben ik vandaag weer bij mama. Opeen hoor ik geritsel. Ik kijk en zie weer een reus verschijnen. Ik probeer zo hard mogelijk weg te rennen, maar dit mislukt. De reus tilt me weer op, dit keer geef ik het op, het heeft geen zin, ik zal nooit ontsnappen. Ik moet me er bij neerleggen, dit wordt mijn nieuwe toekomst. Ik heb het hoogste punt van de tocht bereikt en ik zie muren verschijnen. Zie je wel sukkel, je kan niet ontsnappen. Leg je erbij neer.
De reus doet een band om mijn nek, zeker zodat ik niet meer weg kan lopen. Hij pakt me weer op, maar ik ben te moe om me te verzetten. Vreemd genoeg word ik nu in een doos gestopt. De doos wordt dichtgedaan. Het licht verdwijnt en ik zie de kartonnen muren in de schaduw opgaan. Ik hoor een vreemd geluid en ik duik op de grond, dat was maar goed ook, want precies op dat moment prikt en scherp voorwerp door de deksel. Een fel stipje zie ik nu. Precies op het moment dat ik denk dat ik weer naar boven kan komen, komt het voorwerp weer terug. Zo gaat het door totdat mijn zicht weer redelijk wordt door de sterremhemel die boven mij is ontstaan. Ik zit in een doos. Meer niet. Een vierkante doos.

De volgende ochtend hoor ik gezang. Ik hoor kinderen lachen en een hond blaffen. Een van de reuzen roept: “Nu komt het beste cadeau!” en hij pakt de doos waar ik inzit op. Langzaam gaat de deksel open, ik durf niet te kijken. Ik hoor gegil en ik voel een hand over mijn lichaam glijden. Ik wordt voor de zoveelste keer opgepakt, maar deze keer houdt het kind me vast. Hij houdt me tegen zijn wang en roept: “Wat is ie zacht!”.
Ik word op de stenen vloer gezet en probeer weer het kleed te vinden. Dan zie ik een gigantische zwarte labrador voor me. Ik schrik me dood, maar dan kijk ik goed. Deze hond lijkt verdacht veel op mijn vader. De hond zegt tegen me: “Welkom nieuweling, wat is je naam?”. Ik wil antwoorden, maar op dat moment bedenk ik me dat ik nooit echt een naam gehad heb. “Verzin maar iets!”, zei ik. De labrador begon te lachen. “Ik noem je Toffie, welkom!”.
“Gek hè? Soms lijkt het wel alsof dieren kunnen communiceren. Alsof ze met elkaar praten, en elkaar herkennen. Ik hoop dat ze het goed met elkaar kunnen vinden.” Mijn man antwoordt: “Dat moet wel Roos, dit zijn vader en zoon. Die kunnen spelen tot ze van vermoeidheid neervallen.” Ik lach en pak de blonde puppy op. Ik geef mijn man een zoenvoor het geweldige cadeau.
“Ik weet dat dit nu moeilijk voor je is, Toffie, maar ik denk dat je het hier naar je zin krijgt. Je bent onderweg naar een betere toekomst, dat beloof ik je! Wij zullen je alle liefde, warmte en veiligheid bieden die je verdient.” Ik zet de pup op de grond en hij rent naar zijn vader. Samen vallen ze op het vloerkleed in slaap.
Ze heeft gelijk, ik ben onderweg naar een beter toekomst.

Ontwerp door Willem Verweijen