Rosemarijn Daniels

19 jaar - Gymnasium

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Rosemarijn Daniels (19 jaar)

? stemmen

Onderweg naar het einde van de wereld

Onderweg naar het einde van de wereld

Het is donker, ik zie niets. Het is koud en ik hoor niets. Ik lig gespannen op de grond. Mijn armen en benen zijn vastgebonden met een ruw touw. Ik heb geen besef van waar ik me bevind. Het enige wat ik weet is dat ik nog leef. Ik denk aan thuis en aan waar ik in hemelsnaam zou kunnen zijn. Het is een lange tijd stil in mijn hoofd, maar opeens hoor ik een hard geluid. Het geluid lijkt op het geluid van een startende auto. Weer is het stil in mijn hoofd. Ondertussen weet ik wel zeker dat het een auto is waar ik me in bevind. Ik ben benieuwd waar de auto naartoe rijdt en hoe ik in deze donkere koude auto terecht ben gekomen. Langzaam voel ik dat ik wat op en neer hobbel. De auto zal vast wel op een onverharde weg rijden. Ik begin steeds nieuwsgieriger te worden waar ik naar op weg ben. Gelukkig kan ik intussen al wel weer wat zien en ben ik wat meer bij bewustzijn. Na ongeveer een kwartier lig ik nog steeds op en neer te hobbelen. Maar dat duurt niet lang meer want vlak daarna stopt ook het geluid van de auto. Achter me worden twee deuren geopend. Een fel licht verschijnt voor mijn ogen. Het is de zon van buiten die de auto binnen schijnt. Ik doe mijn ogen weer snel dicht. Ik hoor een mannenstem. Hij praat tegen iemand. Degene waar de man tegen praat is ook een man. Ik kan niet echt veel verstaan van wat ze tegen elkaar zeggen, want ze praten nogal zacht en in een vreemde taal. Plotseling stoppen ze met praten. Het is wel een minuut lang stil. Ik kijk door mijn wimpers om te zien of de twee mannen er nog zijn. Ik zie dat ze er nog staan en ze kijken bedachtzaam naar mij. De ene man klimt in de auto en pakt mijn armen vast, de andere man pakt mijn benen vast en ze tillen me uit de auto. Nog steeds kijk ik door mijn wimpers naar wat er gebeurt. Ik kijk of er iets is waar de twee mannen mij naartoe brengen, maar het enige wat ik zie is een uitgestrekte vlakte zonder begroeiing. De mannen blijven oneindig lang lopen. Nog steeds zie ik hetzelfde landschap. Ik begin last te krijgen van mijn armen en benen die nog steeds vastgebonden zijn. Het ruwe touw schaaft langs mijn enkels en polsen. Het duurt zo lang dat ik besluit om mijn ogen maar weer te sluiten. De mannen zijn al de hele route stil. Dat verbaast me. Nog steeds zit ik te denken waar de twee mannen me nou naartoe brengen. Ik gok dat er nu ongeveer een half uur voorbij is. Ik waag mijn ogen maar weer eens open te doen. Maar dan zie ik een grote donkere berg midden op de uitgestrekte vlakte. De berg wordt steeds groter naarmate we dichterbij komen. Als we eindelijk aankomen bij de berg leggen de twee mannen me neer op de grond. De twee mannen lopen naar een klein deurtje in de berg waar ze ook naar binnen gaan. Snel daarna komen de twee mannen weer uit het deurtje in de berg. Ze hebben een kruiwagen meegenomen. Ze zetten de kruiwagen vlak naast mij neer, ze tillen me op en leggen me in de kruiwagen. De twee mannen pakken beiden een handvat van de kruiwagen en beginnen er mee te lopen. Ik kijk ondertussen nog steeds door mijn wimpers heen en zie dat we op een klein bergpaadje lopen dat vlak langs de berg omhoog loopt. Doordat het bergpaadje zo steil omhoog loopt zijn we erg snel boven. Boven op de berg staat nog een kleinere grot. De twee mannen zetten de kruiwagen neer en ze tillen me er uit. De mannen blijven om me heen staan en ze zeggen nog steeds niks totdat een van de twee mannen me een schop in mijn zij geeft. Het doet pijn, maar ik geef geen kik en ik open langzaam mijn ogen. De twee mannen kijken me boos aan en ze hebben beiden een chagrijnige uitstraling. Daarom ben ik een beetje bang en ik sta snel op. De ene man pakt me bij mijn arm en de andere man loopt voorop de kleine grot in. Ik schrik van wat ik zie als ik in de grot ben. Er is een oneindig diep gat in de grond. Een van de mannen begint tegen me te praten. Hij zegt dat ik in het gat in de grond moet springen. Ik vraag de man waarom ik in het gat in de grond zou moeten springen. De man legt uit dat het gat in de grond het einde van de wereld is en dat de mannen offers moeten brengen om het gat in de grond te dichten. Anders zou het gat in de grond ontploffen en dan zou de hele wereld vergaan. Als laatste zei de man dat ik het laatste offer zou zijn en dan zou het gat in de grond helen en zou deze hele vloek voorbij zijn. Het is een lange tijd stil. Maar daarna twijfel ik geen moment meer en ik duw beide mannen in het gat in de grond. De lava in het gat verdwijnt en het hele gat in de grond is in één klap weg!

Ontwerp door Willem Verweijen