Frederique van Cuyk

16 jaar - Gymnasium

2
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Frederique van Cuyk (16 jaar)

? stemmen

Onderweg naar niks

“Wat moet ik dan doen? Weglopen ofzo?” Ik plofde neer op het bed van mijn vriendin. “En dan? Hoe moet het dan verder?” Ik zuchtte. Mijn vriendin keek me aan. “Het komt wel goed. Je kan ook bij ons intrekken? Al weet ik niet hoe ik dat aan mijn moeder moet uitleggen.” Zei ze. Maar het komt niet goed. Dat weet ik zeker. Ik zuchtte nog eens, maar dan wanhopiger.

“Ik begrijp het gewoon niet… Hoe kunnen mijn ouders zoiets doen? Ik had alles van ze verwacht. Behalve dít. Moet ik ze vertellen dat ik het weet?” Ik kijk naar mijn vriendin’s bureau. Mijn beste vriendin, Juul, reageert niet. Ik denk na. Wat moet ik doen? Mijn ouders zijn twee moordenaars. Vind ik dan, maar volgens mijn vriendin valt het wel mee.
“Maar Juul. Mijn ouders zijn drugdealers.”
Zo. Dat is eruit. Juul zucht. “ja, dus?” Ze pakt haar mobiel en zucht overdreven. Ik heb hier echt even geen zin in, dus ik ren naar buiten naar een veldje. Ik haal diep adem en ga in het gras liggen. De wolken drijven langzaam voorbij en ik zie een schaap, en een olifant. Dan schrik ik. Ik zie ook een pistool. De wolk vervormt tot een zak. Ik probeer het verband te leggen. Natuurlijk. Eerst een pistool een daarna een zak, door het pistool. Of iemand ontvoerd, of geld geroofd. Iets van mijn ouders daden dus, denk ik. Want niet dat mijn ouders ooit iets over hun daden hebben verteld. Ik voel gelijk weer een steen onderin mijn maag. Dan besluit ik om nog één keer terug te gaan naar huis. Dan pak ik thuis mijn spullen en vertrek. Van alles. Van iedereen. Definitief.

Volgende ochtend.
Ik schrik wakker van mijn wekker. Ik ram op de knop, hopend dat mijn ouders niks hebben gehoord. Of mijn broertje, hij slaapt altijd zo licht! Dan klik ik mijn zaklamp aan en pak mijn tas. Ik loop zo zacht als ik kan de trap af. Ik doe de achterdeur open, gelukkig dat ie niet op het grote slot zit. Want dan zou ik te veel geluid maken, en mijn vader zou me zeker weten achterna komen. Zo zachtjes als ik kan sluit ik de glazen achterdeur weer. Ik had nooit gedacht dat ik dit zou doen. Ik zie onze schuur, het hekje waar hoognodig wat aan moet worden gedaan en ik zie het pas gemaaide gras. Ik besef dat ik dit voorlopig nooit meer zal zien. Ik sla mijn tas om mijn schouders en loop via de garage’s naar de weg. Waar moet ik in hemelsnaam naartoe? Misschien dat ik richting mijn oma kan lopen. Ik sla linksaf en loop stevig door.

De straatlantaarns geven weinig verlichting, zelfs de maan verlicht nog meer. Na ongeveer een kwartiertje lopen zie ik een groepje mensen staan. Mijn lichaam houd meteen op met lopen. Ik hoop dat ze me niet hebben gezien. Ik schuifel naar rechts, de bosjes in. Maar ik ben te laat. Ze hebben me gezien.
“Wat doe jij nou hier, rond dit tijdstip?” Vraagt een man, ik schat zijn leeftijd ongeveer 26 jaar. Door het zwakke licht van de lantaarns zie ik de man. Ik kijk hem met angstige ogen aan. “Ik, ehm ikke eh ben op een feestje, eh, van mijn vriendin. Ik maak even een ommetje.” Zeg ik, zo goed liegend als ik kan. “Zo laat? Het is 4 uur! Moeten we je soms even naar huis brengen?” De vrouw achter hem lacht spottend. “Zeg, hoe oud is dit kleine meisje?” Ik probeer stoer te antwoorden, maar achteraf merk ik dat het vrij ongeloofwaardig klonk. “Al 15, mevrouw.” Weer die spottende lach. Dan besef ik dat deze mensen wel eens heel lastig kunnen worden. Ik maak een besluit en doe alsof ik naar achter ga, maak een schijnbeweging naar links en ren vervolgens door de armen van de man. De vrouw slaakt een gil van schrik, dit had ze niet zien aankomen maar bedenkt zich net op tijd. Ze zet de achtervolging in. Het had niet slechter kunnen uitkomen: ik struikel over een tak en val languit op de grond. De harde stoep schaaft mijn hele wang open. De vrouw komt op me af lopen. Ik probeer me nog om te rollen om vervolgens op te staan. De vrouw komt boven me hangen en kijkt me lang en doordringend aan. Dan slaak ik een kreet van verbazing. Deze vrouw, die ken ik. Wat doet zij hier? Maar dan merkt ze dat ik haar herken en slaat me knock-out.

Geen vogels. Geen wind. Hitte.
Ik til mezelf op en merk dat ik in een bus lig. Ik hef mijn hoofd op en zie…. Nee. Dat kan niet. Nee… Het is een grote, uitgestrekte woestijn zonder iets van cactussen of anders. De vrouw komt naar me toe. Ze lacht vriendelijk. “zo, uitgeslapen?”
Ik geeuw en kijk haar boos aan. “nah, ik denk niet dat het echt een slaap was, hè? Zeg ik bot. Haar glimlach verstrakt.
“waarom ben ik hier?” vraag ik. De vrouw kijkt even achterom, naar een man die ons gesprek van top tot teen volgt. Hij knikt. De vrouw zucht.
“Het is, ja, hoe moet ik dat zeggen… Het is een soort van reis. Maar dan niet als vakantie, meer-”
“We zitten op de vlucht.” gromt de man. Ik kijk hem niet begrijpend aan.
“ja hallo, wat heb ik daar mee te maken dan?! Ik was simpelweg een ommetje aan het maken!”
“we willen niet dat iemand ons ziet. Dat zou tegen ons kunnen werken.”
“en waar gaan we nu naartoe?”
De vrouw zucht nog eens. “Dat weten we zelf ook niet, net als we niet weten wat we met jou moeten doen.
“dus ik blijf altijd bij jullie?!”
“ik zei dat we dat niet wisten.”
“dus we zijn onderweg naar niks.”
“ja, dat klopt…”
Ik slaak een zucht en veeg een paar tranen uit mijn oog.
Misschien is het tijd voor een nieuw begin.

Ontwerp door Willem Verweijen