Saar van der Lugt

24 jaar - VWO

87
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Saar van der Lugt (24 jaar)

? stemmen

Reizigers

Je hebt van die plekken waar verhalen lijken samen te komen. Ze komen overal vandaan, staan naast elkaar op het perron. Meestal mengen ze zich niet, maar soms wel.
Ik ben benieuwd wat voor verhaal ik ben geworden, als ik hier terugkom.
De ochtendzon is fris als de appel waar ik mijn tanden in zet. Het is nog niet druk op het station. Een vrouw schuift een extra haarspeldje in haar knot. Een man knippert de slaap uit zijn ogen. Als de trein als een gele slang het station binnenglijdt, hijs ik mijn zware tas op mijn rug. Mijn lange haar waait in mijn gezicht. Ik kijk omlaag naar mijn voeten als ik de trein instap. Nog steeds kan ik nauwelijks geloven dat ik echt wegga.
De trein vertrekt in een windvlaag. Ik blijf even staan en zie mijn stad vervagen tot strepen op het raam. Ik moet me door het smalle gangpad wringen. Misschien had ik toch wat minder mee moeten nemen.
Ergens achterin kijkt een jongen met een vermoeide blik uit het raam. Hij is twee, drie jaar ouder dan ik en ziet eruit als het soort persoon dat ik op deze reis wel zou willen ontmoeten.
‘Hoi,’ zeg ik.
De jongen kijkt op. ‘Hoi.’
‘Kan ik hier…’ Achter me kucht iemand. Het is de vrouw met het strenge knotje, ik versper haar de weg met mijn enorme rugzak. ‘Sorry,’ mompel ik. Met veel moeite hijs ik mijn tas in het bagagerek, waar al net zo’n backpackrugzak ligt.
‘Ga je ook op reis?’ vraag ik als ik eenmaal zit.
Hij kijkt naar onze rugzakken boven zijn hoofd. ‘Nee, ik kom eigenlijk net terug.’
‘Oh. Waar ben je geweest?’
‘Ik kom nu uit Rotterdam. Ik ben vannacht met de trein uit Berlijn gekomen. Daarvoor was ik in Tsjechië, Polen, Slowakije. En ik heb een tijdje in Budapest gewoond.’
‘Wat gaaf!’
‘Ja.’ Zijn stem klinkt mat. Hij heeft vast niet veel geslapen vannacht.
‘Dat is ook een beetje mijn plan,’ leg ik uit. Ik laat hem het reisgidsje zien wat ik bij me heb. Het is een bibliotheekboek, maar ik ben niet van plan het binnenkort terug te brengen.
‘Hoe lang ga je?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Ik zie wel. Ik heb nog geen zin om dingen te plannen.’
‘Neem je een tussenjaar?’
‘Ja, soort van. Ik heb afgelopen jaar examen gedaan. Mijn ouders wilden eigenlijk dat ik meteen met een opleiding zou beginnen, maar ik wilde een tijde iets anders. Gewoon even niet aan de toekomst denken.’
Hij wrijft met een hand over zijn ogen en zucht.
‘Wat?’
Hij staart uit het raam, naar de voorbijflitsende weilanden. In de weerspiegeling van het glas zie ik zijn ogen heen en weer schieten. ‘Nee. Laat maar.’
‘Wat?’ dring ik aan.
Hij bijt nadenkend op zijn onderlip. ‘Weet je, ik ging op reis omdat ik niet thuis wilde blijven. En omdat… omdat ik de tijd stil wilde zetten. Maar uiteindelijk ging de tijd juist veel sneller dan de bedoeling was.’
Ik kijk naar de beduimelde reisgids in mijn handen. ‘Ik snap het niet.’
‘Ik weet ook niet echt hoe ik het moet zeggen.’ Hij is even stil. ‘Ik wist niet wat ik moest gaan studeren, óf ik wel wilde studeren. Ik was bang om een burger te worden, dus werd ik een zwerver.’ Hij tikt op de titel van de reisgids, ‘Zwerven in Oost-Europa’. ‘Ik heb hele mooie dingen gezien en leuke dingen meegemaakt. Maar het voelde toch de hele tijd alsof ik op de vlucht was.’
Hij zoekt naar de juiste woorden, kiest ze met zorg uit. ‘Misschien is het op dit moment wel een grotere uitdaging om thuis te blijven.’
Ik kijk naar mijn voeten. De trein schommelt een beetje en wiegt me heen en weer. Ik voel me ineens heel klein.
‘Ik ben niet toegelaten op de kunstacademie.’ Ik zeg het zo zacht dat ik hoop dat hij het niet hoort, maar helaas.
‘Wat jammer voor je.’
Ik knik. Ik sta op, rits mijn rugzak open en haal mijn schetsboek eruit. Terwijl hij door mijn tekeningen bladert kijk ik over zijn schouder mee. Het blijft een ongemakkelijk gevoel als iemand anders ze bekijkt.
Hij blijft hangen bij een portret van Sam. ‘Wat mooi. Wie is dat?’
‘Gewoon een vriend van me.’ Ik heb geen zin om dat verhaal te vertellen.
Hij kijkt me onder zijn wimpers door aan. ‘Ook een reden om te vluchten?’
‘Misschien.’
Hij klapt het schetsboek dicht en geeft het terug. Ik strijk met mijn vingers over de kaft. Door de intercom klinkt een heldere vrouwenstem, die het volgende station aankondigt.
‘Ik moet er hier uit.’ Hij staat op en haalt zijn tas uit het bagagerek. De trein remt af. Hij blijft even staan en steekt zijn hand uit. ‘Succes,’ zegt hij als ik zijn hand schudt.
Als hij weg is zie ik zijn ogen nog steeds, die vermoeide ogen met de lange wimpers. Ik voel de drang om een potlood te pakken en ze vast te leggen op papier, maar ik blijf zitten. Ik zit zo stil als een standbeeld. Buiten de trein klinkt het geroezemoes van de mensen op het perron.
Dan sta ik op. Ik worstel me met mijn rugzak door het gangpad. De conducteur fluit al, maar ik beuk op de knop van de deuren en struikel de trein uit.
Mijn blik schiet over het perron. Ik zoek een jongen, ik zoek een verhaal. Ik haal opgelucht adem als ik hem herken. Hij is net een rugzak op benen. Ik begin te rennen terwijl achter me de trein in beweging komt.
‘Hé,’ zegt hij verbaasd als ik hem inhaal.
Ik heb geen adem, geen woorden, dus ik glimlach.
We staan naast elkaar op het perron. Overal om ons heen zijn mensen. Ze komen allemaal ergens vandaan, ze gaan allemaal ergens naartoe. Allemaal reizigers met hun eigen verhaal.
‘Kom,’ zegt hij. ‘Ga mee koffie drinken.’ Hij werpt een blik op de stationsklok. ‘De trein terug gaat pas over een half uur.’

Ontwerp door Willem Verweijen