Merel van den Ham

21 jaar - Vwo

38
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Merel van den Ham (21 jaar)

? stemmen

On the road

“Mam!” Gestrest roep ik naar boven, “ben je nou nog niet klaar?”
“Jaja, ik kom eraan, alleen nog één dingetje inpakken, ik moet zeker weten dat ik alles mee neem lieverd.”
Ik ren naar boven en zie de tassen van mijn moeder nog open op haar bed liggen. Ik rits ze snel dicht en loop naar beneden, net op dat moment komt mijn moeder met de föhn aangelopen.
“Deze moet er nog snel in prinsesje van me, dan kunnen we echt gaan.” Ze kijkt me aan met haar liefste glimlach.
“Oké dan, geef hier.” Ik duw de föhn nog ergens in een van de tassen en loop naar beneden. “Ik leg dit in de auto en ik ga ook alvast zitten, doe jij zo alle deuren op slot?”
“Natuurlijk liefje, is goed, ik ben er over vijf minuten!”
Ik loop naar de auto en voel me een pakezel, maar wel een blije pakezel. Over een paar minuten zijn we onderweg naar Schiphol, een weekje weg met mijn moeder naar New York. Ze wilde wat tijd samen, om onze band te versterken. Ik zie dat mijn moeder aan komt lopen en kan het niet laten stiekem op mijn horloge te kijken, die paar minuten zijn een half uur geworden, maar ik zeur er niet over, ik wil de sfeer niet verpesten.
Ik sluit mijn mobiel aan met de auto via de bluetooth en start mijn Spotify op. Ik kies een bijpassende afspeellijst, on the road, daar luisteren we de rest van de weg naar.

We staan dik in de file vlak bij Amsterdam, maar we zijn op tijd vertrokken dus ik maak me geen zorgen. Mijn moeder is helaas wel gestrest en ze wordt er echt niet leuker op.
Ik probeer haar te kalmeren maar het lukt helaas niet.
“Mam rustig nou, we zijn ruim van tevoren vertrokken.”
“Weet ik wel, maar ik wil gewoon niet in de file staan, punt uit.”
“We moeten toch bij Schiphol komen,” probeer ik, maar ik weet dat mijn moeder haar besluit al heeft genomen. Ik moet het haar wel nageven, het is warm, de zon schijnt fel en ik voel het asfalt onder de auto warmte afstoten, het is niet het beste weer om in de file te staan.
“Als ik nou een klein stukje over de vluchtstrook rijd om bij de volgende afslag te komen?”
“Mama, dat mag niet!”
“Weet ik, weet ik. Maar het is maar tweehonderd meter,” ik weet dat ik deze discussie eigenlijk al heb verloren.
“Oké dan, maar wel snel hé?”
“Natuurlijk schattebout van me.”
Mijn moeder slaat af zonder richting aan te geven, nu zitten we in de dode hoek van de vrachtwagen voor ons. Mijn moeder wil net gas geven als de vrachtwagen ook besluit om op de vluchtstrook te gaan rijden. Wat er daarna gebeurt gaat heel snel.
Mijn moeder geeft een harde gil, zodra ik zie waarom gil ik mee. Ze probeert nog voor de vrachtwagen uit te rijden, als ze inziet dat het niet lukt wil ze nog remmen. Ze heeft alles geprobeerd, maar het lukt haar niet. Voor we het weten worden we door de vrachtwagen geplet en de vangrails in gereden. Ik hoor hoe onze Renault als een blikje in elkaar wordt geduwd. Dan wordt alles zwart.
Ik weet niet hoelang ik weg ben, maar het eerste wat ik weer weet is dat ik wakker word in een ambulance. Ik voel naalden in mijn armen steken en ik heb barstende hoofdpijn. Ik kijk naar mijn benen en zie dat ze mijn broek opengeknipt hebben, ik schrik als ik zie dat mijn benen opgezwollen en paars zijn. Ik probeer me te herinneren wat er is gebeurd, maar als ik terug denk hoor ik mijn moeder en mezelf gillen en daarna wordt het meteen zwart.
“Waar is mijn moeder?” De woorden komen raar mijn mond uit, en ik zie nu pas dat ik aan de beademing lig.
Gelukkig heeft de ambulancebroeder het verstaan.
“Je moeder ligt in de andere ambulance, voor ons, over een minuutje of vijf zijn we bij het ziekenhuis en leg ik je alles uit, beloofd.”
Ik ben enigszins gerustgesteld en glimlach dankbaar naar de man.

In het ziekenhuis wordt alles tot in de details uitgelegd. Ze vertellen wat voor klap we hebben gehad en hoe de vrachtwagen op onze auto is gevallen. Aan mij vertellen ze waar alle infusen voor zijn die overal in mijn armen zitten. Ook leggen ze me uit dat ik zo’n klap heb gehad op mijn ribbenkast dat mijn longen nog hulp nodig hebben om op te starten. Daarom lig ik aan de beademing, ik steek mijn duim op als teken dat ik het begrijp.
Als ik en mijn moeder allebei enigszins opgelapt zijn en naast elkaar op de ziekenhuiskamer liggen hoor ik mijn moeder iets zeggen. “Deze heb je nog van mij tegoed liefje. Volgende keer kies jij waar we naartoe gaan. En dan zal ik naar jou luisteren hoe we moeten rijden.”
Ik kijk naar mijn moeder en lach, ik weet dat ze zich schuldig voelt, en ik snap het. Ik zou iets tegen haar willen zeggen, maar mijn longen willen nog niet. Ik knik in haar richting en beweeg mijn hand naar mijn hart, om te zeggen dat het goed is en dat ik van haar houd.
Als ik terug draai op mijn rug en naar het plafond staar moet ik glimlachen. Ik ben blij dat het goed met mijn moeder gaat.
Daarna is het stil, ik hoor mijn moeder zachtjes in slaap vallen, haar ademhaling gaat steeds gelijkmatiger. Na vijf minuten hoor ik mijn moeder zachtjes snurken.
Mijn ogen beginnen ook moe te worden, ik sluit ze en luister naar de radio die zacht aanstaat. Vlak voor ik in slaap val hoor ik een bekend liedje op de radio. Ik hoef er niet lang over na te denken, dit liedje stond ook in mijn afspeellijst, on the road.

Ontwerp door Willem Verweijen