Emma van Schooten

23 jaar - havo

22
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Emma van Schooten (23 jaar)

? stemmen

Scherven

De scherven liggen nog steeds op de vloer. De grote glazen die hij in alle woede tegen de muur had gegooid. Ze schitteren stuk voor stuk in het zonlicht dat door de kier van het gordijn naar binnen schijnt. Kleine stofdeeltjes bewegen zich langzaam door de kamer en verdwijnen dan weer in de donkerte die om mij heen hangt. Hij schreeuwde, hij vloekte, hij gooide alles wat hij in zijn bloedende handen had tegen de muren aan. Ik zie nog voor me hoe de rode wijn van het witte behang afdroop, hoe de houtsplinters van zijn nieuwe dienblad door de kamer vlogen. Hij sloeg zijn vuisten tegen de muur, terwijl dikke tranen van zijn kin afvielen. Het voelde alsof ik alles hoorde behalve de woorden die hij al weken door het huis schreeuwde. Ik hoorde hoe zijn voeten tegen het kleine tafeltje voor onze televisie trapte, hoe zijn hand keer naar keer een afdruk achterliet op mijn wang. Ik hoorde zijn gesnikt, en hoe zijn tranen over zijn wangen gleden. Maar de woorden die hij zo hard had geroepen, drongen niet tot me door.
Mijn voeten slepen over de vloer heen. Glassplinters schuren langs mijn tenen maar ik voel me als verdoofd. Ik laat mijn hand over de rand van ons stenen keukenblad glijden en kijk in de wasbak. De stop drijft in de rode wijn, soppig stokbrood heeft het afvoerputje verstopt.
Hij was weggegaan. Hij was weggegaan en had me alleen achtergelaten, in het hoekje van de keuken met mijn donkere haren tegen mijn gezicht geplakt. Hij was weg gegaan, op weg naar de jongen waar ik zo veel van hield.
Mijn knieën voelen week aan bij de gedachte aan de blauwe ogen die zo mooi schenen in de donkere nacht. Mijn benen zakken in elkaar en ik glij langs het keukenkastje naar de grond. Mijn handen trillen, ze trillen al voor weken maar vandaag is het erger. Ik weet wat er is gebeurd.
Hij stond in de deuropening, terwijl hij door ging met schreeuwen. Zijn woorden waren zo hard, zo gevoelloos, dat ik ze niet eens meer kon verwerken. Ik begreep niet waarom hij zo deed. Ik begreep niet waarom hij mij zoveel pijn wilde doen, alleen maar omdat ik zoveel van iemand hield.
Hij stond in de deuropening, de grijze stoppels op zijn gezicht leken licht te geven in de schemering van buiten. Hij stond klaar om weg te gaan, zijn autosleutels in zijn handen, zijn donkere ogen vastberaden. We wisten allebei wat hij ging doen, en dat hij niet zou stoppen voordat zijn klus was geklaard.
Hij was al weg toen ik probeerde alle rotzooi op te ruimen. Mijn handen bloedden van de scherpe scherven die overal leken te liggen. Ik had niets gedaan om hem te stoppen. Ik had geen enkele moeite gedaan om de autosleutels uit zijn handen te rukken en hem te smeken hier te blijven. Ik liet hem zijn gang gaan, ook al deed elke seconde meer en meer pijn.
Ik wist dat met elke minuut die verstreek nadat hij weg was gegaan, de kans dat hij nog leefde kleiner en kleiner werd. In mijn hoofd hoorde ik een klok tikken, een klok die zou stoppen zodra hij klaar was met hetgeen waar hij al zo lang naar had verlangd.
Mijn vader was op weg naar de jongen met het donkere haar en de glinsterende ogen. De jongen met de aanstekelijke lach, met de diepe kuiltjes in zijn wangen, met de kleine krulletjes die hij kreeg als hij uit een stomende douche stapte. Mijn vader was onderweg naar de eerste jongen waar ik ooit van heb gehouden, vastberaden om alles wat ik met hem had te beëindigen. Ik wist dat ik hem nooit meer zou zien, en dat ik nooit meer zijn warme lichaam tegen dat van mij zou voelen. Ik wist dat zijn lichaam nooit meer warm zou zijn, en dat zijn koude handen vroeg of laat, in elkaar gevouwen, in de grond zouden worden gestopt.
Ik kom omhoog van de ijskoude vloer, mijn handen op de rand van het gladde aanrecht. De zonnestraal die net nog naar binnen scheen is als sneeuw voor de zon verdwenen, de kamer lijkt nu nog donkerder dan dat het gisterennacht was.
Ik loop langzaam door de kamer heen, mijn armen om me heen geslagen, mijn pluizige haar samengebonden in een warrige knot. Mijn voeten nemen me mee naar de plek waar ik gisterenavond zeker een half uur heb gestaan. De kleine hal naast de woonkamer, waar de linker trap je naar boven leidt en de rechtertrap je naar de kelder zal brengen. Zijn lichaam ligt er nog steeds, met zijn hoofd net buiten de deur. Er loopt een rilling over mijn rug van de ijzige wind die naar binnen blaast. Ik heb hem niet meer aangeraakt nadat ik zag hoe al het leven uit hem verdween. Het doffe keukenmes viel uit mijn bebloede handen, het scherpe geluid van staal op steen weerklonk in mijn hoofd.
Het was eindelijk stil. Zijn grove woorden hadden me tot waanzin gedreven, zijn meedogenloze woorden die dag in dag uit door het hele huis klonken. Ik had de stemmen die ik altijd al had horen schreeuwen eindelijk gegeven wat ze van me wilde. Ze waren stil, alles was stil.
Ik zak langzaam op de grond, mijn benen tegen me aangetrokken, mijn kin op mijn knieën.
Ik zal iedereen hetzelfde moeten vertellen. Hij had me geslagen, hij had gedreigd me te verkrachten, te wurgen, er was niets anders wat ik kon doen. Noodweer, dat is wat ik zou zeggen, terwijl ik hopeloos zou proberen de bloedsporen van mijn handen af te wassen. Ik zou vertellen over mijn vriend, en hoe hij al bijna onderweg was om hem te vermoorden, en alles van hem af te nemen.
Het enige wat ze alleen niet zullen weten is dat hij nooit onderweg was geweest naar mijn vriend. Alleen ik, was onderweg. Onderweg naar de verlossing van de stemmen in mijn hoofd.

Ontwerp door Willem Verweijen