Cas van Hout

24 jaar - Vwo

7
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Cas van Hout (24 jaar)

? stemmen

Slechts Vijf Stappen…

God sta me bij, dacht ze. Wat gebeurt hier? Ze keek om zich heen, naar de muren die haar huis vormden. Alles voelde zo rustig, zo vredig. Maar waar was de pijn? Waarom was het spontaan verdwenen? Ze voelde aan haar rug, al was het normaal gevormd nu. Ze begreep het niet. Ze liep naar de badkamer, waar ze in de spiegel keek. Een volwassen, gezonde vrouw keek haar aan. Nee, dacht ze, dit kan niet. Dit is onmogelijk.

De vrouw liep de straat op, in de hoop duidelijkheid te krijgen. Ze zag niemand, ze hoorde niets. Ze vroeg zichzelf af in welke tijd ze leefde, maar ze was haar tijdsbesef verloren. Welke dag? Welk uur? Zelfs het jaar kon ze zich niet voor de geest halen. In de angst gek te zijn geworden rende ze door de straat naar het centrum van haar geliefde dorp. Eindelijk zag ze wat levende zielen, maar ze herkende niemand. Ze keken haar zelfs niet aan. Ze wierp een blik op de kerk aan de andere kant van het plein. Overtuigd dat ze nergens anders meer terecht kon begaf ze zich daarheen. De deuren stonden zoals altijd open. Slechts een handvol mensen bevonden zich in de grote ruimte. Ze liep verder, zonder aangesproken te worden of zelf contact op te zoeken met ze, en knielde uiteindelijk bij het Jezusbeeld neer. Normaal zou ze nooit zo direct zijn, maar nu leek ze uit haar eigen wereld te zijn gevallen. Ze bad en bad, ze had geen idee hoelang. Het was in ieder geval lang genoeg voor haar om haar enigszins te bedaren. Met nieuwe moed liep ze weer naar buiten. Het regende, maar ze voelde het niet eens. De wereld leek te vervagen, alsof haar ogen het begaven. Angstig stapte ze door, zonder doel, tot ze eindelijk één gezicht wél herkende… Haar zoon liep aan de andere kant van de straat, samen met een groep mensen. Bang dat ze het fout had door de wazigheid, durfde ze niet de straat over te steken. In plaats daarvan riep ze maar zijn naam, over en over, maar hij reageerde niet. Hij keek zelfs niet op. De vrouw werd boos. Wat gebeurt hier!? Zelfs mijn eigen zoon die mij niet meer ziet staan!? Ze draaide haar hoofd naar boven, recht in het regen. God! Waar ben je in vredesnaam wanneer ik je nodig heb!? Woedend keek ze weer naar haar zoon, die gewoon verder liep. In een hopeloze poging riep ze weer zijn naam, maar het liet hem koud. Ze werd woedend. Altijd zijn brood gesmeerd, altijd zijn kleren klaargelegd, altijd hem eraan doen onthouden dat ze van hem hield. En dit krijgt ze ervoor terug? Een zoon die haar negeert? Laat hem dan maar.

De vrouw was niet van plan het zomaar te laten gebeuren. Ze ging ervoor vechten. Als er iemand was om wie zij gaf, dan was het haar kind. Ze zette weer voet in haar huis en liep de trap op. Het ontging haar niet hoe makkelijk dat nu ineens ging. En dat terwijl ze kort daarvoor nog geholpen moest worden… Ze kwam in de kamer van haar zoon. Het was netjes opgeruimd, en de kleren voor de volgende dag hingen over de stoel. Ze kon echter niet herinneren dat ze dat gedaan had, maar dat maakte haar even niks uit. Ze greep de kleren beet met de ene hand, de schone lakens van het bed met de andere, klaar om ze overhoop te gooien. Dan zou haar zoon wel begrijpen wat ze allemaal voor hem deed. Maar hoe graag ze het ook wilde, het lukte gewoon niet. Haar verstand zette door, maar haar hart en ziel protesteerden. Ze kon het niet.

De vrouw liep opnieuw over straat, al haar hoop opgegeven. Niemand leek nog iets om haar te geven, zelfs haar bloedverwant niet. Depressief en verloren dwaalde ze door het dorpje, terwijl ze maar al te goed opmerkte dat de wereld alsmaar waziger en donkerder werd. Ze kon nog maar met moeite het eind van de straat zien. Tegen beter weten in besloot ze naar haar zoon te gaan zoeken, als laatste beetje licht in haar leven.

Eer ze hem had gevonden, was ze zo goed als al haar zicht verloren, maar dat accepteerde ze. Ze kon niet eens zien waar ze waren, maar haar zoon zou ze altijd herkennen, zelfs door de donkerste duisternis. Hij stond in een halve cirkel, zijn ogen gesloten, hoofd lichtjes voorovergebogen tegen de regen. De vrouw ging recht voor hem staan en legde haar hand tegen zijn wang, maar voelde hem niet. Desondanks opende hij zijn ogen, en leek haar recht aan te kijken. Ze boog zich voorover en gaf hem een kus op zijn voorhoofd. Hoe had ze ooit boos op hem kunnen zijn? Haar lieve jongen. Ze opende haar mond om iets te zeggen, maar ze hoorde er geen geluid uit komen, dus dacht ze het maar. Jij geeft mij leven. Het laatste wat ze zag, voordat haar hele wereld zwart werd, was een traantje die over zijn wang omlaag liep. Maar kort daarna werd alles helder.

Ik dwong mezelf niet te huilen, sterk te zijn. Ik had me al zeker twee jaar op dit moment voor kunnen bereiden, maar het viel enorm zwaar tegen. Mijn ogen hield ik gesloten om de grafkist niet te hoeven zien die de grond in zakte, maar ik opende ze toch, wetende dat ik er anders later spijt van zou krijgen. Ik staarde in de verte, in een verwoede poging mijn moeder nog te verbeelden toen ze nog lichamelijk gezond was, vóór de kanker. Even dacht ik haar echt te zien, waardoor ik mijn tranen niet meer tegen kon houden. Ik dacht aan wat ze altijd tegen mij had gezegd: jij geeft mij leven. En jij geeft mij liefde, zei ik dan. Ik staarde de gat in de grond in, terwijl het regen van mijn gezicht af liep. Ik hoopte maar dat ze de hemel al bereikt had…

Ontwerp door Willem Verweijen