Coen Klabbers

21 jaar - VWO

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Coen Klabbers (21 jaar)

? stemmen

Steenkoud

Steenkoud

Het jaar 2064, Amsterdam, Nederland. In de afgelopen paar jaar is de aardkorst bedekt geworden door miljarden hoge bergen. Alles is vernield, behalve een paar grote steden. Amsterdam is daar een van, met zo’n 15 miljoen inwoners een van de dichtstbevolkte. Er zijn een paar mensen op de aarde waarvan wij weten dat zij zich in de bergen bevinden, dit zijn enkel en alleen wetenschappers die onderzoek doen naar de snelle groei van de bergen. Het was slechts een kwestie van tijd voordat de steden ook getroffen werden.

De aarde begint te trillen, langzaam maar hevig, wat ervoor zorgt dat Hans wakker wordt. “Wat is er nou weer aan de hand” zegt Hans tegen zichzelf,”kan ik dan nooit eens rustig slapen.” Hans stapt zijn bed uit en kijkt door zijn slaapkamerraam. In de verte ziet hij de vertrouwde wolkenkrabbers die hij normaal gesproken ook altijd ziet, maar na verloop van tijd merkt hij iets. ”Ligt het nou aan mij of is het ene gebouw veel hoger dan de ander.” Hij denkt dat hij gek word maar het is echt zo, de gebouwen verschillen in hoogte. Hans begon zich weer op het trillen te focussen,”waar komt het vandaan?” vroeg Hans zich af. Hij besluit om naar buiten te gaan en te kijken wat er aan de hand was, misschien kan iemand anders het hem vertellen. Wanneer hij buiten komt is het uitgestorven. Hij ziet niemand die hem kan vertellen wat er aan de hand is, er is alleen een stelletje duiven iets verderop maar die zullen ook geen grote hulp zijn. Wanhopig belt hij bij de buren aan:”Hallo, het is Hans van hiernaast, zijn jullie thuis”. Hij kreeg geen antwoord. Verbaasd gaat hij terug naar binnen en realiseert iets:”Kaj!” Zijn broer zit al de hele week in zijn kamer, dus snel rent Hans naar binnen, de trap op en Kaj’s kamer in:”niets”. Met volle kracht trapt hij tegen Kaj’s bed aan:”verdomme.” Tot zijn schrik hoort hij iemand roepen vanaf beneden,”Hé, wel het huis heel houden graag!” Hans rent snel terug naar beneden en ziet zijn broer in de keuken staan “Wat is er broertje, je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien” zei Kaj. “Waar is iedereen” vraagt Hans.
“Het is begonnen, de bergen beginnen zich te vormen.”
“Wat bedoel je?”
“De gigantische bergengroei van de afgelopen paar jaar treft nu ook Amsterdam, het was op het nieuws vanmorgen, de buurt besloot te vluchten.”
“Waarom had jij me niet wakker gemaakt, dan waren wij hier nu ook weg?”
“Zo simpel is het niet Hans, we kunnen nergens heen, geen andere stad, geen klein verwoest dorpje, niets” Hans denkt diep na voor een paar minuten en bedenkt zich dan iets, Oom Jan.

Oom Jan was een van de wetenschappers in de bergen die daar onderzoek deed, maar ook de enige plek waar ze heen konden. Ook al was hij niet hun echte oom, zo voelde hij wel voor Hans en Kaj. Ze stapte in de auto en begonnen zich een weg te banen door het puin van de gebouwen naar de auto die een paar straten verderop stond. Toen ze bij de auto aankwamen begonnen meerdere wolkenkrabbers zich naar de grond te laten vallen, wat zorgden voor een immense klap en een hevig bevende aarde. Snel reden ze weg in een poging de vallende gebouwen voor te blijven, maar ze realiseerden dat dit makkelijker lijkt dan het is. In hun landrover reden ze snel door de straten heen, op naar een weg om de stad te ontsnappen. Op weg naar de enige manier om de stad te verlaten werd de weg geblokkeerd door een gigantische metalen pijp. Snel kwamen de jongens uit de auto en probeerde de blokage weg te duwen, maar dit lukte niet. De jongens waren hulpeloos, totdat een gigantisch stuk rollend steen op hun afkwam. Ze sprongen opzij en het gesteente ramde tegen de blokage aan wat ervoor zorgde dat het de weg niet meer blokkeerde. verrast stapten ze terug de auto in en reden verder, toen ze hoger in de bergen kwamen zagen ze dat de hele stad vernietigt was, al hun herinneringen waren verwoest. Een dag of twee later kwamen ze aan bij het laboratorium van hun “oom” en vonden ze uit dat zijn lab ook getroffen was, Oom Jan was nergens te vinden. De twee waren radeloos en moesten een nieuw onderkomen vinden om te overleven in deze dodelijke bergen. Zonder te weten waar heen te gaan gingen ze verder en hoopten op het beste.

Ontwerp door Willem Verweijen