Fenna Vesters

20 jaar - VWO

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Fenna Vesters (20 jaar)

? stemmen

Waarom hij?

Voor mijn opa.

Je ligt stil. Heel stil. Te stil.
Je bent koud. Heel koud. Te koud.

Het ging zo snel, was in een oogwenk voorbij. Achteraf wilde ik dat ik de mooie momenten bewuster had meegemaakt, dat ik ze beter in mijn geheugen had geprent. Nu is het te laat. Die dag, ik weet het nog zo goed. We waren met z’n dertienen. Het ongeluksgetal, toeval? Ik wist het niet. Ik liep hand in hand met mijn moeder. Misschien kinderachtig, maar op dat moment deed het er niet meer toe. We waren met de hele familie. Mijn oma’s en opa, mijn tantes, oom, nichtjes en neef. En natuurlijk mijn vader, moeder, mijn broertje en ik. Samen liepen we het donkere gebouw binnen. We werden ontvangen door een vriendelijke vrouw. Ze zei niet zo veel, maar aangezien dat niet nodig was, vond ik dat niet zo erg.
“Waar ligt opa nou eigenlijk?” Vroeg ik.
“Ik weet het niet precies, lieverd.” Antwoordde mijn moeder.
Ik keek om me heen. Het gebouw zag er vanbuiten groter uit dan hoe het in werkelijkheid was. Als je binnenkwam kon je naar links, rechts en rechtdoor. Ik vroeg me af waarom er twee kamers waren in de gang rechts naast mij. Waarom twee? Waarom niet 3 of 4? Ik wist het niet.
De vrouw zei iets tegen mijn vader. Ik kon het niet horen en wilde vragen wat ze had gezegd. Maar mijn vader was al onderweg. Onderweg naar mijn opa.
“De gang door, naar rechts, tweede deur links.” Zei hij met een geknepen stem.
Ik had medelijden met hem en wilde dat ik zijn verdriet over kon nemen.

Mijn voeten begonnen te lopen. Waarom deden ze dat? Waarom kon ik niet gewoon blijven staan om het niet te hoeven zien? Maar dat zou laf zijn. Niet tegenover de rest van mijn familie, maar tegenover mijn opa. Dit was misschien de enige kans die ik nog zou krijgen om hem te zien. Die kans wilde ik met beide handen grijpen. Dus toen ging ook ik onderweg. Onderweg naar mijn opa.

Tot voor kort had ik nog geen idee hoe het zou zijn iemand te zien die gestorven was. Ik was bang. Zou ik hem nog wel herkennen? Zou ik weten dat hij het was? Ik was bang voor wat ik ging zien, bang voor de werkelijkheid. Maar de werkelijkheid is niet voor niets de werkelijkheid, je moet er niet tegen vechten, maar het accepteren. Dus dat deed ik. Ik liep het kleine kamertje binnen en zag mijn opa. Het eerste wat ik dacht was: slaapt hij niet gewoon? Ik wist wel dat het niet zo was, maar toch wil je blijven geloven in dat verhaaltje.
We gingen met z’n allen rond de kist staan. En we keken. Ik keek ook. Ik keek en ik keek en ik keek, maar kon het antwoord niet vinden. Het antwoord op de vraag: waarom hij? Waarom heeft hij deze vreselijke ziekte gekregen? Diep vanbinnen wist ik wel dat ik blij moest zijn dat hij het op zo’n late leeftijd had gekregen, maar alsnog.

Ik weet niet precies hoeveel tijd er was verstreken. Misschien maar 5 minuten, misschien wel 20. Eén ding wist ik wel zeker, ik had mijn opa nog nooit van mijn 13-jarige leven zo goed bekeken. Ik zag de rimpeltjes rond zijn mond en ogen, die ooit blij hadden gekeken. Zijn trui met overhemd eronder die hij altijd aanhad. Zijn bijna kale hoofd, waar alleen nog wat witte plukken zaten. Aan de ene kant was het mooi om hem zo te zien. Aan de andere kant vreselijk. Ik had hem in mijn hoofd als een levendig iemand die altijd vrolijk was en altijd grapjes maakte. Want grapjes, die maakte hij de hele dag. Zelfs toen het al bekend was dat hij zou sterven maakte hij nog grapjes.

Tijdens oud en nieuw bijvoorbeeld. Het was de laatste waar hij bij zou zijn, dus mijn ouders besloten naar mijn opa en oma te gaan om het daar te vieren. Er hing een enigszins treurige spanning, omdat het de laatste keer was dat mijn opa een nieuw jaar mee zou mogen maken. De klok sloeg twaalf en opeens was het 2014. Iedereen wenste elkaar gelukkig nieuwjaar, de gebruikelijke omhelzingen en kussen kwamen ook aan te pas.
Mijn opa kon niet opstaan, want hij zat al een tijdje in een rolstoel. Ik weet niet precies waarom hij het grapje maakte. Ik denk om de spanning te breken. Wat hij zei was dit: laten we nog lang en gelukkig leven. Ik weet niet zeker of iedereen het hoorde. Ik denk het eigenlijk wel. De opmerking paste namelijk totaal niet in het plaatje. Mijn opa zou ergens in januari sterven, dat was al duidelijk. Ik wilde liever niet aan dat moment in de toekomst worden herinnerd. Een fractie van een seconde was iedereen stil, je kon een speld horen vallen. Toen was dat moment voorbij.

Ik ben weer terug in het kleine kamertje en denk na over de goede herinneringen van mijn opa. Op een gegeven moment kwam er een man binnen. Ik weet niet hoelang we daar met z’n allen zijn blijven staan. Wat ik wel weet is dat ik het fijn vond hem nog even te kunnen zien. Nu was het moment daar om de deksel erop te leggen. Ik raakte voor de laatste keer zijn hand aan, als een soort afscheid. Daarna legden we de kist erop en was het voorbij.

Nu pas, een jaar later, besef ik wat het is als iemand gestorven is. Toch moet ik niet elke avond huilen, ik heb er vrede mee. Ik heb niet het gevoel dat hij helemaal weg is. Daar ergens, hoog aan de hemel, houdt hij ons allemaal in de gaten, dat weet ik zeker. Waar we ook zijn, we zijn altijd onderweg, naar school, naar ons werk, naar de winkel. Hij weet dat en hij zal bij ons blijven, hoe dan ook.

Ontwerp door Willem Verweijen