Kylene Baggerman

19 jaar - Atheneum (VWO)

21
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Kylene Baggerman (19 jaar)

? stemmen

We zijn al onderweg

‘Ben al onderweg.’ Zei ik zacht tegen m’n oortje. ‘Over en uit.’ Mijn spieren voelden heerlijk strak, het resultaat van uren en uren lang trainen. Dat moest ook wel; nu weer een gijzeling in Hawaii. De wereld is ziek, die woorden heb ik vaak gehoord de laatste paar jaar.
Tot nu hoefde ik alleen maar mensen op te halen of poolshoogte te gaan nemen, maar ik verwachtte dat het deze keer langer zou duren voordat ik weer naar het geheime Hoofdkwartier van de AWM, Anonieme Wereldwijde Meldingsdienst, terug kon.
Ik woon in een speciaal Beschermerhuis. Het heeft een enorme zolder, die ik gebruik als werk-, bad- en slaapkamer. Via de brandstang glij ik bij een noodgeval razendsnel naar beneden, langs de woonkamer naar de kelder. Die is anders dan alle andere; er zijn wapens, computers, boksballen en speciale Beschermersoutfits, die je vocht vasthouden, je soepel laat bewegen en je onopvallend door de straten en over de daken laat rennen. Het meest wonderbaarlijke van de AWM zijn toch wel de Tunnels. Je komt er overal mee, met behulp van de Tunnelaars, raceauto’s boven een soort spoorlijnen. Ze gaan ongeveer 163 keer sneller dan andere voertuigen. Het leukste deel van mijn baan, die kick als je door die door LED-lampen verlichte, betonnen gangen racet. Soms kom je nog iemand tegen ook.
Soepel en geluidloos stopte de Tunnelaar voor een zware grijze deur, met ernaast een touw die de kleur had van het beton. Ik stapte uit, de spoorlijnen onder de Tunnelaar keerde hem bij het voelen weggaan van mijn gewicht, en greep het touw vast. Die deur leidde naar een donker doolhof, bedoeld voor achtervolgers. Je kon dan naar boven ontsnappen, of in ieder geval een paar mensen afschudden. Je kon wel eten vinden in het doolhof, en bovendien werden ze er na een paar dagen weer uitgehaald. Ik gaf een ruk aan het touw, en ik ging sneller omhoog, terwijl het dak openging en een donkere sterrenhemel onthulde. Boven aangekomen greep ik de rand vast en zette me af, rolde weg en krabbelde overeind. Het was tijd voor een missie.

Ik checkte of mijn masker nog goed zat en liep zo geluidloos mogelijk de trap op terwijl ik de anderen achter me aan hoorde lopen. Er kwamen stemmen uit de kamer, en ik kneep in het pistool om mezelf kalm te houden. Rustig ademen, hield ik mezelf voor. Je hebt een kogelvrij vest aan en lenzen in. Ze kunnen je niet herkennen en/of vermoorden. Rustig ademen.
‘Elijah!’ voor het eerst in een paar weken hoorde ik mijn echte naam in plaats van ‘Beschermer Tigla’. Er klonk een klap en een kreun, een snik en een lach. Mijn adem stokte terwijl mijn ogen mechanisch de ruimte doorzochten. Ik kende die stem. ‘Beschermer Tigla, hoort U mij?’ hoorde ik in mijn oor. ‘Luid en duidelijk.’ ‘Er is nieuws over de gijzeling: het was geen gijzeling. Er is een Beschermer ontvoerd. Een vrouwelijke arts.’ Mijn mond werd droog. Nee. Nee. Nee, nee, nee! Het hoefde haar niet te zijn. Ik kende meer vrouwelijke artsen. Het hoefde haar niet zijn. Het kon haar niet zijn. Het mocht haar niet zijn. ‘Begrepen. Over en uit.’ De anderen verspreidden zich en checkten elk hoekje, terwijl ik naar de volgende deur liep en luisterde of ik stemmen hoorde. Ja, en ze klonken luider. Ik wenkte de anderen, en ze kwamen weer achter me staan.

‘Clue!’ ‘Elijah!’Op dat moment werd mijn hart in ontelbare stukjes gereten door het monster van de realiteit. Clue was vastgebonden aan een houten balk, haar polsen over elkaar, boven haar hoofd. Bloed, heel veel bloed ontsierde haar lichaam. Haar haren zaten vol klitten en een man stond over haar heen gebogen, en ik besefte dat ze alleen haar ondergoed aanhad en wat hij aan het doen was. Verdomme. De wereld is ziek. Nog meer mannen omringden haar en stonden geamuseerd te kijken. ‘Hands up!’ ik richtte mijn pistool op haar aanrander. Aan zijn blik en die van de anderen te zien had hij ons niet gehoord. Hij gehoorzaamde en draaide zich langzaam om. Clue hijgde opgelucht. Ik gebaarde naar de anderen dat ze hem moesten binden en liep naar Clue toe. ‘One time, I knife!’ ik verstijfde en staarde hem aan. Hij had een masker op en zijn donkere ogen keken gemeen terwijl hij een mes onder Clues hals hield. De andere mannen hielden hun pistool op haar gericht. Koortsachtig fronste ik mijn wenkbrauwen. Hoe kon ik alle tegenstanders tegelijk uitschakelen zonder Clue in een nog groter gevaar te brengen?
Opeens klonk er een vreemd, sissend geluid. ‘Aaah.’ Met een kreun zakte een van de aanranders op zijn knieën, zijn hand op zijn schouder. Heel kort daarna klonk het geluid weer en viel de volgende, en al snel waren alleen de man die Clue aanrandde -of waarvan ik het in ieder geval van gezien had- en de man die haar nu vasthield nog over. Plots zag ik Ciaran vanuit een ooghoek. Hij zat achter een van de ramen van de kamer, en gebaarde dat ik stil moest zijn. Ik begreep hoe het gegaan was: hij had pijlen afgeschoten, en goed gemikt ook.
Ik zag dat Clue zich inmiddels losgeworsteld had uit haar handboeien, maar haar armen nog omhooghield voor de schijn. Ze zag dat ik het zag, keek me aan, en zonder een woord te zeggen wisten we wat de ander dacht. Met een vastberaden gezicht -zo kende ik haar weer- schopte ze naar achteren, raakte de schenen van de man, draaide zich om en gaf hem een rechtse. Ik schoot op de man die haar aangerand had en hij zakte kreunend door zijn knieën. Clue ook. Ik zag het, sprintte naar haar toe en ving haar net op tijd op. Ze opende haar blauwe ogen. Dit keer geen twinkeltjes. ‘Elijah,’ Haar stem was schor. ‘De Noodkamers.’ Ik knikte. ‘Hou vol, Clue. We zijn al onderweg.’ Naar haar ondergang, of naar haar redding? Ik wist het niet, maar we waren in ieder geval onderweg.

Ontwerp door Willem Verweijen