Cheyenne Nijboer

20 jaar - Gymnasium

110
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Cheyenne Nijboer (20 jaar)

? stemmen

Zo goed als dood

Waar ben ik? Ik weet het niet. Ben ik dood? Ik weet het niet. Verdomme, Adia, concentreer je! Ik moet iets doen, iets, wat dan ook. Kijken! Doden kunnen niet kijken, toch? Ogen open, niet te snel… Licht! Ik zie licht! Opluchting glijdt van me af. Ik leef. Maar waar? En waarom ben ik… Ruw word ik beetgepakt, waarna er naar me wordt geschreeuwd. Ik kijk in de ogen van een onbekende man. Als ik verder om me heenkijk zie ik tot mijn verbazing nog honderden andere kinderen en ik weet niet of ik hier blij mee moet zijn of niet. ‘Waar ben ik?’ vraag ik. ‘Waar je hoort!’ is zijn antwoord. Oké, dan vind ik het zelf wel uit. Het landschap is droog, dus denk ik dat ik nog in Afrika ben. Voor de rest is er niet veel te zien, behalve een hek met slecht gewikkeld prikkeldraad erom. Ik hoor een man schreeuwen dat we bij elkaar moeten komen. Hij ziet er moe uit, alsof hij geen zin heeft in al het gezeik van deze kinderen. Toch begint hij te praten. ‘Jullie zijn uitverkoren om het werk te doen wat nodig is, zodat we de mens in kunnen laten zien dat het doen en laten van hen slechts bepaalt wordt door de wil van Allah. Jullie zullen de wereld veranderen, door jullie te verzetten tegen diegenen die tegen Allah zijn. Net zolang tot ieder is bekeerd. Vecht of sterf, maar vlucht niet.’ Met open mond staar ik hem aan. Alles begint op zijn plek te vallen, al wordt het daar niet beter van. Ik moet iets doen. Ik weet niet wat, maar iets, iets waardoor ik hier niet aan mee hoef te werken. Vecht of sterf, maar vlucht niet. Laat dat laatste nou precies zijn wat ik ga doen.

52 uur later
Ik ren voor mijn leven. Letterlijk. Af en toe sta ik stil om te luisteren of ik geweerschoten hoor, of iets wat er op wijst dat ze me hebben gesnapt. Een gat in een hek lijkt me namelijk niet erg onopvallend, maar iets beters kon ik niet verzinnen. Ik heb werkelijk geen idee waar ik me moet verstoppen. Het land is hier namelijk zo plat als een dubbeltje. In de verte zie ik een rivier opdoemen. De Benue, zeg dat het de Benue is. Mijn dorp ligt langs de Benue, dus zo heb ik misschien nog een piepkleine kans mijn dorp te vinden. Ik kom bij de rivier, nog steeds geen flauw benul hebbend welke het is. Links of rechts? Nog voor ik over die vraag na kan denken, hoor ik geschreeuw achter me. Ohnee, ohnee ze weten het! Het is voorbij en ik kan er niks aan veranderen. Dag mama, dag papa, dag vrienden, tot ooit…

28 uur later
Verschrikt kijk ik om me heen. Ik lig op een matras op de grond. Rechts van me staat een glas water, die eerst ik gulzig opdrink. Vervolgens bekijk ik de rest van de kamer. Ik schrik. ‘Ga weg, ga weg, blijf van me af!’ ik stop niet met gillen. Ook niet als de vrouw, die zojuist op een stoel links van me zat, mijn polsen beetpakt en roept dat ik rustig moet zijn omdat ik de hele buurt bij elkaar schreeuw. Plots slaat ze me in mijn gezicht. ‘Sorry,’ zegt ze. ‘Dit was de enige manier om je stil te krijgen. Vertel, waar kom jij vandaan en waarom hebben wij jou bewusteloos gevonden?’ Ik weet niet of ik haar kan vertrouwen, maar er is niemand anders waarvan ik dat wel zeker weet en ik moet mijn verhaal kwijt. Dus ik vertel. Geschrokken hoort ze alles aan. ‘Je bent gevlucht? Van Boko Haram?’ ik knik. ‘Ik wil naar huis.’ zeg ik, kinderlijker dan dat ik het eigenlijk wil zeggen. Maar het kan me niet zoveel meer schelen. De vrouw glimlacht en wil iets zeggen, maar op dat moment klinkt er een stem. ‘Gevaar! Gevaar! Vlucht als je leven je lief is!’ Dus dat doen we.

67 uur later
Ik ben nog nooit zo blij geweest om een stad te zien. We schreeuwen bijna van geluk. Bijna, maar we doen het niet omdat we moe zijn en honger hebben. We kloppen aan bij het eerste huis wat we tegenkomen. Een jonge, aardig rijk uitziende man doet open. Aan zijn reactie te horen zien we eruit als een stel zwervers. ‘Mijn hemel, wat is er met jullie gebeurt? Het lijkt wel alsof jullie dagen van huis zijn geweest!’ ‘Nou, zover zit je er niet naast.’ zegt de vrouw glimlachend, van wie ik nu weet dat ze Fadhila heet. De man laat ons binnen en geeft ons eten terwijl wij ons verhaal doen. Ik sluit mijn verhaal weer af met de zin ‘ik wil naar huis’, met stiekeme hoop dat hij me naar Enegu kan brengen, mijn thuisdorp. Ik vroeg me af of die gedachte egocentrisch was, wetend dat Fadhila haar huis waarschijnlijk is verwoest door de soldaten. Nadat we alles hebben verteld, staat hij op en zegt ons dat we mee moeten lopen. We lopen naar een soort schuur. Wat ik daar zie laat al mijn moeheid, hopeloosheid en angst wegtrekken.

3 uur later
De hete wind die mijn gezicht in slaat doet er niet toe. Ik ga naar huis. In een auto. Ik heb nog nooit in een auto gezeten, ik kijk dan ook verwonderlijk om me heen. Het dorre landschap flitst voorbij, net zoals de tijd. Zonder dat ik er erg in heb, roept het navigatiesysteem (de man is écht rijk) dat we er zijn. Ik kijk op, verwachtingsvol, maar ik wou dat ik dat nooit had gedaan. Ik verstar. Alles is verwoest, afgebrand en stukgemaakt. Het lijkt alsof mijn dorp er nooit is geweest, weggevaagd als een vervelende vlieg. Ik realiseer me dat ik ongelijk had toen ik daar lag, denkend dat ik had bewezen dat ik niet dood was. Mijn leven is verdwenen, ik ben zo goed als dood.

Ontwerp door Willem Verweijen